Op zicht

In de vijftig jaar dat de school bestaat, zijn er zo'n vijfhonderd acteurs en actrices klaargestoomd. Jaarlijks melden zich er zo'n tweehonderd mensen bij Studio Herman Teirlinck. Op auditie bij dit Belgische monument voor de toneelkunst: ‘Ja, genoeg zo, je mag gaan.’
‘VREEMD HOE HET loopt, echt geen een die dit wenst.’ Koortsachtig prevel ik de woorden van het verplichte liedje, terwijl ik op een been hinkend mijn broek probeer uit te trekken. In de zaal naast mij is de groep al begonnen aan het eerste deel van de auditie, de opwarming. Er klinkt geschuifel van voeten en een bevelende stem. Ik ren door de hoge gang op het geluid af. ‘Sorry’, fluister ik, terwijl ik mij zo onopvallend mogelijk tussen de kandidaten meng.

Gelukkig, het zijn doodgewone mensen, mijn lotgenoten. Er zijn dikke en dunne, lelijke en mooie, verlegen en zelfbewuste types bij. Als bezetenen lopen wij op handen en voeten door de zaal, zorgvuldig de opdracht van de griezelig slanke bewegingslerares uitvoerend. Een dikke jongen voor mij in de rij slaat zijn ogen ten hemel. ‘Hier ben ik veel te stijf voor’, fluistert hij me toe. Dat is ook wel duidelijk. Zijn gezicht staat op ploffen en onder zijn armen tekenen zich grote donkere vlekken af op zijn rode T-shirt. De andere kandidaten houden een beetje afstand van hem, bang dat hij onverwachts ter aarde stort.
Dit najaar heeft Studio Herman Teirlinck 180 aanmeldingen binnengekregen. ’s Morgens vroeg verzamelen de hypernerveuze auditiegangers zich in de hal van de studio aan de Antwerpse Maarschalk Gerardstraat. Het gebouw ziet eruit als een elegant soort bunker. Een brede trap leidt naar de zware, hoge deuren. Voor het raam zijn dikke tralies aangebracht en de tweede verdieping gaat verscholen achter een rij brede pilaren.
Een bunker die moeilijk in te nemen blijkt. De auditie is loodzwaar. De kandidaten worden grondig gekeurd. Beweging, spraak, zang en spel; het is een marathon van inspanningen en emoties. 'Wie de stress van de auditiedag niet aankan, zal ook de stress van het beroep niet aankunnen. Want iedere voorstelling is eigenlijk een auditie’, aldus ex-directeur Toon Brouwers. In september ruilde Brouwers zijn directeursbaan in voor die van coordinator van een cluster opleidingen, waaronder de studio.
VERUIT HET belangrijkste onderdeel van de dag is de spelproef. De vrouwen moeten de sterfscene van Cleopatra uitvoeren en de mannen een klassieke klaagzang. 'Wij hebben expres gekozen voor een complexe tekst zodat de kandidaten worden gedwongen er iets mee te doen’, verklaart Karel Hermans, leraar van de school en lid van de jury. 'Zij moeten als het ware de tekst naar zichzelf toe vertalen. Er een persoonlijk verhaal van maken. Het verbaasde mij dat de kandidaten er dit jaar zo weinig creatieve dingen mee hebben gedaan.’
We worden in groepjes ingedeeld en krijgen het dagprogramma mee. Caroline, Sylvia, Dominique, Maarten, Thomas en ik hebben al snel in de gaten dat we maar beter vriendschap kunnen sluiten. Samen zullen we het moeten doen. Els is onze begeleidster. Ze is tweedejaars en praat veel. 'Maak je nou maar geen zorgen over de tekst. Daar gaat het helemaal niet om’, stelt ze Caroline gerust. Die neemt met een gespannen gezicht, de ogen dichtgeknepen, haar teksten door.
Het eerste onderdeel van onze groep is beweging. Mopperend keren wij terug naar de martelkamer van het eerste uur. Alleen Maarten ziet het wel zitten. Hij heeft dan ook een jaar op een balletacademie gezeten. Wij moeten in slowmotion naar een denkbeeldig huis aan de overkant lopen. Door dichte mist, met een stapel boeken op ons hoofd, elastiek aan al onze ledematen en een prachtige vlinder op de schouder. Onder onze voeten liggen glasscherven. 'Ja hoor’, grinnikt Dominique. Met een sarcastische grijns zet hij zijn magere benen op de denkbeeldige scherven. De rest van de groep probeert geconcentreerd de situatie uit te beelden. Het gaat ons niet al te goed af. Caroline staat als een gek te wiebelen, Sylvia lijkt een zenuwtoeval nabij. Thomas en ik kijken onzeker naar Maarten. Wij proberen zo veel mogelijk zijn bewegingen te imiteren. Later vertelt Els ons dat al dat bewegingsgedoe echt niet zo belangrijk is: 'Ze proberen jullie alleen op te hitsen.’
In 1996 bestaat Studio Herman Teirlinck vijftig jaar. Het is daarmee de oudste en beroemdste fulltime toneelopleiding in Nederlandstalig gebied. Gevierde acteurs als Julien Schoenaerts, Hilde Uitterlinden, Dora van der Groen, Ward de Ravet en Jan Decleir - sinds kort artistiek leider van de school - werden er gevormd. In de vijftig jaar dat de school bestaat, zijn er zo'n vijfhonderd acteurs en actrices door de zware training klaargestoomd. Daarvan was ongeveer een vijfde Nederlands. De acteurs en actrices die van de studio afkomen, zijn erg gewild in de theaterwereld. De meesten vinden snel een baan. 'De studio heeft vanaf het begin een vrij afwijkende vorm van lesgeven gehanteerd. De visie van Teirlinck dat acteurs geen uitvoerende maar scheppende kunstenaars zijn, staat nog steeds hoog in het vaandel’, verklaart Toon Brouwers.
De vier pijlers waarop de methodiek van Teirlinck berust - geest, lichaam, stem en spel - vormen nu nog de basis van het lesprogramma. Ook het idee dat een toneelopleiding een intensieve training van zes dagen per week vergt, is blijven leven. Natuurlijk is er in de loop der jaren het een en ander veranderd. In 1967 kreeg de studio de officiele titel Hoger Instituut voor Dramatische Kunst. Een afdeling Kleinkunst werd in 1969 opgericht. En sinds 1992 moeten de kandidaten die door de auditie heen komen, nog een stageweek doorstaan alvorens zij aan de opleiding kunnen beginnen. Maar de geest van meester Teirlinck blijft de cultuur van de school bepalen. 'Ik wou per se naar Studio Herman Teirlinck. Het is gewoon de beste school. Nou, dat heb ik geweten: overal en altijd steekt Teirlincks visie de kop op. Soms word je er moe van’, verklaart Els.
Ik ga naar het toilet. 'Ik ga mijn dood tegemoet’, kreunt een meisje op de trap daarheen. 'Lig je eruit?’ vraag ik. 'Nee, maar dat duurt niet lang meer’, antwoordt zij en ze sloft verder richting muziekzaal. Op de wc zittend luister ik een gesprek af. 'Als ik mijn tekst maar onthoud en niet flauw val ben ik allang blij’, zegt een meisje. 'Volgens mij gaat het meer om je houding’, troost een ander. 'Dan kan ik het helemaal wel vergeten’, kreunt de eerste.
In de wachtkamer roken we sigaretten. Om de beurt worden wij afgehaald. Els vertelt haar verhaal van vorig jaar: 'Ik ben gewoon mezelf gebleven. Je moet vooral niet overdreven doen.’ Wantrouwend kijken wij haar aan. Caroline komt terug. 'En?’ vragen wij tegelijk. 'Ik weet niet meer hoe het ging. Het enige wat ik dacht is: verdomd, ik ben begonnen.’ Verward wrijft zij over haar gezicht. Een jurylid haalt Thomas op. 'Sterkte’, mompelen wij. Al snel komt Thomas terug. Hij steekt zijn duim op. 'Dat ging lekker. Ik denk dat ik er wel door ben’, zegt hij stoer. Jaloers kijkt de rest hem aan. Dan komt de voorzitter van de jury binnen. Ik herken hem: het is Jan Decleir uit Daens en Antonia. 'Catheleyne van der Laan is aan de beurt’, bromt hij.
ZOALS HERMAN Teirlinck de kandidaten van de auditie in 1946 bekeek, gebeurt het nu nog. Hij vond dat leerlingen niet hun meester na moeten doen, maar iets oorspronkelijks naar voren moeten brengen. 'Het gaat om authenticiteit. Als wij maar iets van de persoon te zien krijgen, zijn wij al tevreden’, zegt Toon Brouwers.
De kandidaten moeten dus in de geest van Teirlinck laten zien dat diep in hun ziel het scheppend vermogen tot kunst ligt. 'Het gaat niet om uiterlijk of de blik in iemands ogen. Het gaat niet eens echt om uitstraling. Het gaat om een innerlijke kracht die terug te voeren is tot de essentie van het leven zelf’, omschrijft Geert van Eeckhout, lid van de jury en leraar op de school. Karel Hermans weet het nog abstracter te brengen: 'Er moet iets gebeuren tijdens de voordracht. De eenstemmige reactie van de jury op datgene wat gebeurt, is het bewijs dat er zoiets als talent bestaat.’ Het wordt zelfs nog griezeliger, Toon Brouwers heeft het over seconden: 'Vanaf het moment dat iemand binnen stapt, in die eerste paar seconden, weten wij het vaak al.’
De ouderejaars vinden de keuze van de jury soms onbegrijpelijk. 'Het is ons vaak een raadsel waarom de ene wel en de ander niet wordt toegelaten’, vertellen Els en Daan. Daan is derdejaars. Zijn groep bestaat nog slechts uit acht personen. 'De mensen die van mijn auditiegroep zijn overgebleven, zijn niet echt de mensen waarvan ik het had verwacht en omgekeerd zijn er mensen afgevallen die echt talent leken te hebben’, verklaart hij. Els meent dat het soms nauwelijks om talent gaat. 'Ze kijken niet of je goed of slecht bent, maar hoe ver je kunt gaan. Wat ze met je kunnen doen. Eigenlijk is het een kwestie van jezelf bloot geven. Je moet de schaamte voorbij.’
De juryleden zitten op een rij. Ze doen net of ze mij niet zien binnenkomen. In het midden van de zaal staat een lege stoel. Paniek schiet door mij heen: die is voor mij. Langzaam worden de blikken op mij gericht. Mijn kin trilt en ik slik moeizaam het schaarse speeksel door mijn droge keel. 'Begin maar met Cleopatra’, bromt Decleir. Ik kijk uit het raam en begin. Als een waterval komen de prachtige zinnen uit mijn mond. Ik heb er geen controle over en laat alles maar zo'n beetje over mij heen komen. Mijn ogen knijp ik stijf dicht om mij beter te concentreren maar dan is de tekst op. 'Wat een klotetekst’, verzucht ik. 'Pardon’, zegt Decleir en de verwijtende vragen vliegen me om de oren: 'Hoe kun je een beroemde klassieker zo behandelen?’ en 'Begrijp je de symboliek van het verhaal dan niet?’ Gelukkig valt een jonge man in de jury mij bij. Ik begin aan mijn tweede monoloog. Een ironische tekst over de essentie van kunst. Vrij modern. Het is nu toch al verpest, denk ik. Dat helpt. Iets gedurfder kijk ik af en toe een jurylid aan. Als het klaar is, valt er een stilte. De man die mij net hielp, vraagt of ik het ook in plat Amsterdams kan. Dat kan ik. Na een paar zinnen valt Decleir mij in de rede: 'Het is genoeg zo, je mag gaan.’
EEN GROEP ACTEURS en leraren van de studio voert onder leiding van Decleir de selectie uit. De jury bestaat meestal uit acht a tien personen. Geert van Eeckhout vindt het een afschuwelijke taak om drie dagen lang jurylid te zijn: 'Zo moeten de beulen in Amerika zich voelen als zij een veroordeelde naar de slachtbank brengen.’ Toch beweert hij dat het bij de meeste kandidaten vrij duidelijk is. 'De jury is meestal unaniem. Pas als er twijfel blijft bestaan, wordt er gestemd. Maar dat is bijna nooit nodig.’ Hij erkent dat de jury ook fouten maakt. De vermoeidheid slaat soms toe.
Je moet ook geluk hebben met het moment van de dag waarop je aan de beurt bent. 'Wij hadden op een dag een jongen die werkelijk niets kon. Hij stotterde, bewoog als een houten pop en vergat zijn tekst. Na een geruststellend gesprek begon hij aan zijn eigen monoloog. Ineens was het er. Een magisch moment. Hadden wij hem de tijd niet gegund, dan was hij misschien timmerman geworden’, bekent Van Eeckhout. Wat later diezelfde dag ging dat dus heel anders. 'Er kwam een meisje binnen. Het was echt zo'n derderangs pornosterretje. Belachelijk overdreven. In een moeizaam gesprek bleek dat pure zelfbescherming. Heel even schemerde er wat door van een prachtmens. Helaas hebben wij haar niet de tijd gegund. Ik ben ervan overtuigd dat zij het wel zou kunnen.’
Karel Hermans sluit uit dat er grove fouten worden gemaakt. 'Tuurlijk, het blijft een momentopname. Maar er is altijd wel iemand in de jury die de kandidaat onder zijn hoede neemt en wat meer aandacht aan hem besteedt. Je houdt elkaar in de gaten. Zo krijgt iedereen toch gelijke kansen.’ Dat betwijfelen de ouderejaars. Els: 'De jury bestaat uit mensen die ook wel eens een dip hebben en niet goed opletten. Dat is heel spijtig en pech voor de kandidaat die aan de beurt is, maar dat is in elk systeem zo.’
'Misschien is het juist wel goed dat je wat tegengas hebt gegeven’, probeert Els. Maar ik weet genoeg. Ik lig eruit. Met trillende handen probeer ik een shaggie te draaien. Het lukt niet. Thomas pakt het zootje uit mijn handen en draait er een voor mij. Inmiddels zijn wij allemaal geweest. Zweterig, moe en met een knetterende koppijn lopen wij richting muziekzaal. De zangproef gaat in een roes voorbij. We weten het: de beslissing is waarschijnlijk al gevallen. Dan begint het wachten. Wachten op het oordeel. Wij zitten in de gang en proberen met praten, moppen tappen, liedjes zingen en staren de tijd door te komen. 'Als we het niet halen, gaan we met z'n allen naar de kroeg’, stelt Dominique voor. Sylvia is kapot. Zij vecht met haar tranen. Alleen Thomas en Maarten zien het wel zitten. De rest maakt plannen elkaar nog eens te ontmoeten nadat we zijn weggestuurd. Els deelt haar fles water met ons. We zijn het erover eens dat dit het verschrikkelijkste onderdeel van de dag is: het wachten.
Als een student door de auditie heen komt, is hij of zij er nog lang niet. Dit jaar viel tijdens de aansluitende stageweek van de veertig uitverkorenen nog ruim de helft af. Slechts achttien kandidaten zijn in oktober aan het eerste jaar begonnen. Van die groep is aan het eind van de vierjarige opleiding niet veel over. Zes a acht studenten halen jaarlijks de eindstreep en mogen zich meester in de toneelkunst noemen. Al met al een tamelijk hopeloos uitzicht voor de mensen die zich aanmelden. 'Als het bij de Studio niet lukt, gaan de meesten het bij een andere school proberen. Of zij komen terug. Want de Studio blijft voor veel potentiele acteurs de eerste keus’, verklaart Toon Brouwers.
Het hoge afvalpercentage heeft veel te maken met de zwaarte van de opleiding. Zes volle dagen per week zijn de leerlingen bezig met toneel, toneel en nog eens toneel. 'Talent is nou eenmaal niet genoeg om het te maken. Toneel is en blijft tien procent inspiratie en negentig procent transpiratie’, verklaart Hermans. Els en Daan bevestigen dat. 'Het eerste jaar was echt een rottijd. Keihard. Ik heb heel wat zwarte maanden gehad. Het is alsof ze je eigen persoonlijkheid willen vernietigen, je kneden in de Teirlinck-vorm. Daar verzette ik mij heftig tegen’, aldus Els. Daan kijkt ook terug op zware periodes: 'Meermalen heb ik eraan gedacht te stoppen, maar op een of andere manier bleef ik me vastbijten.’
DAN KOMT JAN Decleir door de gang geruist met in zijn kielzog een duidelijk vermoeide jury. 'Kom op’, zegt Caroline en pakt mijn hand. Wij gaan naar de zaal. 'Als je echt wilt, kom je er zonder de Studio ook’ en 'het niveau lag vandaag erg laag’, is het enige wat ik van de speech meekrijg. Dan volgt het oordeel. Met een onverstoorbaar ritme dreunt Decleir de namen van de afvallers op. Het is doodstil in de zaal. 'Sylvia Vandenbrugge’, hoor ik. Sylvia haalt haar schouders op en schudt haar hoofd. Nog even houd ik mijn adem in. 'Catheleyne van der Laan.’ Als ik mijn naam hoor, valt er een diepe teleurstelling over mij heen. Ondanks alles was ik blijven hopen. Caroline knijpt in mijn arm. 'Klote zeg’, fluistert zij. Als enige van onze groep is zij erdoor.
Opluchting en desillusie vullen de ruimte. Onze twee favorieten, Maarten en Thomas, liggen er ook uit. De volgende dag bel ik Geert van Eeckhout en vraag waarom ik afgewezen ben. Voorzichtig maar meedogenloos zegt hij: 'Je hebt wel een soort uitstraling. Maar wij zagen niets, geen zweempje of glansje van iets wat ooit tot toneelkunst zou kunnen worden.’ Voor de zekerheid vraag ik nog: 'Ik kan dus absoluut niet toneelspelen?’ Na een korte stilte klinkt het beslist: 'Neen.’