Op z’n post

Tot twee keer toe stelt Marcel Verburg zich in deze voorbeeldige geschiedenis van het ministerie van Justitie tijdens de oorlog de vraag wat er door de nieuwe omstandigheden op het ministerie nu eigenlijk veranderde. Tot twee keer toe geeft hij hetzelfde antwoord: niet veel.

De Duitse inval was vanzelfsprekend schrikken. De ministers verdwenen naar Londen, de secretarissen-generaal stonden er alleen voor, er kwamen Duitsers die zich met de zaak bemoeiden, maar verder? ‘De ambtenaren pasten zich zo veel mogelijk aan de nieuwe situatie aan’, schrijft Verburg. En elders: ‘Een paar dagen na de capitulatie was het departement van Justitie in gewoon bedrijf.’

Medium kabinetgerbrandyii

Hetzelfde concludeert Verburg als hij het over het eind van de oorlog heeft. ‘De zaken van het departement kwamen weer op gang en wat dat betreft was er weinig veranderd.’ En: ‘Er was, alles bij elkaar genomen, voor het departement veel gebeurd, maar niet zo veel veranderd.’ Wonderlijke zinsneden zou je zeggen, althans als je uitgaat van de gedachte dat de Tweede Wereldoorlog in de Nederlandse geschiedenis een weergaloze breuk vormde. Maar bij een dergelijke verbazing zijn wel wat kanttekeningen te plaatsen.

De eerste kanttekening betreft het uitgangspunt. Dat van die weergaloze breuk klopt minder goed dan gedurende lange tijd als evident gezien werd. Aanvankelijk schrok iedereen zich vanzelfsprekend half dood. Maar vervolgens deed bijna iedereen wat mensen in dergelijke omstandigheden gewoonlijk doen: proberen door te leven. Zeker aanvankelijk lukte dat behoorlijk. Inderdaad, dat is precies de centrale stelling van het boek dat ik vijftien jaar geleden publiceerde, Grijs verleden. Gedurende al die jaren heb ik vaak getwijfeld of ik het bij het rechte eind had. Dat doe ik in afnemende mate. Dit boek is daarvoor een zoveelste reden.

Kanttekening nummer twee betreft de vooral na de oorlog steeds weer genoemde Aanwijzingen – in dit geval een reden te meer dat juist ambtenaren zich zo sterk aanpasten. Die Aanwijzingen waren in 1937 opgestelde ‘regels’ waaraan ambtenaren zich in geval van een bezetting dienden te houden. Het uitgangspunt ervan was dat zij op hun post moesten blijven, tenzij ze daarmee de belangen van de bezetter beter dienden dan die van de eigen bevolking. Maar ja, waar lag de grens? Het antwoord op deze vraag was veelal een individuele afweging die bovendien afhankelijk was van omstandigheden die ook nog eens konden veranderen. Het antwoord op de vraag was dus niet eenvoudig, met als gevolg dat de gemiddelde ‘goede’ ambtenaar zo veel mogelijk op z’n post bleef. Dat gebeurde overal, ook op het ministerie van Justitie.

In 1940 was dat ministerie naar huidige begrippen klein, zeer klein: op het hoofdkantoor in Den Haag werkten zo’n 250 mensen, 160 in vaste dienst en negentig op contract. Al deze mensen moesten aan het begin van de oorlog – het is een van de vele voorbeelden van aanpassing – de zogenoemde Ariërverklaring tekenen. Dat deed iedereen. Niemand weigerde. Vervolgens bleek dat vier mensen een joodse afkomst hadden, plus dat van één persoon de afkomst onduidelijk was. Vijf mensen dus, voor hen veranderde er veel. Voor de overige 245 (98 procent) veranderde er weinig, soms niets. Van de Duitsers tegenwerken was geen sprake. Degenen die dat overwogen waren van twee kanten de gebeten hond. Vanzelfsprekend eerst van Duitse kant. Maar vervolgens ook van eigen, Nederlandse kant. Want in de Aanwijzingen stond het luid en duidelijk: ‘De voordelen, welke de burger [lees: niet-militair] door een eigengerechtig optreden zou menen te kunnen bereiken, zinken bijna zonder uitzondering in het niet tegenover de schade en het leed, dat hij zichzelve en vooral anderen daarmede berokkent.’ Zwijgen dus en doorwerken.

Na dit alles volgt kanttekening nummer drie, niet de belangrijkste, wel de meest opmerkelijke, namelijk dat er door de nieuwe situatie inderdaad wel degelijk van alles en nog wat gebeurde. Dat gold om te beginnen het Nederlands gedeelte van het ministerie van Justitie. Er was voortdurend gedonder aan de top, waaronder getouwtrek met de Duitsers. Er kwamen nieuwe wetten of aanpassingen van bestaande wetten (wat betreft homoseksualiteit bijvoorbeeld). Er was veel te doen om de politie – die formeel onder het ministerie viel maar die de Duitsers om voor de hand liggende redenen naar zich toe probeerden te trekken. En tot slot was er begin 1943 een verhuizing. De bouw van de Atlantikwal maakte dat half Den Haag op de schop ging. Ook Justitie. Dat vertrok naar Apeldoorn.

Toch vonden de grootste gebeurtenissen niet in Nederland maar in Londen plaats. Hieraan wijdt Verburg het eerste deel van zijn boek. Feitelijk ging het hier om anderhalve man en een paardenkop, maar de betekenis van dit minuscule groepje is om minstens twee redenen groot. Ten eerste omdat hier de wetgeving van het naoorlogse Nederland voorbereid werd. Behalve helemaal aan het begin van de oorlog (De Geer) is men er eigenlijk altijd van uitgegaan dat Nederland op een dag weer zelfstandig zou zijn. Wat moest er dan gebeuren met degenen die het land verraden hadden? De omgang met hen was de eerste taak van het naoorlogse ministerie. Deze taak werd in Londen voorbereid.

Maar de grootste betekenis had het Londense ‘ministerie van Justitie’ in zijn strijd met Wilhelmina. De vorstin wilde, zoals bekend, met van alles en nog wat korte metten maken, te beginnen met de democratische samenleving en haar wetten. De Nederlandse ministers en hun medewerkers in Londen deden al het mogelijke om dit tegen te gaan. Dat lukte; met moeite, maar het lukte. Hiermee werd voorkomen dat Nederland in 1945 van de regen in de drup geraakte.

Overigens noemde ik deze geschiedenis voorbeeldig. De belangrijkste reden hiervoor is dat het niet louter een institutioneel verhaal is geworden. Het boek gaat over droge zaken, wetten en zo. Dat kan niet anders. Maar het gaat eerst en vooral over mensen. En zo hoort het.


Beeld: Het kabinet-Gerbrandy II in Londen, 1944. Van Heuven Goedhart (staand, rechts) als minister van Justitie (Nationaal Archief Nederland)