Op zoek naar de historische sensatie

JAN VAN AKEN
KONING VOOR EEN DAG
Querido, 264 blz., € 18,95

De klassieke historische roman is vrijwel dood. Wie schrijft nog een boek dat zich op een beslissend moment in een of ander verleden afspeelt en een beeld van dat verleden ensceneert? Met een held of heldin die zich daarbinnen moet zien te handhaven en waarin ook nog een veelomvattende problema-tiek wordt aangekaart? Schoolvoorbeeld bij ons is De vuuraanbidders (1947) van Simon Vestdijk. Tijd: het Bestand tijdens de Tachtigjarige Oorlog en de godsdiensttwisten. Problematiek: geloof en geloofaf-valligheid. Held: Arminiaan die atheïst wordt. Theun de Vries was de laatste, hij schreef meer dan twintig klassieke historische romans, nog in 1999 verscheen De wilde vrouwen van Pella, dat zich in het antieke Griekenland afspeelt en Euripides’ dramatische dichtwerk in een gefantaseerd kader plaatst. Louis Fer-ron schreef uiteraard een hele reeks romans die zich in het verleden afspelen, maar ‘klassiek’ in de be-tekenis die ik eraan geef waren ze niet. Geen brede tijdsbeelden, wel verwijzingen naar het heden, soms letterlijk. Ferrons romans zijn bij nader inzien eigentijdse boeken, waarin helden in een zompig en vaak onduidelijk verleden zijn geplaatst en langzaam tot moes worden vermalen. Je kunt ook de romans van A.F.Th. van der Heijden ‘historisch’ noemen, Het schervengericht (2007) speelt zich in het verleden af, maar een afgerond en uitgewerkt tijdsbeeld met een held die daarbinnen een duidelijke plaats krijgt wordt er niet in gegeven. Norman Mailers krankzinnige Ancient Evenings (1983), gesitueerd in het oude Egypte, zou je een goed voorbeeld van een klassieke historische roman kunnen noemen. Maar wel een weinig geslaagd voorbeeld, Mailer liet zich verleiden tot oeverloze uitweidingen over de farao’s, waar-mee hij een harde literaire wet overtrad. In historische romans moet je altijd net doen alsof je geen stu-die van een periode hebt gemaakt, ook al heb je je blauw gelezen. Het moet er tussen neus en lippen in staan.
In dat laatste is Jan van Aken geslaagd. In een verantwoording achterin zet hij een indrukwekkende hoeveelheid gelezen literatuur op een rijtje, gelukkig zonder daaraan een woordenlijst van gebruikte termen toe te voegen. Het gaat in een klassieke historische roman als deze niet om waarheid maar om geloofwaardigheid. Hij gebruikt bijvoorbeeld de term ‘forminx’ voor het instrument waarop de held van het verhaal, de zanger en dichter Hipponax, zichzelf begeleidt. Een slechte schrijver zou daar een ver-klarend betoog aan hebben besteed, met wie weet zelfs een tekening achterin, maar Van Aken weet met een paar gedoseerde toelichtingen een beeld van dit instrument voor ogen te toveren. Zo ook met de historische achtergrond. Nauwelijks plechtige uiteenzettingen over de onzekere politieke situatie in Ionië (destijds gelegen aan de Turkse kust) van de zesde eeuw voor Christus. Wel een paar beschrijvin-gen van langstrekkende soldaten en geruchten over een naderende oorlog. Genoeg om een context neer te zetten.
Toch heeft dit voordeel ook een nadeel. Van Aken is er niet in geslaagd bij mij een historische sensatie op te roepen, ik geloof dat het daar wel om zou moeten gaan in dit soort literatuur. Je moet het gevoel krijgen dat je werkelijk naar een compleet andere tijd bent verplaatst, dat de mensen er totaal ‘anders’ zijn. Helemaal kan dat uiteraard nooit lukken, je bent nu eenmaal een eigentijdse schrijver die noodza-kelijk vast blijft zitten aan eigentijdse hang-ups. Maar er zou in een historische roman als deze een po-ging moeten worden ondernomen het ‘andere’ van een periode te benadrukken. In De vuuraanbidders probeert Vestdijk het, hij laat essentiële verschillen met het heden zien, al blijft zijn held een typisch vestdijkiaanse tobber. Van Aken laat ‘het andere’ overigens wel zien, hij toont offerrituelen en in onze ogen merkwaardige gewoontes, maar hij benadrukt ze niet. Hij laat zijn figuren met elkaar spreken en omgaan alsof ze in het heden leven. Dus kom je teksten tegen als deze: ‘“Kijk uit met die wijn, jongen,” zei Pytheas tegen zijn zoon, “je moet er nog aan wennen.”’ Of: ‘Naar huis gaan wilde hij niet, hij kon geen ademtocht langer in de stad blijven. De schande moest op zijn gezicht te lezen zijn en hij verlang-de naar eenzaamheid.’ Het is niet vreemd genoeg, denk ik, zulk soort zinnen lees je ook in eigentijdse romans. Hoe het dan wel had gemoeten, weet ik niet, misschien had Van Aken moeten werken met een zelf bedachte taal, zoals Rosenboom dat deed in Gewassen vlees. Nu is het historische in zijn boek ontdaan van al het historische.
Er is nog een bezwaar. Van Aken slaagde er niet in zijn held een dwingende alomvattende problematiek toe te schrijven. Er moet een sturende kwestie zijn, een noodzaak die de held voortjaagt. Hier is die er niet, ja, er is een liefde die niet van de grond komt en Hipponax is teleurgesteld over de geringe erken-ning voor zijn kunst. Gefnuikte liefde kennen we al uit andere literatuur, daar hoeven we ons niet voor naar het verleden te verplaatsen en die miskenning is niet smartelijk genoeg. Dit is een avonturenboek geworden in een andere tijd, die toch de onze is. Wel met een paar hoogtepunten, bijvoorbeeld een schitterende gruwelscène op een schip wanneer een stel woeste vrouwen wraak neemt voor een ver-krachting. Ten slotte: Van Aken laat Hipponax in het begin van zijn carrière een epos over een strijd tus-sen muizen en kikkers schrijven. Waarom die niet in zijn geheel in de roman opgenomen? Van Aken zou het kunnen. Wat een kans!