De installatie ‘Never Forget’ van kunstenaar Nicholas Galanin, waarmee hij de aandacht vestigt op het land waar ooit de Cahuilla-bevolking woonde © Creative Commons

Het staat bekend als de ‘mythe van de verdwijnende Indiaan’: de oorspronkelijke inwoners van de Verenigde Staten zouden gedoemd zijn tot een leven in de marge van het moderne Amerika. Eerst werden ze overrompeld door de Europese kolonisten, daarna verbannen naar afgelegen reservaten, om uiteindelijk alleen nog voort te leven in de romantiek van kinderboeken en films. Maar die mythe wordt steeds luidruchtiger ontkracht. Inheemse belangengroepen laten van zich horen met demonstraties en rechtszaken, nieuw historisch onderzoek toont aan dat de oorspronkelijke inwoners van de VS meer verzet boden tegen de Europese kolonisatie dan lang gedacht, en ook in de politiek ontstaat ruimte voor een inheems perspectief: Deb Haaland, Joe Bidens minister van Binnenlandse Zaken, is het eerste kabinetslid van inheemse origine in de geschiedenis van de VS.

Nergens is die ontwikkeling zo goed te zien als in Californië, niet alleen de progressiefste staat van de VS maar ook de staat met het hoogste aantal inheemse inwoners. Toch zijn er ook spanningen nu de oorspronkelijke bewoners steeds nadrukkelijker op de voorgrond treden. Want wie is in de Amerikaanse smeltkroes daadwerkelijk inheems en wie een nieuwkomer van buiten? En wat betekent dat voor het verhaal van Californië als multicultureel toevluchtsoord?

De droom van Californië openbaart zich langs de Interstate 15, de zesbaanssnelweg van Los Angeles naar San Diego. Daar ligt, na de afrit bij de McDonald’s, over Beethoven Drive en dan links op de Bear Valley Parkway de magische cirkel van koningin Califia. Het is het laatste werk van Niki de Saint Phalle, de Frans-Amerikaanse kunstenares die beroemd werd met haar Nana’s, grote vrouwenbeelden met bolle rondingen in bonte kleuren. Aan het eind van haar leven trok ze zich hier terug, aan de kust van Californië, waar ze nog één keer een grote beeldentuin ontwierp. De buitenste ring ervan bestaat uit gigantische slangen die kronkelen rond een kring van totempalen, met in het midden een reusachtig vogeldier. Daarbovenop troont een zwarte vrouw, gekleed in een jurk van duizenden stukjes mozaïek die fel schitteren in de zon. Dat moet haar zijn: Califia, de koningin van Californië.

De bedoeling ervan was duidelijk, dacht De Saint Phalle. De beeldentuin zou uitdrukking geven aan de veelkleurigheid van Californië, met z’n bijna veertig miljoen inwoners uit alle windstreken de meest multiculturele staat van Amerika. De totempalen verwezen naar inheemse tradities, de dieren belichaamden de harmonie met de natuur, en dat alles onder het bewind van een krachtige, zwarte vrouw: volgens de Saint Phalle de perfecte verbeelding van het vrijgevochten Californië als een aards paradijs voor iedereen.

Maar je kunt je afvragen of De Saint Phalle wel in haar opzet is geslaagd. Want ook al bewijst haar beeldentuin lippendienst aan de diversiteit van Californië, de inspiratie ervoor blijkt ontleend aan de fantasieën van witte Europeanen op zoek naar exotisme, rijkdom en seks. En daarmee staat de magische cirkel van Califia symbool voor iets breders: hoe achter de verbeelding van Californië als multicultureel mekka een koloniale geschiedenis schuilgaat die zelfs in de naamgeving van Californië wordt verbloemd.

Het begon met een ridderroman. Spaanse kolonisten die in de zestiende eeuw al moordend en plunderend door de Nieuwe Wereld trokken waren verzot op avonturenromans over verre, exotische oorden. In een van die romans, De heldendaden van Esplandián, lazen ze over een wel heel bijzondere plek: een mythisch eiland bevolkt door zwarte amazones. De vrouwen waren beresterk en voor geen kleintje vervaard, alles was van goud en mannelijke indringers waren er hun leven niet zeker, maar dat maakte het alleen maar spannender. ‘Op dat eiland, Californië genaamd, regeert een beeldschone koningin’, zo lazen de Spanjaarden. Het eiland was naar haar vernoemd. Ze heette Califia.

Bedwelmd door hun lectuur gingen de Spanjaarden op zoek naar de koningin en haar droomeiland. De beruchte conquistador Hernán Cortés stelde alles in het werk om het eiland van de amazones te vinden. Aan de westkust van Mexico zond hij een expeditie over zee die al snel op een langgerekte strook land stuitte. Een eiland, ogenschijnlijk. Zou dat het zijn, het paradijselijke rijk van Califia? Het was er kurkdroog, geen goud te bekennen, en al helemaal geen amazones. Dat viel tegen. Maar die tegenslag versterkte ook het idee dat juist in zo’n onherbergzaam gebied de toegang moest liggen tot het aardse paradijs. Zo beklijfde de naam uit de ridderroman en kwam de lange strook land te boek te staan als Californië, een bij voorbaat al legendarische droombestemming.

California Dreaming: vijfhonderd jaar nadat Cortés op zoek ging naar Califia is Californië nog altijd de plek bij uitstek om dromen na te jagen. Na de goudkoorts die halverwege de negentiende eeuw honderdduizenden gelukzoekers naar de Amerikaanse westkust lokte, volgden de dromenmachines van Hollywood en Disneyland en, wat later, de siliconen van de porno-industrie en de virtuele belofte van techgiganten in Silicon Valley. De magische cirkel van Califia vormt de artistieke verbeelding van die illusiewereld: door terug te grijpen op het mythologische verhaal van de amazonekoningin belichaamt de beeldentuin het idee van Californië als het land waar dromen werkelijkheid worden.

In LA ga ik op zoek naar de realiteit achter de façade. Niet de makkelijkste plek om dat te proberen (‘I love Los Angeles’, zei Andy Warhol. ‘Everybody’s plastic. I love plastic’) maar een boekwinkel op de Sunset Strip biedt uitkomst. Hoog in de schappen ligt een recent overzichtswerk, We Are the Land: A History of Native California, met een heldere these: de verbeelding van Californië als droom botst met de realiteit van Californië als plek. De suggestie van een ongerept paradijs dat zich vrijelijk openstelt voor nieuwkomers verzwijgt namelijk dat het land al duizenden jaren de leefwereld is van inheemse volkeren. Zij voelen zich onlosmakelijk verbonden met het land van hun voorouders maar raakten dat in de afgelopen twee eeuwen kwijt terwijl de rest van de wereld er met de droom Californië vandoor ging.

William J. Bauer Jr., een van de twee auteurs van het boek, weet waar hij het over heeft: hij behoort zelf tot de Round Valley Indian Tribes, een gemengde groep met een autonoom reservaat een paar uur rijden ten noorden van San Francisco – een van de vijftig reservaten die als stippeltjes verspreid liggen over de kaart van Californië. Ze vormen een fletse afspiegeling van de grote diversiteit aan inheemse volkeren die hier leefden voor de komst van Europeanen. In het gebied van Californië woonden zo’n vijfhonderd verschillende stammen die ongeveer honderd verschillende talen spraken. Het comfortabele klimaat en de vruchtbare grond maakten Californië altijd al een geliefd gebied: bijna een derde van alle inheemse volkeren in het huidige gebied van de VS leefde hier, nergens anders ten noorden van Mexico bestond zo’n hoge bevolkingsdichtheid.

Ook nu is Californië de volkrijkste en meest diverse staat van de VS, met inwoners uit alle windrichtingen die allerlei talen spreken – op een willekeurige straat in LA hoor je net zoveel Spaans als Engels, en in hele wijken klinkt vooral Koreaans, Kantonees, Armeens of Tagalog. Maar die hedendaagse diversiteit kwam in de plaats van de oorspronkelijke diversiteit die Californië kenmerkte: vóór de kolonisatie leefden er zeker driehonderdduizend (en mogelijk bijna een miljoen) inheemse bewoners, rond 1900 nog maar zo’n 25.000.

Eerst kwamen de missionarissen uit Mexico. In de tweede helft van de achttiende eeuw trokken franciscaner monniken vanuit het zuiden langs de Californische kust om zieltjes te winnen voor het geloof en het gebied in te lijven bij de Spaanse kroon. De missieposten die ze onderweg stichtten ter ere van katholieke heiligen, van Didacus (San Diego) tot Franciscus (San Francisco), verstoorden de balans in inheemse samenlevingen en het evenwicht tussen mens en natuur. Onbekende ziektes deden hun intrede en decimeerden de lokale bevolking, wie overleefde werd te werk gesteld – met gedwongen kerstening als zogenaamde beloning. Nu zijn de overgebleven missieposten toeristische trekpleisters waar dagjesmensen zich vergapen aan de keurig gerestaureerde gebouwtjes van 250 jaar oud (een eeuwigheid in de VS).

Een van de best bewaarde missieposten is die van San Juan Capistrano, inmiddels omringd door de eindeloze suburbs van Orange County ten zuiden van LA. Het is er een komen en gaan van bejaarde echtparen en families met kinderen die zich onderdompelen in een geromantiseerde weergave van het koloniale verleden. Aangeharkte bloemenperkjes geven de suggestie van een paradijselijk oord waar de missionarissen vreedzaam samenleefden met de inheemse bevolking, de Acjachemen. Nobele wilden in een land van overvloed, zo doet een informatiebord in het museum het voorkomen: ‘De Acjachemen maakten gebruik van de natuur net zoals wij van de supermarkt.’ Massaconsumentisme als metafoor voor een prekoloniale samenleving: het is Californië in een notendop.

De held van het verhaal dat aan de bezoekers wordt opgelepeld is Junípero Serra, een franciscaan uit Mallorca die de leiding had over de missieposten. ‘Hij stond aan de basis van het Californië waar we vandaag van genieten’, zegt een gids tegen een groep voortsjokkende ouderen. Ik zie wat instemmend geknik maar raak afgeleid door een manshoog beeld op de achtergrond: het is Junípero die een inheems kind omarmt. ‘Twee culturen komen bij elkaar’, zo heet het beeld, gemaakt door een zekere John van Rensselaer, wiens Nederlandse achternaam andere koloniale wortels verraadt aan de Amerikaanse oostkust. Op weg naar de uitgang liggen stapels kleurplaten, kinderboeken en plakplaatjes van pater Junípero om hem ook populair te maken bij de nieuwste generaties. En dan krijg ik een foldertje in de hand gedrukt om een petitie te ondertekenen, Save Father Serra. Red vadertje Serra, maar waarvan dan?

Graffiti op de muren in Indian Alley, Californië © Los Angeles Times / Polaris / ANP

De dromerige sfeer die gecreëerd is in San Juan Capistrano doet anders vermoeden, maar recent zijn de Californische missieposten, en Junípero Serra in het bijzonder, onderdeel geworden van de Amerikaanse culture wars. De directe aanleiding daarvoor was het bezoek van paus Franciscus aan de VS in 2015. In een poging om de groeiende katholieke bevolking van de VS gunstig te stemmen, de meesten net als hij afkomstig uit Latijns-Amerika, verklaarde de paus Junípero Serra heilig. Die beslissing was olie op het vuur van inheemse activisten en belangengroepen. ‘We zijn het er niet mee eens dat er zoveel lof uitgaat naar een man die meedeed aan de genocide op ons volk. Het is alsof je Adolf Hitler heilig verklaart’, zei demonstrante Citlalli Anahuac tegen de camera’s van de Spaanstalige nieuwszender EFE.

Anahuacs eigen wortels liggen in Mexico: ze is een van de vele migranten van inheemse oorsprong die in de afgelopen decennia naar Californië zijn verhuisd vanuit andere gebieden in Noord- en Zuid-Amerika. Door hun komst heeft Californië nu weer een aanzienlijke bevolking met een inheemse achtergrond – er is geen andere staat in de VS met zoveel inwoners die zichzelf als indigenous of Native American identificeren. Tegelijkertijd geldt voor veel van de migranten uit Latijns-Amerika, ook diegenen met inheemse wortels, dat zij hun gemeenschappelijke identiteit binnen de Amerikaanse samenleving juist verbinden met hun katholieke geloof – en dus met de heiligverklaarde Junípero Serra. Hun belangrijkste vertegenwoordiger is José Gómez, de aartsbisschop van LA die ook afkomstig is uit Mexico. In een ingezonden stuk voor de The Wall Street Journal stelde hij dat Junípero ‘opkwam voor de inheemse bevolking’ en met zijn Spaans-Mexicaanse achtergrond moet worden gezien als een symbool van de diversiteit en openheid van Californië, als ‘een van de Amerikaanse founding fathers’. Hitler voor de een, founding father voor de ander: de koloniale geschiedenis splijt de Spaanstalige migrantengemeenschap in Californië uiteen.

Aartsbisschop Gómez voelde zich geroepen om naar de pen te grijpen in de nasleep van de beeldenstorm die in juni 2020 door de VS trok op het hoogtepunt van de Black Lives Matter-protesten. Niet alleen standbeelden van zuidelijke generaals en van Columbus moesten het daarbij ontgelden, maar ook die van Junípero Serra, toen demonstranten in San Francisco de heilige van zijn sokkel trokken en daar in rode verf ‘DECOLONIZE’ op kalkten.

Ook in LA kon Junípero zijn val niet ontlopen. Hij stond er tot voor kort op een centrale plek in een naar hem genoemd park recht tegenover de ingang van Union Station. Het gebied voor het station geldt als de kiem van de wereldmetropool LA, want het was hier dat in 1781 een groep kolonisten uit Mexico een kleine nederzetting stichtte, gewijd aan Onze Lieve Vrouwe de Koningin der Engelen, la Reina de los Ángeles. De kolonisten waren een allegaartje – er zat een enkele Spanjaard tussen maar de meesten waren van inheemse of Afrikaanse origine. Die diversiteit van de stichters van de stad is in de afgelopen decennia gretig ingezet om een multiculturele oorsprongsmythe te creëren voor LA: vanaf het allereerste begin was de stad een smeltkroes.

Bij zo’n mythe hoort ook een tastbare locatie, en dus werd het centrale plein voor het treinstation omgebouwd tot een openluchtattractie met een muziekkoepel, Mexicaanse tacotentjes en musea voor de Italiaanse en Chinese migrantengeschiedenis. Er staat ook een stuk van de Berlijnse muur, in 2019 door de burgers van Berlijn aangeboden aan Donald Trump om hem ervan te weerhouden een nieuwe muur te bouwen op de grens met Mexico (Trump gaf niet thuis en dus kwam het stuk muur in LA terecht). Tussen dat alles kon de heilige Junípero natuurlijk niet ontbreken – totdat demonstranten zijn standbeeld ook hier van de sokkel trokken en overgoten met rode verf.

De sokkel is nu leeg, het park wacht op een nieuwe naam. Maar niet alleen Junípero is verdwenen. Want de oorsprongsmythe van LA verzwijgt dat toen de kolonisten uit Mexico aankwamen er al een grote inheemse nederzetting bestond op deze plek: Yaanga, de belangrijkste woonplaats van het Tongva-volk. Na de komst van de kolonisten werden de Tongva uit hun nederzetting verdreven en raakten alle sporen ervan uitgewist: archeologen vonden later nog een paar restanten onder de fundamenten van Union Station, het stationsgebouw in Mission Revival-architectuur – een stijl ontleend aan de Californische missieposten. Zo ligt de inheemse geschiedenis hier vrij letterlijk begraven onder de dubbele mythe van Californië als katholieke beschavingsmissie en multiculturele smeltkroes.

Het absolute dieptepunt voor de Tongva en alle andere inheemse volkeren was de periode nadat Californië werd ingelijfd door de Verenigde Staten, halverwege de negentiende eeuw. Volgens schattingen werden toen ruim tienduizend van hen in koelen bloede vermoord en vele tienduizenden anderen verdreven van hun land of tot slaaf gemaakt, vaak op instigatie van of met stilzwijgend goedkeuren van de overheid. Het duurde tot 2019 dat de gouverneur van Californië, de Democraat Gavin Newsom (die veel wordt genoemd als mogelijke presidentskandidaat in 2024), namens de staat publiekelijk boete deed voor deze genocide. ‘Dat is wat het was, een genocide’, sprak de gouverneur tot een delegatie van inheemse vertegenwoordigers. ‘Je kunt het niet op een andere manier beschrijven. En zo moet het ook worden beschreven in de geschiedenisboeken.’

Zijn zulke excuses – en de lege sokkel van de heilige Junípero – voldoende om de inheemse geschiedenis van Californië recht te doen? Veel actiegroepen en publieke instellingen zetten in op verdere ‘dekolonisering’ – symbolisch maar ook praktisch. Op universiteiten is het inmiddels gebruikelijk om te benadrukken dat ze zijn gevestigd op land dat van oudsher toebehoort aan inheemse volkeren, en in enkele gevallen is er ook daadwerkelijk sprake van restitutie. Zo werd Indian Island, een klein eiland voor de kust in het noorden van Californië waar kolonisten in 1860 een bloedbad aanrichtten onder de lokale bevolking, vier jaar geleden teruggegeven aan de nazaten van de oorspronkelijke bewoners, de Wiyot. Maar volgens sceptici zijn zulke land acknowledgments en kleinschalige restituties alleen maar voorbeelden van whitewashing waarmee de nazaten van de kolonisten zichzelf op een moreel voetstuk willen plaatsen. Bovendien valt een deel van de inheemse bevolking buiten de boot doordat ze niet als zodanig wordt erkend door de Amerikaanse overheid. De Tongva bijvoorbeeld, waarvan er nog zo’n vierduizend in LA wonen, hebben nooit de officiële status gekregen die vereist is om aanspraak te kunnen maken op eigen land.

River Garza, een imposante dertiger met een lange zwarte paardenstaart, is een van de overgebleven Tongva in LA. Echte onafhankelijkheid zit er niet in voor zijn volk, weet hij, maar met kunst in de openbare ruimte probeert hij toch een symbolische plek op te eisen in de stadsjungle van LA. ‘Visuele soevereiniteit’, noemt hij het. Hij neemt me mee naar een van zijn creaties in de beruchte buurt Skid Row, een paar straten achter Union Station, waar duizenden daklozen al decennialang een laatste heenkomen zoeken. Degenen met een inheemse achtergrond klieken van oudsher samen in een groezelig steegje dat is omgedoopt tot Indian Alley, inmiddels een klein openluchtmuseum voor graffitikunstenaars. ‘WE ARE STILL HERE’, staat er gekalkt boven een portret van een inheemse man die met onverstoorde blik naar de grond kijkt, zijn arm geslagen om de nek van een paard. Tussen de verroeste brandtrappen zie ik ook de grote kaart die Garza heeft geschilderd van het land van de Tongva met daarbij de oorspronkelijke plaatsnamen. Geen Hollywood maar Maawnga, geen Long Beach maar Ahwaanga. ‘Veel mensen leiden hun leventje in deze stad zonder ook maar een seconde hun best te doen om de inheemse geschiedenis ervan te leren kennen’, zegt Garza. Door de Tongva letterlijk weer op de kaart te zetten hoopt hij daar verandering in te kunnen brengen.

Maar Garza is zich ook bewust van de spanningen die, zelfs hier in Indian Alley, onder de oppervlakte sluimeren. Veel van de graffiti is namelijk gemaakt door kunstenaars die geen directe familieband hebben met de oorspronkelijke bewoners van Californië, of zelfs helemaal geen inheemse achtergrond hebben, wat tot wrevel leidt bij de Tongva. Wordt hun eigen geschiedenis zo niet alsnog ontnomen en toegeëigend door buitenstaanders?

Garza begrijpt die reactie maar zegt zelf vooral verbondenheid te voelen met iedereen die ontheemd is: ook zijn eigen afkomst is niet eenduidig, want behalve Tongva heeft hij ook Mexicaanse wortels. Zijn dubbele achtergrond illustreert dat categorieën als inheems en migrant in een multiculturele miljoenenstad als LA moeilijk van elkaar te onderscheiden zijn. In zekere zin heeft de droom van Californië de realiteit ingehaald, of beter gezegd, de droom is de realiteit geworden, de realiteit van een samenleving waarin achtergronden overlappen, identiteiten versmelten en geen enkele groep exclusieve aanspraak kan maken op het land.

Wat vermag dekolonisering dan nog, als de scheidslijn tussen kolonist en gekoloniseerde, tussen achterblijver en nieuwkomer, zo moeilijk te trekken is? Berust een titel als We Are the Land niet op een nativistische illusie die wordt ontkracht door de mengelmoes aan volkeren en culturen die zich Californië in de afgelopen eeuwen hebben eigengemaakt?

Terug in Indian Alley ga ik nog een laatste keer op zoek naar een antwoord. ‘DECOLONIZE AND KEEP CALM’, lees ik op de muur, in grote witte letters tegen een bloedrode achtergrond – een speelse variant op de bekende Britse propagandaposter uit de Tweede Wereldoorlog. Het lijkt een typisch Californische kwinkslag, op het randje van ernst en lichtvoetigheid, met de landerige oplettendheid van een surfer die in zee ligt te dobberen, wachtend op een goede golf. Maar achter die ogenschijnlijke kalmte gaat een ongemakkelijk besef schuil: in Californië is dekolonisering niet veel meer dan een meme, een steeds weer herhaalde slogan die verhult dat de inheemse geschiedenis is verdrongen naar het rijk van de verbeelding, als een totempaal die is bijgezet in de magische cirkel van koningin Califia.

Arthur Weststeijn is historicus