Vluchtelingen in Nederland

Op zoek naar beschutting

Waarom vluchten mensen naar Nederland? En wat staat ze daar te wachten? Vijf gesprekken, ook met medewerkers van ‘het systeem’, schetsen een schokkend beeld.

ref·uge

zelfstandig naamwoord

het veilig of beschermd zijn tegen vervolging, gevaren of moeilijkheden

  1. Bescherming of beschutting tegen gevaren of ontberingen.

  2. Een plek die bescherming of beschutting biedt.

  3. Een bron van hulp, steun of troost in tijden van moeilijkheden.

Adam Al-Ibrahim, afgewezen asielzoeker, bij de Organisatie voor Mensenrechten en de Gezondheid van Vluchtelingen in Utrecht:

Dokter Mertens: ‘Ik zal beginnen je iets te vragen over je huidige woonsituatie. Ik begrijp dat je een onderkomen hebt.’

Adam: ‘Ja, ik woon met twee andere vluchtelingen in een appartement in Amsterdam, in de Indische Buurt.’

_Mertens: ‘_En heb je het gevoel dat dat een veilige omgeving voor je is?’

Adam: ‘Ja.’

Mertens: ‘Kun je me iets vertellen over je huidige gezondheidstoestand?’

Adam: ‘Ik heb al langere tijd pijn in mijn rug. Ik heb hoofdpijn en soms heb ik het gevoel dat ik aan de zijkant van mijn ogen niets meer zie. Ik heb moeite om ’s nachts te slapen.’

Mertens: ‘Had je deze klachten ook al in Soedan, of hebben ze zich pas ontwikkeld na je aankomst in Nederland?’

Adam: ‘Ik had deze klachten al in Soedan, maar ik heb ze hier ook. Sinds mijn vertrek uit Soedan zijn ze alleen maar erger geworden.’

Mertens: ‘Heb je het toen je in Nederland aankwam over deze klachten gehad tijdens je gesprek met de ind?’

Adam: ‘Toen ik hier kwam, had ik pijn, maar dat was toen nog nieuw. Tijdens mijn gesprekken heb ik niets gezegd.’

Mertens: ‘Waarom niet? Herinner je je gesprek met de arts?’

Adam: ‘Er waren te veel gesprekken. Er waren altijd veel mannen. In de kamer waren vijf tot tien mannen, en ik moest urenlang praten. Daar werd ik heel nerveus van. Ik kende die mannen niet, en ik wist niet hoe de dingen hier gaan. Ik wist niet wie wie was bij de ind. Tijdens die gesprekken heb ik veel dingen niet verteld.’

Mertens: ‘Maar van al die gesprekken herinner je je er geen met een arts, iemand zoals ik die je naar je gezondheidstoestand vroeg?’

Adam: ‘Ja, dat herinner ik me. Maar tijdens dat gesprek werd ik erg bang. De ind was er en de arts was er, en ik werd gewoon veel te bang. Mijn advocaat, en zelfs de veiligheidsbeambte die bij dat gesprek aanwezig was, zeiden dat het gesprek moest stoppen, omdat ik niet in orde was. Zelfs de arts van de ind zei: geen gesprekken meer, deze man is niet in orde. Maar de ind wilde nog steeds met mij praten. Toen had ik het gevoel dat ze met me speelden. Ze speelden met me.’

Mertens: ‘Was je boos?’

Adam: ‘Niet boos. Ik ben niet iemand die boos wordt. Maar ik voelde me vervolgd. Alsof ze dachten dat ik een terrorist was, of een crimineel. Zo behandelden ze me. De ind probeert je erin te luizen. Ik vertrouwde ze niet.’

Mertens: ‘Je was bang tijdens dat gesprek.’

Adam: ‘Ja.’

Mertens: ‘Waar was je bang voor?’

Adam: ‘Voor van alles.’

Mertens: ‘Kun je specifieker zijn?’

Adam: ‘Destijds was ik bang voor alles. Ik was bang dat Soedanese agenten me zouden komen halen. Ik wist niet waar die gesprekken plaatsvonden en voor wie die mensen werkten. Er zijn veel verklikkers in Soedan, je weet nooit wie het zijn.’

Mertens: ‘Was je bang dat je teruggestuurd zou worden?’

Adam: ‘Ja. Vanaf de eerste dag had ik begrepen dat sommige mensen werden teruggestuurd.’

Mertens: ‘Ben je nog steeds bang dat je wordt teruggestuurd?’

Adam: ‘Iedere dag. Iedere dag sinds ik voor de ind ben gevlucht, ben ik bang voor de politie. Als ik politie zie, begin ik te trillen. De politie hier let op ieder foutje. Als je geen licht op je fiets hebt, of als je door rood rijdt, houden ze je aan. Als je zwart bent, vragen ze je naar je identiteitsbewijs, en ik heb geen identiteitsbewijs. Dus als het licht op mijn fiets het niet doet, ga ik lopen. Ik verander iedere dag van route. Gisteravond belde een vriend me nog op. Hij zei: “Ga vanavond maar niet fietsen. Ze houden zwarte mensen aan.” Een andere vriend zei dat ik op straat altijd naast blanke mensen moest gaan lopen, alsof je met hen in een groep zit. De politie schaamt zich dan om je aan te houden. Ik ben altijd bang. Ik kan me hier niet bewegen, ik kan niet vrij zijn. Ik ben zelfs bang om te gaan slapen.’

Mertens: ‘Waarom ben je daar bang voor?’

Adam: ‘Ik ben altijd aan het denken, weet u. Ik zie beelden in mijn hoofd. Oorlog, bloed. Andere dingen. Zelfs als ik slaap zie ik die dingen.’

Mertens: ‘Wat zie je dan?’

Adam: (Geen reactie)

Mertens: ‘Adam?’

Adam: ‘Ik droom.’

Mertens: ‘Wat voor soort dromen?’

Adam: ‘Verschrikkelijke dromen.’

Mertens: ‘Kun je me niet meer vertellen?’

Adam: ‘Ik word midden in de nacht wakker en kan dan niet meer slapen. Zo droom ik vijf, zes keer per week. Ik droom dat ik bij mijn familie ben, en dat er overal om ons heen oorlog is. Ik zie dorpen vallen, één voor één overgenomen worden. In mijn dromen zijn ze er altijd, en vermoorden ze mannen in de dorpen. Mijn vader komt thuis en hij kan niet praten, hij kan niets horen. Mijn moeder huilt alleen maar. Ze huilt altijd in mijn dromen. En ik ben bij mijn familie, en probeer gewoon kalm te blijven, maar ik weet dat ze voor ons komen. Zulke dingen.’

Mertens: ‘Neem je medicijnen om je te helpen slapen?’

Adam: ‘Mijn arts, hij geeft me medicijnen. Daarmee kan ik veertien of vijftien uur slapen. Als ik wakker word door een droom kan ik weer gaan slapen. Het helpt. Maar er zijn ook neveneffecten, weet u. Ik ken mensen die gehandicapt zijn geraakt, mensen die gek zijn geworden van deze medicijnen. Ik heb een vriend die tegen me zegt dat de medicijnen mijn geest zullen blokkeren, dat het net drugs zijn. Maar ik wil ze houden. Ik wil geen zelfmoord plegen. De arts zegt dat het oké is, dat ik ermee kan stoppen als ik dat wil. Hij zegt dat ik me geen zorgen moet maken, maar dat doe ik wel.’

Mertens: ‘Heb je aan zelfmoord gedacht, Adam?’

Adam: (Geen reactie)

Mertens: ‘Adam?’

Adam: ‘Ja.’

Mertens: ‘Heb je het geprobeerd?’

Adam: ‘Nee. Maar ik denk er wel altijd aan.’

_Mertens: ‘_Hoe zou je het doen?’

Adam: ‘Van een gebouw af springen. Dat is makkelijk.’

Mertens: ‘Hoe vaak denk je eraan?’

Adam: ‘Misschien wel iedere week. Ik denk alleen aan springen als ik pijn voel, als ik het gevoel heb dat niemand me wil helpen.’

Mertens: ‘Waarom heb je het gevoel dat niemand je wil helpen?’

Adam: ‘Ik respecteer jullie allemaal, ik ga naar zo veel besprekingen, en ik ontmoet zo veel mensen, maar ik vertrouw niemand. Ik ben hier nu al vijf jaar en niemand heeft me geholpen. Ik heb vier advocaten gehad en zij hebben me niet geholpen, geen van hen heeft me geholpen. Het spijt me het te moeten zeggen, maar ik heb het gevoel dat iedereen gewoon naar huis gaat en het vergeet. Ze zijn allemaal aan het werk. Het is werk voor ze. Ze willen zich alleen maar met mij bezighouden om hun tijd te vullen.’

Mertens: ‘Ik begrijp dat dat voor jou moeilijk te verteren is, Adam. Maar ik moet je eraan herinneren dat al wat ik hier kom doen het beoordelen van je situatie is. Dit is geen therapie en ik verkeer niet in de positie om je hulp of advies te bieden. Al wat ik kan doen is documenteren wat je mij vertelt. Begrijp je dat?’

Adam: ‘Ik begrijp het.’

Jonathan de Vries, ‘hoormedewerker’ van de IND, Stadsdriehoek, Rotterdam:

‘Het gesprek is waarschijnlijk het moeilijkste onderdeel. Ik train mezelf steeds meer om niet echt te antwoorden of geen reactie te geven. Het is hún dag, dus zij moeten hun verhaal kunnen vertellen. Het is hun recht om in Nederland asiel aan te vragen, het is niet als bij een strafrechtelijke procedure. Ik ben geen ondervrager. Ik ben er alleen maar om te faciliteren, te luisteren en vragen te stellen. Ik stel alleen maar vragen om een goed inzicht in het verhaal te krijgen, zodat we weten waarom, zodat we het hele beeld kunnen overzien. Dat moet allemaal duidelijk zijn. Het kan echt een probleem zijn tijdens een gesprek als je houding de manier beïnvloedt waarop een asielzoeker zich voelt, of hij of zij zich werkelijk op zijn gemak voelt om zijn of haar verhaal te vertellen, dus ik probeer altijd na te denken, neutraal te zijn.

Het gebeurt wel eens dat we zeer gedetailleerde vragen stellen, zoals “Oké, wie is de baas van het bedrijf waar je werkt”, of zoiets, of: “Wie zijn degenen met wie je samenwerkt”, en we blijven dat doen, omdat de enige manier waarop we hun zaken kunnen beoordelen is gebaseerd op wat ze ons vertellen. Als ze papieren hebben, is het makkelijk voor ons. Maar het hele proces is gebaseerd op vertrouwen, want de meeste mensen komen vrijwel zonder papieren. Je vertelt een verhaal en ik moet je op een bepaalde manier echt kunnen vertrouwen. Mensen in Nederland, mensen op straat, illegalen, zeggen vaak: “Ja, ik ben een vluchteling.” Er zijn natuurlijk uitzonderingen, maar mijn ervaring tot nu toe is dat heel weinig mensen die naar Nederland komen echt recht op asiel hebben. Zij worden afgewezen omdat ze geen deugdelijke redenen hebben om de vluchtelingenstatus toegewezen te krijgen. Dat is een probleem in de media, de wettelijke definitie van “vluchteling” wordt niet gevolgd. En dat maakt de hele discussie heel erg lastig. Het is moeilijk deze discussie aan te gaan als we over mensen praten zonder ze bij de juiste naam te noemen.

Ik denk dat de huidige wetten met betrekking tot asiel en vluchtelingen behoorlijk goed zijn. Volgens mij zijn de problemen die we werkelijk moeten aanpakken kwesties van ongelijkheid. Natuurlijk geloof ik dat al die mensen die niet echt vluchteling zijn zo hun problemen hebben. Ze hebben hun redenen. Als je omstandigheden zó wanhopig zijn, ook als je niet meteen bang hoeft te zijn voor je leven, dan vlucht je. Je gaat op zoek naar mogelijkheden. Ik kan begrijpen dat ze naar Nederland komen, omdat ik waarschijnlijk hetzelfde zou hebben gedaan.

Maar de meeste mensen die naar Nederland komen, doen dat vanwege de enorme ongelijkheid in de welvaartsverdeling in de wereld. Dat is het echte onderliggende probleem. Ik denk dat we dát moeten aanpakken. En die discussie gaat vaak veel dieper, nietwaar? Ik heb het gevoel dat de media daar dikwijls aan voorbijgaan. Het is altijd zoiets van: o, ze zijn zo, hoe zeg je dat ook alweer? Zielig. Zielige mensen. En ja, we voelen met ze mee. Natuurlijk, ik voel ook met ze mee, maar niet in de zin dat we ze asiel moeten verlenen. Nee. We moeten er dieper naar kijken, naar de onderliggende redenen, om deze problemen te kunnen oplossen.

Maar met dat in mijn achterhoofd geniet ik nog steeds van mijn werk. Ik waardeer mijn werk, omdat je mensen echt kunt helpen. En ik bewonder de mensen die dit werk doen, omdat het een moeilijke realiteit is dat we mensen afwijzen. Wat ik in de media zie, is dat de ind altijd min of meer wordt, eh, aangevallen is niet het juiste woord, maar in de hoek wordt gezet, alsof we louter mensen afwijzen. Maar tegelijkertijd laten we ook mensen toe, en dat is waar we echt de aandacht op moeten vestigen. Ik denk dat dat iets is waar we echt trots op moeten zijn.’

Tariq Saiyed, afgewezen asielzoeker, Indische Buurt, Amsterdam:

‘Oudere mensen zeggen dat God beslist waar je doodgaat en hoe je doodgaat. Maar volgens mij klopt dat niet. Als mijn arts zegt dat ik over een maand zal sterven, zal ik gaan genieten. Alleen maar genieten. Ik zal alleen maar spelen. Roken, drinken, neuken, met vrienden zijn, met vrouwen zijn. Als je in Pakistan op straat sterft, ga je gewoon dood. Maar we genieten tenminste van het leven, we reizen en geven geld uit. Hier weet ik niet hoe ze hun geld besteden. Ze sparen alleen maar en werken alleen maar. Maar ik zit hier vast. Ik zit gevangen. Als ik naar huis ga, vermoorden ze me. Dus ik probeer mezelf te vermaken, maar deze atmosfeer helpt me daar niet bij.

Ik ben een tijdje gestopt met drinken, zelfs met hasj roken. Maar even later vroeg ik me echt af waarom. Waarom ben ik gestopt? Om welke reden? Voor wie? Ik heb geen doel. Ik heb nog steeds pijn, ik ga nog steeds dood. Dus waarom zou ik stoppen met drinken? Waarom zou ik stoppen met roken? Waarom zou ik stoppen met neuken? Ik houd van sterke drank. Ik rook graag. Ik wil me ontspannen, genieten. Dus ik denk nu niet aan mijn leven, ik denk alleen maar aan de dag.

Ik heb pijn, maar dat zeg ik niet. Waarom zou ik dat zeggen, en waarvoor? Je ziet dat mijn gezicht nu relaxed is. Dat is niet echt. Het is een masker. Als ik geen pijn heb, maak ik me zorgen. Dan verandert mijn geest, begrijp je? Ik ben nu gewend aan de pijn, geniet ervan. Leuke truc, hè? Ik haat sympathie. Als je te veel sympathie voor me hebt, heb ik het gevoel dat je mijn vijand bent. Ik haat de vraag: hoe gaat het met je? Hoe het met mij gaat? Dat kan ik je niet uitleggen. Ik zal je vertellen dat als ik had kunnen kiezen ik mijn land nooit zou hebben verlaten. Ik zou mijn moeder nooit hebben verlaten. Ik ben alles kwijtgeraakt, maar ik mis alleen de omhelzing van mijn moeder.

Ik denk: ik heb jullie alles uitgelegd. Jullie hebben me verneukt. Tot nu toe heb ik geprobeerd een uitweg te vinden. Dit systeem, ik begrijp niet wat ze willen. Wat ze nodig hebben. In Pakistan hebben ze geprobeerd me met wapens te vermoorden. Hier proberen ze me geestelijk te vermoorden. Ik ben te moe om het nog uit te leggen. Altijd maar uitleggen. Waarvoor eigenlijk? Dit is een spelletje. Gaan ze me deporteren? Ha! Ik weet het niet. Het maakt me ook niets uit. Begrijp je? Wat moet ik dan doen? Huilen? Waarvoor? Ik vecht. Ik worstel. Maar ik kan niet slagen.’

Marike Spoor en Johan Bouman, hulpverleners, Oud-West, Amsterdam:

Spoor: ‘Ik herinner me dat ik in het begin, als ik iemand weer de straat op moest sturen, naar huis ging en alleen maar kon huilen. Zo van: o mijn God, ik heb zojuist iemand op straat gezet.’

Bouman: ‘Dat heb ik eigenlijk nooit gehad. Als ik naar huis ga, is het klaar, is het voorbij. Ik bedoel, toen ik begon, zag ik vrouwen en kinderen, en dat was moeilijk. Maar nu is het gewoon routine geworden, weet je?’

Spoor: ‘Het is werk. Het klinkt stom, maar je raakt er min of meer aan gewend. Je moet het aanvaarden. In het begin dacht ik echt dat ik al deze mensen ging helpen, maar nu is het, als ik iemand moet wegsturen, gewoon de realiteit. Ik kan er niets aan doen. Ik denk dat we realistischer zijn geworden.’

Bouman: ‘Eerlijk gezegd voel ik me niet erg nuttig. De dingen die ik doe, ik bedoel, je geeft ze onderdak, maar uiteindelijk hebben ze feitelijk toch nog steeds niets.’

Spoor: ‘En er zijn zo veel mensen op straat, zo veel mensen die onderdak willen. We kunnen gewoon niet iedereen helpen. Voor de mannen hebben we twee appartementen voor drie personen en één voor vijf, dus dat zijn er elf. En er zijn twee appartementen voor de vrouwen. Dus in totaal denk ik dat we 22 mensen onderdak kunnen bieden. Er zijn andere organisaties die ook één of twee plaatsen voor onze klanten hebben.’

Bouman: ‘Maar er zijn ook veel plekken dicht gegaan. Dus nu hebben we zelfs nog meer cliënten, ik denk in totaal misschien wel zo’n honderd?’

Spoor: ‘Alles bij elkaar? Ik denk tweehonderd.’

Bouman: ‘Tweehonderd.’

Spoor: ‘En ik denk dat we iedere week minstens twee nieuwe mensen krijgen die zijn afgewezen en cliënt van ons willen worden.’

Bouman: ‘We proberen onze cliënten ook te helpen door ze in contact te brengen met artsen en organisaties die ze op andere manieren kunnen helpen. Er zijn bepaalde mensen en groepen die we vertrouwen, en we proberen vooral met hen te werken. We kunnen veel van onze cliënten die in beroep gaan tegen hun afwijzing bijvoorbeeld aan een onafhankelijk medisch onderzoek helpen. Dikwijls draagt dat ertoe bij hun zaak sterker te maken. We bieden ze ook juridische ondersteuning. We hebben advocaten die hen tijdens hun beroepszaak kunnen ondersteunen.’

Spoor: ‘Maar om eerlijk te zijn, denk ik dat sinds ik hier acht maanden geleden begon te werken, slechts één van onze cliënten een verblijfsvergunning heeft gekregen. Althans voorzover ik weet, slechts één. Dat is dus niet erg succesvol.’

Bouman: ‘Ik denk dat vier procent van onze cliënten een verblijfsvergunning krijgt?’

Spoor: ‘Een permanente verblijfsvergunning, ja.’

Bouman: ‘Dat is verschrikkelijk. Vier procent is heel weinig.’

Spoor: ‘Ik denk dat misschien vijftig procent van onze cliënten een nieuwe asielprocedure ingaat en dat die andere vijftig procent illegaal blijft. En van degenen die een nieuwe asielprocedure ingaan, horen we meestal niets meer.’

Bouman: ‘Sommigen komen wel terug. Als ze weer zijn afgewezen.’

Spoor: ‘Maar niet allemaal.’

Bouman: ‘Ja, het succespercentage is laag.’

Anthony Ringo Matumba, afgewezen asielzoeker, Indische Buurt, Amsterdam:

‘Ik ben een christen. In de bijbel staat dat je je moet ontfermen over vluchtelingen en vreemdelingen. Zelfs in de tijd van de bijbel waren er al vluchtelingen. Vluchtelingen zullen er altijd zijn. In Mexico bouwen ze de hoogste muren, maar het zal nooit ophouden. Mensen zijn niet stom, ze verlaten hun land niet zomaar. Toen ik uit Kenia wegging, heb ik mijn vriendin achtergelaten. Ik zou met haar trouwen. Ik heb mijn familie achtergelaten. Hier is het alsof mijn leven stilstaat. Als ik op een dag naar mijn land terugga, zal ik geen vooruitgang hebben geboekt. Ik zal niets kunnen laten zien.

Het systeem dat ze hier gebruiken vermoordt mensen. Ze doen het niet expres. Het is het gevolg van hoe ze nadenken. Toen ik in 2007 vluchtte, kwam ik eerst naar Griekenland. Ik ben daar op het vliegveld achtergelaten door mijn mensensmokkelaar. In Griekenland word je anders ontvangen. Ze nemen je vingerafdrukken, geven je papieren en zeggen dat je vrienden moet gaan zoeken, andere Afrikanen. Ze geven je een kaart, en daarmee kun je aan het werk en naar school gaan, je mag alleen de stad niet verlaten. Ze willen je lichaam gebruiken, begrijp je? Je geest wordt niet aangevallen. Ze krijgen je lichaam. Ze nemen je op in het systeem, maar ze steunen je niet. Ze gebruiken je energie, je zweet. Je bent een fysiek wezen. Dus je vergeet je problemen en je zorgen. Je richt je op je kansen.

Maar als je hier aankomt, nemen ze eerst je vingerafdrukken, en dan zetten ze je in een kamer met een tv. Ze praten met je, en daarna moet je wachten en kun je niets doen. Als je een negatief advies krijgt, sturen ze je naar een ander kamp. Je gaat in beroep, je gaat naar de rechtbank, en de rechter wil een week de tijd om na te denken. Dat is een stressvolle week! Je kunt alleen maar wachten. Als de rechter je uiteindelijk afwijst, word je plotseling op straat gezet. Toen je hier aankwam, hebben ze je opgenomen, begrijp je? Maar als je dan wilt blijven, komt de politie je zoeken. Geen Nederlander kan je in zijn huis onderbrengen. Niemand kan je werk geven. Je kunt nergens langer dan twee weken blijven. Dan weten ze waar je zit. Ze kennen iedere boom in Nederland. Ze tellen ze. Het is een systeemland.

Hier kunnen we dus niet werken. Maar we zijn jonge mannen. Ik wíl werken, mijn lichaam gebruiken. Als je een auto in de garage laat staan, gaat hij achteruit. Je lichaam is als een machine, het moet bewegen. Een auto krijgt iedere maand een servicebeurt. Je lichaam heeft dat ook nodig. Als je niet actief bent, ga je dood. Ik heb het gevoel dat ik mijn lichaam kwijtraak, omdat er hier geen werk voor me is.

Als je zonder werk blijft, word je ziek. Dat is psychologisch. Zweten, werken, dat is een oefening. Maar oké, kun je me geen werk geven? Laat me dan naar school gaan. Leer me met computers omgaan. Dan kan ik mijn geest oefenen. En als mijn land veilig is, zal ik teruggaan. Maar hier betalen ze me liever om te gaan slapen. Daarom slapen mensen hier alleen maar. Dat doodt de geest. Misschien willen ze op deze manier het aantal vluchtelingen terugdringen, maar ze verdienen niets aan me als ik slaap. Ze zouden veel aan ons kunnen verdienen. Dat is heel eenvoudige wiskunde.

Nederland is een moeilijk land als je geen papieren hebt. Echt. Mét papieren voel je je meer mens, en veiliger. Hier lijden mensen zonder papieren. Ik heb mensen gezien die gek zijn geworden. Mijn huisgenoten bijvoorbeeld. Soms kan ik ’s nachts niet slapen, als Adam in de kamer naast me ligt te praten. Hij praat in zijn slaap. Op een nacht moest ik zelfs zijn kamer binnengaan om hem wakker te maken, omdat hij lag te schreeuwen. Ik zie het ook aan Tariq, iedere dag gaat het slechter met hem. Hij wordt ziek. Hij verliest gewicht. En ik ook. Ik ben ook veel gewicht verloren. Maar ik probeer positief te blijven. Ik maak vrienden, ik ga naar de kerk. Er zijn hier ook aardige mensen. Maar ik weet niet zeker of ik ziek ben of niet. Ik ben nu al vijf jaar in Europa. Ik ben 33 jaar oud. Ik ben 33 en ik zit vast.’


Francisco Cantú komt uit Prescott, Arizona. In 2012/2013 deed hij onderzoek naar Nederlandse vluchtelingenproblemen, met steun van het Instituut voor Migratie en Etnische Studies van de UvA als onderdeel van een Fulbright Fellowship. Voorheen werkte Cantú als douanebeambte aan de grens tussen de VS en Mexico. Zijn werk verscheen in het tijdschrift Guernica en dit najaar worden artikelen gepubliceerd in J Journal: New Writing on Justice en The South Loop Review.

Vertaling Menno Grootveld