Hoofdcommentaar: Economie

Op weg naar stagflatie?

Het is even wennen: het inflatiespook is uit het Rijk der Doden opgestaan. Volgens de Europese meetmethodiek staat voor de maand april inmiddels meer dan vijf procent op jaar basis in de boeken. De wekelijkse ergernis van forensend Nederland aan de benzine pompen van de noodlijdende oliemaatschappijen is het zichtbare teken aan de wand van deze vergeten eigenschap van een macro-economie. En Nederland staat hierin niet alleen. Ook in andere delen van de westerse wereld steekt het inflatiemonster weer de kop op. Een spraakmakend voorbeeld is Ierland, dat zich sinds enkele jaren krachtig profileert als de inflatiekoploper binnen de Europese Unie.

De terugkeer van het inflatiespook is even schrikken en slikken voor de grote aantallen voorgangers en gelovigen in de nieuw-economische kerk, waarin jarenlang de boodschap is verkondigd dat in het virtuele internettijdperk inflatie definitief tot het verleden zal behoren. Nog maar een jaar geleden werd in politiek Den Haag een voorschot genomen op de komst van het nieuw-economische polderwonder door hardop te dromen over een structurele oprekking van het financiële kader in de moderne tijden van inflatieloze hoogconjunctuur. Helaas: dromen zijn bedrog. Deze waarheid als een koe is niet alleen doorgedrongen tot de kringen der Damrak-adepten. De malaise op de beurs wordt sinds enkele maanden trouw vergezeld door weinig vrolijk stemmend macro-economisch nieuws over het gevaar van inflatie en recessie.

De oorzaken van de op lopende prijsstijgingen zijn buitengewoon ouderwets. Voor een deel is de Nederlandse overheid hieraan debet via de verhoging van de BTW en de invoering van de ecotax. Ook Europa doet een duit in het zakje in de vorm van het renteverlagende beleid van Wim Duisenberg cum suis dat wordt geënt op een Europees gemiddelde waarin grote en sputterende economieën als de Duitse de boventoon voeren.

Het inflatie aanwakkerende gedrag van Europese en Nederlandse overheden is echter allesbehalve de enige boosdoener. Vanuit private markten wordt het inflatiemonster van krachtige voeding voorzien. De sluipende energiecrisis gaat gepaard met forse verhogingen van benzine-, elektriciteits- en gasprijzen. In Californië en omstreken wordt bijvoorbeeld geanticipeerd op de enorme toename van het airconditioning gebruik in de komende zomer via een vergrote vraag naar olie. De premies van allerlei verzekeringen vertonen stijgingspercentages met twee cijfers voor de komma. De bedragen die bijvoorbeeld maandelijks moeten worden overgeboekt op de rekening van ziektekosten verzekeraars leggen een toenemend beslag op het huishoudgeld. De verhoging van de beloningen voor het vaderlandse topmanagement breekt record na record. Desgewenst kan een achterblijvende beloning verder worden opgetrokken met behulp van wat handel met voorkennis en/of wederzijdse commissariaten.

Deze en andere pregnante ontwikkelingen hebben de vakbonden uit hun decennialange winterslaap doen ontwaken. Het Akkoord van Wassenaar uit 1982 is stilzwijgend ten grave gedragen. In de ene na de andere cao-onderhandeling worden de looneisen opgeschroefd tot nieuwe hoogten — daarbij gesteund door de (nog) heersende krapte op de arbeidsmarkt. Bij een werkgeverbod van minder dan tien procent over twee jaren zijn acties geboden. Kortom: een loon-prijs spiraal is geboren.

Wat de accelererende inflatie nog erger maakt, is het gelijk tijdige remspoor dat de stagnerende economie achterlaat. De prognoses van de economische groei in allerlei westerse landen moeten bijna wekelijks neerwaarts worden bijgesteld. Vooral het voormalige nieuw-economische wonder in de Verenigde Staten, waar — aldus de neoliberale communis opinio — flexibiliteit en ondernemerschap het economische paradijs hebben geschapen, slaat grote gaten in het nieuw-economische geloof in eeuwige voorspoed. Het ene na het andere massaontslag wordt aangekondigd in alle hoeken en gaten van de Amerikaanse economie. Zelfs nieuw-economische paradepaardjes zoals Cisco en Dell hebben de saneerbijl opgegraven. Het gevolg is dat de werkgelegenheid daalt en de werkloosheid stijgt in een tempo dat zich in het post-1993-tijdperk niet eerder heeft voorgedaan. Vorige week is zelfs bekend geworden dat in het eerste kwartaal van 2001 de Amerikaanse productiviteit met 0,1 procent is gedaald. Dat belooft weinig goeds voor de nabije toekomst.

Ook de Nederlandse economie vertoont de eerste tekenen van hapering. Vooralsnog lijkt de schade beperkt te blijven tot een groeivertraging. De toenemende aantallen saneeraankondigingen in het Nederlandse bedrijfsleven rechtvaardigen echter de angst dat het einde van de reeks neerwaartse bij stellingen van de macro-economische prognoses nog niet in zicht is. Daarmee wordt het gevoel van een déjà vu verder versterkt. In de jaren zeventig is de Nederlandse taal immers verrijkt met een nieuw woord: stagflatie — de bijzondere combinatie van macro-economische stagnatie en inflatie. Misschien wordt het tijd om deze oude bijdrage aan de uitdijing van de dikke Van Dale weer van stal te halen.

Arjen van Witteloostuijn is hoogleraar economie aan de Rijksuniversiteit Groningen