HET FAMILIEARCHIEF

Op zoek naar A. Verhouck

Heb ik voorouders in Vemmetøfte? Ben ik een nazaat van de Hertog van Alva? Heb ik zigeunerbloed? Wie zijn roots zoekt, moet in Salt Lake City zijn, waar de mormonen de grootste genealogische bibliotheek ter wereld runnen.

DE VERENIGDE STATEN ZIJN, in naam althans, het meest familievriendelijke land ter wereld. Veel scheidingen, weglopende kinderen en ruziënde ouders, maar ze bedoelen het goed: God, Family, Country, Amerika’s top drie.
De meest familievriendelijke staat in Amerika is Utah, waar de mormonen zestig procent van de bevolking uitmaken. Zij hebben het familieleven tot een soort aards ideaal verheven, de weerspiegeling van de goddelijke familie daarboven, met de in onze ogen gedateerd overkomende formule: preuts en kinderrijk. Mormoonse mannen zijn altijd stemmig gekleed, met nette colberts en stropdassen, de vrouwen dragen lange rokken en hooggesloten blouses, geen doorkomen aan. Samen brengen ze desondanks gezinnen voort met vele kinderen, soms meer dan tien. De vroegere praktijk der veelwijverij is inmiddels verboden en officieel afgeschaft, maar op het platteland wonen nog mormonen, of zoals ze zichzelf liever noemen Heiligen der Laatste Dagen, die de monogame nieuwlichterij aan hun laars lappen en er meerdere vrouwen en dus ook nog eens veel meer kinderen op nahouden.
Ik kom graag in dit mormonenland, enerzijds omdat het me herinnert aan mijn eigen jeugd, doorgebracht in het zevendedagsadventisten-milieu dat qua cultuur wel een beetje aan de mormonen doet denken, maar vooral omdat ik sinds mijn jeugdjaren beunhaas in de genealogie. Genealogie, oftewel geslachtsrekenkunde, en in de bibliotheken meestal gerangschikt onder de hulpwetenschappen der geschiedenis, is een van de populairste tijdverdrijven op aarde, zeker nu door het grenzeloze internet allerlei gegevens over onze voorvaders gepubliceerd en gedeeld kunnen worden. Het schijnt dat naast pornografie genealogie de grootste ruimte op het wereldwijde web inneemt, een mooie balans.
Ook de familiezieke mormonen zijn vlijtige genealogen. Hun Family History Center in Utah’s hoofdstad Salt Lake City is de grootste genealogische bibliotheek op aarde, met dependances over de hele wereld, en met een website waar je ook thuis al heel wat over je roots te weten kunt komen. Geheel waardevrij is hun familieonderzoek evenwel niet. Ze menen dat het hun opdracht is om de gehele wereldbevolking, levend zowel als dood, te bekeren en te dopen, zegge en schrijve 107,5 miljard zielen. Maar dan moet je natuurlijk wel weten wie dat allemaal zijn geweest. Vandaar hun inspanningen om iedere voorvader boven water te krijgen. De gevonden zielen worden postuum gedoopt in de grote tempel van de mormonen, tijdens ceremoniën waar buitenstaanders niet welkom zijn. Of, zoals ze het zelf vriendelijker formuleren, die doopplechtigheden zijn ‘not secret but sacred’. Overigens is lang niet iedereen gediend van deze voorouderdooppraktijken. Zo hebben joodse nazaten geprotesteerd tegen de onvrijwillige doop van hun voorouders (tot christenen dus) en inmiddels worden dezulken dan ook niet meer gedoopt.

Dat alles, hoe vreemd en interessant ook, zal mij als genealoog worst wezen. Ik ga naar Salt Lake City om mijn eigen stamboom uit te pluizen, voor de zoveelste keer. Want hier is het grootste deel van de aardse doop-, trouw- en begraafarchieven op microfilm of microfiches gezet dan wel in boekpublicaties voorhanden. Natuurlijk kun je voor je plaatselijke voorouderonderzoek nog altijd het beste in je eigen land gaan zoeken, maar hier hebben ze alles bij elkaar; zodra een voorvader van je uit België of Duitsland, Korea of Kenia komt, kun je maar beter naar Salt Lake City afreizen. Ik ben er een keer of zeven, acht geweest; stamgast.
Statistici hebben berekend dat alle nu levende West-Europeanen wel van Karel de Grote moeten afstammen, gezien het geringe aantal mogelijke voorouders dat er in die tijd voorhanden was. Maar dat betekent ook dat wij, hoe oer-Nederlands ook, altijd wel wat vreemd bloed door de aderen hebben stromen, en hoe verder je teruggaat, hoe vreemder dat bloed allicht wordt. Zoals Barack Obama behalve van de Luo-stam in Kenia onder meer ook afstamt van de zeventiende-eeuwse Enoch Vreeland en Dirckje Meyer uit Amsterdam, zo stam ik zelf af van een enorme kudde Veluwse heikneuters maar ook van koning Wenceslaus III van Bohemen.
Op zoek naar nog meer voorouders rijd ik via de Interstate Utah binnen. Dit is de plek waar Brigham Young, pionier van de mormonen, uitziend over de vlakte gezegd moet hebben: ‘This is the place.’ Er is dan ook een This Is The Place Heritage Park, een soort mormoons openluchtmuseum. Ook tegenover het Family History Center staat zo’n negentiende-eeuwse blokhut om ons te herinneren aan onze afkomst.
In vroeger jaren bracht ik wel eens een week door in de bibliotheekbunker van de mormonen, waar je van acht uur ’s ochtends tot negen uur ’s avonds gratis mag delven. Dit keer heb ik een simpeler programma, wat voorouders uit Wilnis en het West-Vlaamse Izenberge, een huwelijk uit Alloa, Schotland en de afkomst van een voormoeder uit het Deense Vemmetøfte. Allemaal EU-spul, het moet in anderhalve dag gepiept zijn.
Eerst maar eens naar JB’s Family Restaurant, pal naast de bibliotheek en daar een soort onofficiële restauratie van. De Hispanic eigenaren bedienen dagelijks de bibliotheekbezoekers, behalve de grijs-, bruin- en zwartkleurige mormonen zelf mensen zoals ik, toeristen uit het buitenland met een schriftje en hooggespannen verwachtingen. Of dit de mormoonse keuken is, vraag ik me overigens wel af. Ik worstel me door een alp hash browns heen, met daarnaast drie eieren, sunny side up, en ook nog eens drie in maple syrup gedrenkte pancakes. Typisch de keuken van economische emigranten: nooit meer te weinig!
De familiebibliotheek van de mormonen zelf is een kolossale grijze kast, half in de grond verzonken. Ze staat over diverse etages vol met ook weer grijze kasten vol microfilms, tafels om aan te lezen, boekenrekken vol genealogische werken en honderden microfilmapparaten. Je moet ervan houden. Ik houd ervan.

Het is nog vroeg, een uur of acht. Ik zoek een plaatsje om pen en schrift neer te leggen en haast me direct naar de kasten met microfilms. Thuis, in Nederland, heb ik al voorbereid wat ik wil uitzoeken. Om te beginnen maar eens de huwelijken uit het Schotse Alloa, van rond 1650. Film nummer 1040205, daarvan de items 3 en 4. Hier hoop ik een voormoeder van me te vinden, een zekere Ann Echlin, getrouwd met James Cunningham. James Cunningham klinkt niet al te exclusief, een soort Jaap Cramer, maar Echlin is niet zo’n wijdverbreide achternaam. Ik loop met de gevonden film naar het filmhokje, plaats het ding op de spoelen en begin met de hand aan de hendel te draaien, honderden, duizenden gefilmde personages langs, tot ik ergens in de kerkboeken van Alloa de trouwlustige stelletjes uit het midden van de zeventiende eeuw aantref. Ik begin maar eens in 1640 en dan doorlezen tot 1660.
Maar hé, waar ik niet op had gerekend: ik vind ze niet. Achterin blijkt zelfs een index te zitten, en ook daarin worden ze niet genoemd. Niet laten ontmoedigen. Een zero-resultaat is ook een resultaat, weet ik uit de wetenschap. Nu weet ik in elk geval dat ze níet, zoals ik dacht, rond 1651 in Alloa trouwden. De speld blijft, maar de hooiberg is een strootje kleiner geworden.
De vraag luidt intussen: kun je zo’n verre voorvader als James Cunningham eigenlijk nog wel familie noemen? Elf generaties terug, als je al 2048 voorvaders heb, wat heb je met ze te maken? Waar houdt biologische verwantschap eigenlijk op nog mee te tellen? Ik voel me toch ook niet verwant met een amoebe uit het Precambrium, of met de dames en heren in deze bibliotheek? Mijn oude Winkler Prins, nog uit de familievriendelijke jaren vijftig, zegt: ‘Familie is in biologische zin een groep individuen, tussen wie een vrij nauwe verwantschap bestaat.’ Vrij nauw, hm, niet erg exact. Wikipedia komt met een preciezer lijstje kandidaten: vader, moeder, zus, broer, schoonzus, zwager, tante, oom, neef, nicht, grootvader, grootmoeder, overgrootvader, overgrootmoeder, oudoom, oudtante, aangehuwde oudoom, aangehuwde oudtante, achterneef/nicht, aangehuwde achterneef/nicht, achterachterneef. Dat is het. Geen drieënhalve eeuw verwijderde buitenlanders die nooit weet van je bestaan hebben gehad.
Maar genealogen trekken zich van deze praktische familiegrenzen niks aan. Integendeel. Hoe meer zielen hoe meer vreugd, James Cunningham, Karel de Grote, en het was vroeger niet ongebruikelijk om met de stamlijsten uit Numeri in de hand de boel op te rekken tot Adam en Eva. Trouwens, de Oranjes heten toch ook familie van Willem de Zwijger en Juliana van Stolberg? In dat soort kringen doet men niet zo benepen over familie. Die koninklijke weg bewandelen genealogen graag, al heten hun voorouders Jan Hop of Krijn Pauw.
Goed, mijn eerste project, James Cunningham en Ann Echlin, niet uit Alloa dus, is gestrand. Maar bij de volgende heb ik beet: Anne-Cornelie Verhouck uit het West-Vlaamse Izenberge. Daar zie ik betoveropoe voor het eerst geboren worden, 22 februari 1714. Dat moet haar zijn en de ouders staan erbij: vader Florentinus Verhouck en moeder Anna Theresia Peel. Het hart van de genealoog slaat over als hij ze voor het eerst ziet, zulke verre voorvaderen in hun wiegje. Ik heb er weer iemand bij.
Om het te vieren vraag ik me altijd af of ik ook nog een beetje op ze lijk. Op Florentinus Verhouck, van wie ik verder nog niks weet en die ik met zijn zwaar achttiende-eeuws West-Vlaams accent waarschijnlijk niet zou hebben verstaan, of op die slager uit Helmond, mijn verre voorvader Jan Michiels van Eyndhouts, over wie ik ooit las dat hij met een mes achter iemand aan liep, roepend: ‘Waer is dien schelm, ick sal hem vermoorden. Ick wil hem doodt steeken waer dat ick hem crygen can.’ Hoe zag hij eruit, laag voorhoofd, zadelneus? Of nobel, kanten kraag, iemand van een schilderij?
De familie van de genealoog is niet warm en intiem maar grenzeloos divers en diffuus. De beoefenaar is eerder uit op bevreemding dan op herkenning. Wat dat betreft ressorteert de hedendaagse explosie van genealogische belangstelling bij jan met de pet onder de globalisering van onze tijd. Het typeert als het ware de formele ontbinding van de oude, traditionele familiebanden. Tegelijkertijd bekrachtigt het je wortels in de geschiedenis en de omgeving, je bent niet zomaar een toevallig individu, maar product van velerlei, ineens boeiende invloeden van her en der.
Overigens betekent genealogie ook vaak de ontnuchtering van familieverhalen; je hebt helemaal geen zigeunerbloed, je voorvaderen waren eenvoudige dagloners, en van de Hertog van Alva stam je ook al niet af. In de kringen van grootmoeder ging het gerucht dat we afstamden van Duinkerker kapers, het bleken de lokale metselaars en timmerlui te zijn.
Daar kom je dus allemaal achter in die kalme catacomben in Salt Lake City, waar een groot deel van de wereldbevolking met naam en al ligt opgeslagen en waar je verste achterneven en -nichten op hun ontdekking door jou liggen te wachten. En zo is het resultaat van al die napluizingen eigenlijk tegengesteld aan het ware en knusse familiegevoel, want je blijkt ten slotte aan iedereen verwant te zijn, niet alleen aan Barack Obama en Moeder Teresa maar ook aan Atilla de Hun en Adolf Hitler. Wie daar niet tegen kan moet het maar zien uit te houden met zijn bij de geboorte meegegeven tantes en ooms en neven en nichten.