Op zoek naar de betere plek

Bernard Dewulf
Blauwziek
Atlas, 62 blz., 15,-

Mijn oma kon nooit kiezen welke tafel het beste was om aan te zitten. In een café koos ze eerst de tafel aan het raam, dan de tafel waar het niet tochtte, om zich dan toch maar naar de grootste tafel te verplaatsen. Dan zei ze: «Nee, dit is het niet.» Mijn oma verplaatste zich niet gemakkelijk. Ze had grote tassen bij zich en drie kleinkinderen die niet graag meededen met haar stoelendans. Als ze uiteindelijk een plek had uitgekozen, bleef ze gedurende het cafébezoek om zich heen turen, speurend naar een betere plek.

Ik kon niet kiezen over welke bundel ik zou schrijven. Ik las er veel en van veel dacht ik: nee, dit is het niet. Er worden veel bundels gemaakt waarover niet méér te zeggen valt dan dat het vlakke, saaie, of gewild poëtische bundels zijn. Die indruk kan al na een enkele regel ontstaan en als die indruk wordt bevestigd in drie of vier volgende gedichten leg ik de bundel naast me neer en zoek ik, zuchtend als mijn oma, een betere.

In het werk van een dichter die indruk maakt, gebeurt er in elke tweede regel wel iets waar je bij stil zou willen blijven staan. Blauwziek van Bernard Dewulf (Brussel, 1960) is zo’n bundel. In Notitie, het openingsgedicht van de bundel, schrijft hij:

In alle vroegte doodstil opstaan

om nog eens het eerste licht te zien.

Met iemand die opstaat om het eerste licht te zien is niets aan de hand, maar wat opvalt zijn de woorden «doodstil» en «nog eens». Het mooie is dat de lading die ik hierin zie niet opgelegd wordt door de dichter maar als mogelijkheid wordt aangereikt. In een lichter hoofd zouden de regels eenvoudigweg kunnen betekenen dat iemand heel stil opstaat om niemand te wekken, om nogmaals het eerste licht te zien. Maar er staat ook: ik stond op als een dooie om voor de allerlaatste keer het licht te zien.

Het blijkt vervolgens allemaal wel mee te vallen, maar de spanning zit erin:

Wassen, oude kleren aan. Koffie

en dan leven voor het open raam.

«Leven voor het open raam» is een beeld dat van twee kanten gezien kan worden: de dichter die voor het raam zit, maar ook het leven dat hij waarneemt en dat zich buiten voor hem afspeelt.

De meeuwen draaien om wat brood.

De kinderen slapen nog aan later jaren.

De duif zit dagelijks in de dakgoot.

De wolken lijken werkelijk te varen.

De dichter doet niet zijn best de zin op vreemde plekken af te breken, hij verzint geen vreemde woorden. Hij neemt waar en somt op. Een dag als deze is vaker door de dichter beleefd en hij accentueert de regelmaat met de punt die valt na elke regel. Het geeft deze strofe iets hamerends; zo is het, en niet anders. En toch zijn er dingen aan de hand die zich niet precies laten duiden, zoals de kinderen die «slapen nog aan later jaren». Zijn die kinderen er wel, of roept hij een beeld uit het verleden op?

«De wolken lijken werkelijk te varen», schrijft de dichter. Hij schrijft niet: «De wolken varen werkelijk», wat toch op hetzelfde neer was gekomen omdat je van een dichter onmiddellijk accepteert dat wat ergens op lijkt en wat precies zo is, wat impressie betreft, moeiteloos door elkaar kunnen lopen. Waarschijnlijk valt het de dichter op, misschien wel voor het eerst, dat de bekende omschrijving van varende wolken een treffende waarneming is.

Dit maakt allemaal niet zo veel uit. Er gebeurt wat, iets lijkt ergens op, iets blijft hetzelfde. Maar dan maakt de dichter de sprong naar het maken van het gedicht zelf:

Terwijl ik het zit op te schrijven,

geen andere vraag zie dan het kijken,

komt er traag beweging in het huis.

Nooit wil het bij kijken blijven.

De dichter geeft toe dat er niets anders opzit dan kijken. Hij ervaart de regelmaat om hem heen als een gebrek aan vragen. Het enige wat als een vraag aan hem blijft trekken, is: kijken.

Dan komt er beweging in het huis. Er staan anderen op in het huis, degenen die de dichter, «doodstil», eerder niet heeft willen wekken. Bovendien beweegt het huis zelf. Het huis lijkt zich in deze regel ongemakkelijk te voelen, als in een te krap kledingstuk, en begint zich uit de regelmaat, uit de gang van zaken en bijna uit het gedicht zelf te wringen.

De dichter besluit met de verzuchting dat het nooit bij kijken wil blijven. Hij zou het liefst alleen waarnemen en opgaan in wat hij ziet.

Maar de dingen gaan zich verplaatsen, en de dichter zal wellicht een andere plek moeten gaan zoeken om rustig te kunnen werken. Hij moet op zoek naar een betere tafel.