INTERVIEW MET CEES NOOTEBOOM

Op wereldreis door Berlijn

Onlangs ontving Cees Nooteboom van de Freie Universität Berlin als eerste Nederlandse schrijver buiten ons taalgebied een eredoctoraat voor zijn oeuvre en zijn verdiensten voor ‘Europa’. Hoe kijkt de auteur van Berlijnse notities en Allerzielen twintig jaar na de val van de Muur tegen de Duitse hoofdstad aan?

BERLIJN – Cees Nooteboom geldt in Duitsland, meer nog dan in Nederland, als een literaire superster. Hij rept zich kriskras door de Bondsrepubliek, van lezing naar boekenbeurs en van talkshow naar signeersessie. Vanwege zijn oeuvre, zijn verdiensten bij het kweken van ‘Europees cultureel begrip’ en zijn bijzondere relatie met Berlijn is de geboren Hagenaar, die het gymnasium nooit afmaakte, onderscheiden met een universitaire promotie in de filosofie. Nooteboom valt daarmee volgens zijn beoordelaars in dezelfde categorie als Imre Kertész, Salman Rushdie, Umberto Eco, Günter Grass en Orhan Pamuk. Op uitnodiging van de deelstaat Noordrijn-Westfalen is Nooteboom nu drie maanden te gast in Berlijn, de stad waar hij sinds veertig jaar met regelmaat vertoeft.
Nootebooms eerste kennismaking met Berlijn was in 1963, tijdens een bezoek van Chroesjtsjov aan een congres van de SED, de Oost-Duitse communistische partij. Rijdend over de hobbelige Transitstrecke door de DDR moest hij onwillekeurig denken aan zijn bezoek aan Boedapest, waar de Russen in 1956 korte metten hadden gemaakt met de Hongaarse honger naar vrijheid. ‘Dat had de geur van oorlog teruggebracht’, schrijft Nooteboom in Berlijnse notities. In de toespraak naar aanleiding van zijn eredoctoraat, die integraal in Die Zeit werd afgedrukt, begint hij veelzeggend weer over de Tweede Wereldoorlog. Zijn eerste kennismaking met de Duitsers was toen parachutisten in mei 1940 ‘uit de hemel vielen’. Later kwam zijn vader om het leven bij een mislukt Engels bombardement op Den Haag. Duitsland, en met name Berlijn, was het ‘verboden rijk, beschermd door wachters, honden, torens, prikkeldraad en versperringen’. Dat beeld heeft Nooteboom vanaf zijn vroegste jeugd beïnvloed en hem nooit meer losgelaten.
Op de vraag hoe anders Berlijn na de val van de Muur is, zegt Cees Nooteboom: ‘De ene helft is drastisch veranderd. De andere helft niet. Als je tegenwoordig door Charlottenburg loopt is alles voor mijn gevoel nog hetzelfde. Alleen wordt er veel meer Russisch gesproken, in wat nu weer mijn kwartier is. Daarom moet ik denken aan de tijd dat Vladimir Nabokov hier in ballingschap woonde. De Russen trokken in die tijd naar Charlottenburg, verdreven door het communisme – en nu opnieuw.’
Nootebooms thuishaven wordt tegenwoordig ‘Charlottengrad’ genoemd, vanwege de vele Russische emigranten die na de ineenstorting van de Sovjet-Unie hierheen kwamen, vaak dankzij een Duits paspoort. Ze richtten hun eigen winkels, cafés en kranten op. Het zijn rijkere Russen dan die in het Plattenbaubezirk Marzahn wonen, waar je nog de sfeer van de socialistische satellietstad vindt. Nooteboom voelt zich meer thuis in het westen, waar ‘zakenlui, ambassadepersoneel en journalisten’ wonen, de beschermde omgeving van de Goethestrasse, op een steenworp van de Kurfürstendamm, waar zijn roman Allerzielen zich gedeeltelijk afspeelt.

Als hij nu in een kwartier met de S-Bahn van Charlottenburg naar de Friedrichstrasse reist, dan is dat voor Nooteboom een wereldreis, waar het verleden steeds om de hoek kijkt, met herinneringen aan John Le Carré en Graham Greene. ‘Vroeger kwam je hier bij de grensovergang door die fuik, waar je jezelf moest legitimeren en vreemd geld moest aannemen. God, wat je niet allemaal moest doen! Dat is natuurlijk compleet voorbij.’ Nooteboom denkt nog aan de droevigheid die kort na de Wende het straatbeeld beheerste en de uitdrukkingsloze gezichten in de metro. Hij herkent sommige delen van de stad niet meer terug: ‘Als je nu door de Friedrichstrasse loopt, heb je daar Galeries Lafayette, die van een extreme luxe is, en Frans bovendien. In die zin is Berlijn een stad geworden als elke andere grote stad.’
Nooteboom wil de Falkplatz in Oost-Berlijn bezoeken. Het herinnert hem aan de vroegere leegte van het niemandsland, in wat later het Mauerpark zou worden, een bij het hippe volkje van Prenzlauerberg en Mitte populair stuk braakgrond waar een vlooienmarkt momenteel voor vertier zorgt, naast musici, die er dagelijks onaangemeld virtuoze concerten geven. Doodserieus zegt Nooteboom ook dat hij naar de dierentuin wil, niet de West-Berlijnse Zoo van ijsbeer Knut, maar het Tierpark, nog ten oosten van Lichtenberg, dat zowel beschreven staat in Berlijnse notities als in Allerzielen. De auteur verbaast zich steeds over de eindeloze grauwe gebouwen onderweg: ‘De kubussen die bij slecht weer dubbel somber leken.’ Hij kan lang wegdromen bij de gedachte dat miljoenen Oost-Duitsers een gat in hun leven hebben. Niet dat de regels van het spel veranderd zijn. Het spel zelf bestaat niet meer. Daarom keert hij telkens naar Tierpark terug. ‘Ik wil kijken hoe het erbij staat. Een herhaald bezoek is altijd een vorm van verificatie.’

Enige tijd geleden reisde Nooteboom naar Spitsbergen, op uitnodiging van de Noorse regering die over het afgelegen territorium ruzie maakt met Rusland. Zijn ervaringen verwerkte hij in het reisverhaal Ultima Thule. Hij vergelijkt de eilandengroep met de voormalige DDR: ‘Op Spitsbergen wonen nog geen drieduizend mensen. Toch staan er tussen de onvoorstelbaar schitterende landschappen een Kulturpalast, een Lenin-standbeeld en Plattenbau. Die communistische architectuur herinnert aan Oost-Duitsland, als je dat nog gekend hebt. Hoewel er op Spitsbergen geen levende ziel te bekennen is. De boel lijkt ingevroren in de tijd.’
Datzelfde gevoel, dat van een geconserveerd land, had Nooteboom ook toen hij in 1989 als bursaal van de Deutscher Akademischer Austausch Dienst in West-Berlijn verbleef. Gedurende de zomer was hij zoals altijd vier maanden weg, in Spanje, en miste de tangbeweging die de DDR de das om deed: de Ossi’s die hun land ontvluchtten, en zij die voor een democratisch socialisme protesteerden. Plotseling merkte Nooteboom, nadat Honecker al was afgezet, dat hij getuige was van de ineenstorting van de DDR. Het resultaat van zijn verblijf werd Berlijnse notities, dat in Duitsland wordt gezien als de beste buitenlandse beschrijving van de ‘vreedzame revolutie’.
Nootebooms kracht is de beschrijving van zijn verbazing. ‘De toenmalige Nederlandse ambassadeur in Oost-Berlijn vroeg vlak voor de Wende of ik een lezing wilde houden voor studenten neerlandistiek in Leipzig. De professor vond het geweldig dat ik kwam. Ik moest echter niet denken dat iemand iets durfde te vragen. Later ben ik met de studenten naar het café gegaan.’ Toen bleek dat de studenten hem het hemd van het lijf vroegen. Nooteboom was even de censurerende werking van de dictatuur vergeten.
Toch kon een boek als Rituelen begin jaren tachtig bij Volk und Welt verschijnen, een Oost-Duitse uitgeverij. ‘Dat was mijn eerste boek dat in Duitsland uitkwam, afgezien van Philip en de anderen in de jaren vijftig. Het boek werd in de DDR gedrukt, maar als je vroeg of een uitverkocht boek werd herdrukt zeiden ze: “Nee. Dat gaat niet.” Hoe kon iets uitverkocht zijn zonder dat er kritieken verschenen? Dat was toen zo. Als er een nieuw boek uit het Westen uitkwam stonden er lange rijen voor de boekwinkels. Dat kwam door een Flüsterkampagne. Van mond tot mond gaven mensen informatie aan elkaar door.’
Nooteboom gebruikte een dag nadat de Muur was gevallen de nieuwe vrijheid om tegen de stroom naar Oost-Berlijn te reizen. ‘Ik ben die uitgeverij gaan opzoeken. Dat was eigenaardig, omdat je wist dat ze hun werk niet zouden kunnen volhouden.’

Een van de ergste dingen, schrijft Nooteboom in Allerzielen, is de vergetelheid die vrijwel onmiddellijk intreedt, net als de orde van de dag. Het Palast der Republik, het paleis van Honecker, is vrijwel verdwenen. Het eeuwenoude Berlijnse Stadtschloss van de Hohenzollern, in de oorlog gebombardeerd en in 1950 opgeblazen door de communisten, zal binnenkort herbouwd worden.
De scherven en brokstukken van de geschiedenis hebben Nooteboom altijd geïnteresseerd. Tegenwoordig zie je niets meer van de grens tussen Oost en West: ‘Het is allemaal weg. De Muur, de Todesstreifen, de wachttorens. Als je nu iemand meeneemt en je wilt het beschrijven, dan heb je niets meer om je aan vast te houden. De geschiedenis wist bijna alle sporen uit.’ Natuurlijk is dit niet vanzelf gegaan. Vooral de Berlijnse senaat had er een groot aandeel in dat de Muur pijlsnel verdween. ‘Enerzijds wil de stad niet in één groot monument veranderen, en sloopt dingen. Anderzijds zetten ze een holocaustmonument neer, met weer veel stenen.’
Een van de raarste ervaringen in dit verband had Nooteboom in Los Angeles, waar hij was uitgenodigd door een universiteit. Die had een stuk Muur gekocht, dat werd onthuld. ‘Als je de Muur gekend had, met alle dreiging die daarvan uitging, dan was die aanblik een heel vreemd moment. Dan sta je op zo’n zonovergoten campus met groene gazonnetjes, tussen studenten in typisch Amerikaanse roze en lichtblauwe zomerkleding. Dat is wat je een anachronisme noemt, volkomen krankzinnig.’
Twintig jaar na de val van de Muur is de vraag naar de Mauer in den Köpfen nog altijd een thema. Tegelijkertijd hebben jongeren nauwelijks een voorstelling hoe de dictatuur van de SED functioneerde. Onophoudelijk wordt naar de Stand der Deutschen Einheit gevraagd. Er zijn jaarlijkse regeringsrapporten en er is een aparte minister voor de Aufbau Ost.
Maar hoe staat het nu daadwerkelijk met de eenwording? ‘Als je Berlijn door de lucht nadert, dan zie je de scheur van de Muur nog duidelijk door de stad lopen, alhoewel dat steeds minder wordt.’ Het beste bewijs daarvoor is de wederopbouw van Potsdamer Platz. Na de oorlog was het eens zo levendige plein een gapend gat in het stadshart, prachtig verfilmd door regisseur Wim Wenders in Der Himmel über Berlin, en ook in Nootebooms werken komt de toendravlakte terug.
‘Vroeger stond daar alleen nog het Hotel Esplanade overeind. Dat was toen leeg. Vanuit een raam kon je over het niemandsland uitkijken. Ze hadden de kans om iets grandioos en memorabels neer te zetten. Maar het is geen Times Square geworden. Potsdamer Platz is een aanfluiting. Alleen het Mercedes-gebouw en het Sony Center kunnen mij nog bekoren. De rest is lelijk en van het soort dat je overal tegenkomt. Wat eigenlijk ontbreekt is de echte agora die elke stad nodig heeft.’