Gilles Kepel, Jihad

Op weg naar het post-islamisme

Gilles Kepel

Jihad: The Trail of Political Islam

Uitg. I.B. Tauris, 454 blz., £25,-

Met «11 september» nog vers in het geheugen lijkt het wat voorbarig om te spreken van de neergang van de politieke islam. Toch is dat precies wat Gilles Kepel doet in zijn laatste boek. Via een even eloquent als imposant betoog komt de Franse islamkenner tot de conclusie dat het islamisme al geruime tijd over zijn top heen is en dat het proces van verval nauwelijks nog is te stuiten. De door al-Qaeda georkestreerde aanvallen op de Verenigde Staten waren dan ook niet een teken van kracht of vitaliteit van de radicale politieke islam, maar eerder een uiting van wanhoop. De aanslagen in New York en Washington moeten worden gezien als de laatste stuiptrekkingen van de militante islam.

Kepel heeft zijn sporen reeds verdiend met een aantal studies naar lokale uitingen van het islamisme (in Egypte en Frankrijk) en doet daar nu een forse schep bovenop met een omvangrijke studie op het niveau van de internationale politiek. Het is een omvangrijk, bijna encyclopedisch werk geworden dat zijn gelijke niet kent. Hij beperkt zich niet tot het Midden-Oosten en staat ook uitvoerig stil bij de ontwikkelingen in Zuid- en Zuidoost-Azië. Net zoals Ahmed Rachids Taliban op het goede moment verscheen om een bestseller te worden, zo zal dat waarschijnlijk ook gaan met Kepels Jihad. In beide gevallen heeft dat niet alleen met een goed uitgevallen timing te maken — de eerdere Franstalige editie verscheen trouwens ruim vóór 11 september 2001 — maar vooral met de manier waarop de auteurs hun onderwerp behandelen.

In het geval van Kepel is er sprake van voorbeeldige politiek-sociologische analyse met een sterk historische grondslag. Zijn uitgangspunt is heel simpel. Islamistische bewegingen zijn in feite clusters van verschillende maatschappelijke groeperingen met verschillende maatschappelijke agenda’s. Ze zijn sterk als ze erin slagen deze verschillende componenten te mobiliseren en te laten samenvallen, totdat ze uiteindelijk de macht overnemen. Dat laatste is overigens zelden gelukt, eigenlijk alleen in Iran. Welke zijn die groeperingen? Kepel onderscheidt er drie: om te beginnen een nieuw soort yuppies. Op speelse wijze spreekt hij van de young urban poor. Het gaat hier om een sociale groep die voorheen niet bestond, zeer omvangrijk is, kan lezen en kan schrijven, maar maatschappelijk en politiek zeer gedepriveerd is. De Algerijnse hittistes — werkloze jongeren die de hele dag niks anders te doen hebben dan tegen de muur te hangen — zijn hiervan het meest aansprekende voorbeeld.

De tweede groep duidt Kepel aan als de «vrome bourgeoisie»: zowel de traditionele middenklasse omvattend (uit de bazaars en de soeks) als de jonge professionals die geld hebben gemaakt in de Golfstaten. Zij zijn uitgesloten van de politieke macht en geremd in hun economische mobiliteit door de kliekvorming van militaire en monarchale regimes. In de loop van de jaren zestig en zeventig voelden beide groepen zich aangetrokken door de boodschap van de politieke islam (de vestiging van een islamitische staat op basis van de sharia) zónder dat men het eens was over de exacte invulling van een «islamistisch programma». Terwijl de yuppies veelal een sociaal-revolutionair doel voor ogen hadden, was het de devote middenklasse in de eerste (en laatste) plaats erom te doen de zittende machthebbers uit het zadel te wippen en zelf de baas te gaan spelen. Daarbij zouden ze het systeem hooguit wat «groener» maken — groen is de kleur van de islam — en de yuppies niet echt tegemoet komen. Dit zou dus nooit een werkbare coalitie kunnen opleveren.

Pas met het optreden van een derde groep, de islamistische intelligentsia, kan die botsing van belangen worden weggepoetst en is de kans op succes aanzienlijk groter. Kepel doelt hier op de militante ideologen die een discours van politieke mobilisatie verschaffen aan de eerste twee groepen, waarbij ze zich vooral concentreren op culturele en morele dimensies van de religie en zoveel mogelijk proberen om de botsende sociale agenda’s te maskeren. In die gevallen waar dat slaagt, kan «de islam» ook daadwerkelijk aan de macht komen, zie Iran.

Met behulp van dit analytische schema ontrafelt Kepel de geschiedenis van de politieke islam en komt hij tot de overigens weinig verrassende indeling in drie periodes: opkomst (vanaf eind jaren zestig tot begin 1979), expansie (vanaf 1979 tot begin 1989) en neergang (vooral manifest sinds de controverse rond de legering van westerse troepen op Saoedisch grondgebied ten tijde van de Golfcrisis in 1990-1991: de gelovige bourgeoisie koos de kant van de Saoedische machthebbers terwijl de rebellen die in Afghanistan hadden gevochten zich daar fel tegen keerden). Het moet worden gezegd dat Kepel in zijn behoefte aan schematisering soms wel wat grof te werk gaat en al te generaliserende uitspraken doet, maar op zijn conclusies valt weinig af te dingen.

De radicale variant van de politieke islam is onmiskenbaar in een spiraal van extremisme beland die de beweging nog verder van zijn sociale basis verwijdert dan al het geval was. De «jihadisten» bereiken massa noch middenklasse en men is veelal op drift geraakt in een crimineel milieu (zoals in Algerije). De houdbaarheidsdatum van het militante islamisme is definitief verstreken en de toekomst is aan het post-islamisme, hoe vaag dat begrip voorlopig ook moge zijn.