Op weg naar het slachthuis

H.H. ter Balkt, Onder de bladerkronen. € 17,50

zoete moederkoek van de daken,
polsstokken kruisten hamerstelen;
harde houten neuzen van wagens
besnuffelden het bos, zwepen
doorvlogen de wolk bij de zuring,
en ’t stof dooft de zomer
als vroeger in de onweersdagen
toen Usselo, keizerrijk op een kar
voorbijratelde in zon en regen;
snel flitsten de wielen en hoger
dan de vliegen en vogels vlogen
spatten de zonnestralen uiteen
op de voerlui en dennennaalden,
jij lieflijk goudstof van weleer
Natuurrampen teisteren grote delen van de aarde, bankiers goochelen met andermans geld, buren slachten elkaar af, kippen worden vetgemest in dwangbuizen, de televisie vent stompzinnigheid uit en een blonde clown houdt onze grauwe rivierdelta in zijn greep. Het is goed mis met de wereld. Hoe moet een dichter zich opstellen tegenover al die slechtheid, lelijkheid en domheid? Je kunt de andere kant op kijken en je geliefde bezingen, je kunt hoop bieden door te wijzen op het vele dat nog goed is of zelfs beter wordt, je kunt je vrolijk maken om de absurditeit. Sommige dichters zijn verdrietig, andere boos. En er zijn er ook die zich verschansen in hermetische taalconstructies, als struisvogels die de werkelijkheid negeren.
H.H. ter Balkt (1938) heeft zich vanaf zijn eerste bundel, Boerengedichten (1969), luid en duidelijk uitgelaten over sociale misstanden, de vernietiging van het cultuurlandschap en het heilloze gebrek aan bezieling in de literatuur, maar zijn welsprekende banvloeken waren nooit plat of eendimensionaal. Als geen ander verstaat Ter Balkt de kunst de lezer wakker te schudden, met knetterend en oogverblindend vuurwerk in verwarring te brengen en aan het lachen te maken, hetgeen niet alleen een fysieke opwinding teweegbrengt, maar uiteindelijk ook een verhoogde staat van bewustzijn. Zijn gedichten doen je beseffen waar je staat, en dat er waarden zijn waarmee niet gemarchandeerd kan worden. Schoonheid. Vrijheid. Respect voor tradities. Het centrale begrip in zijn werk is misschien ‘geest’, een woord dat bij hem niet alleen het heldere en grondige denken omvat, maar ook liefde voor en betrokkenheid bij alles wat ertoe doet, van mier tot sterrennevel, van Usselo tot Nijmegen, van gloeilamp tot piramide. Ook esprit en karakter zijn aspecten van de geest.
Onder de bladerkronen bevat nogal wat gedichten waarmee Ter Balkt al decennia bezig is. De meeste ervan werden eerder gepubliceerd, vaak in aanzienlijk andere versies. Alleen al het feit dat onder veel gedichten een datum staat, bijvoorbeeld 1978, of 1983/2009, laat zien dat deze poëzie geen statisch product is, maar een levend organisme dat met de dichter mee evolueert. De toekomstige uitgever van het verzameld werk krijgt een zware klus.
Ter Balkts beeldtaal is uit duizenden herkenbaar. Kenmerkend is dat hoogst concrete verschijnselen in één woordgroep op zo'n manier worden gecombineerd dat er een botsing tussen verschillende domeinen uit de werkelijkheid optreedt. Je ziet of hoort twee dingen tegelijk, in al hun fysieke presentie, maar hun koppeling veroorzaakt kortsluiting. Mieren 'stallen hun porsches in hun catacomben’. Bloedvergiftiging 'rende ’t land in’. 'Spookwinters kraakten,/ als aan karren ’t vijfde wiel’. Een urnenveld 'valt in scherven omlaag’.
De bundel begint in de negende eeuw, toen het door Karel de Grote gestichte rijk alweer in verval was, maar de culturele impuls die hij Europa had toegebracht vruchten begon af te werpen. Ter Balkt refereert aan literatuur en beeldende kunst uit die tijd, maar ziet ze in de eerste plaats als natuurverschijnselen:

Muggen zongen en minuskels huiverden
Glinsterend email van de negende eeuw
Slangen en draken van de negende eeuw,
daarginds bij de rinkelende rivier

Omgekeerd wordt, in een ander gedicht, de potvis tot cultureel fenomeen: 'Kolossale oeroude klok luidend/ boven landweggetjes diep in zee’. Het zoogdier blijkt symbool te staan voor de poëtische traditie, die gehakt maakt van onbeduidende literatoren, hier voorgesteld als miezerige, lichtschuwe pijlinktvissen:

Hun pen stokt als de potvis komt
Tentakels op! Slinger leeg jullie
inktpotten, achtarmige schrijvers
Jullie wondere verhalen breken af

De allegorische lading van het gedicht doet echter geen afbreuk aan de imposante lijfelijke aanwezigheid van de potvis, een olievat 'groot als een dorpsstation’. Zo schuiven verschillende werelden over en in elkaar, want alles heeft met alles te maken.
Een hoogtepunt in het boek is een lang gedicht over de koe die op 17 juli 2006 op weg naar het slachthuis aan zijn belagers wist te ontsnappen en gedurende enkele uren door Nijmegen rondzwierf, om uiteindelijk toch door een verdovingsschot geveld te worden. Ter Balkt brengt haar in verband met Blossom, de koe die de arts Jenner in 1796 aan het virus hielp waarmee hij het eerste vaccin tegen pokken ontwikkelde. Het is een meeslepend en hartverscheurend gedicht:

Alles gaat nu zo traag als boter
behalve de vernietiging, Blossom
De straat jaagt haar angst aan
Kou spreidt zich uit in de stevige lucht
Hemel als een wintertak aan de zevende maand
Over inwisselbare straten
klopt aanhoudend je bijna barstend
Hart

Alles wordt kapotgemaakt, als we Ter Balkt mogen geloven, en deze bundel biedt voor die stelling helaas een overvloed aan illustratiemateriaal. Zijn er dan helemaal geen lichtpuntjes? Toch wel: 'Iets houdt stand wat de vlam niet aantast,/ en van macht breekt ’t wagenrad af.’ Ter Balkt sluit zich aan bij een opmerking van de zeventiende-eeuwse Spaanse dichter De Argensola: 'Eerder sterft het sterrenlicht dan dat/ alle blijdschap wegvlucht in de nacht. (…) “Geef mij maar wie lacht.”’

H.H. TER BALKT
ONDER DE BLADERKRONEN
De Bezige Bij, 80 blz., € 17,50
uit: 'Usselo, herbezocht’: