Op zoek naar de naamloze (middeleeuwse) schrijver

Op zoek naar de naamloze schrijver

Van veel Middelnederlandse werken, bijvoorbeeld de ridderromans, is geen auteur bekend. Hoe onttrekken we hen aan de vergetelheid?

Stel het je voor: een literatuur waarvan de auteurs zich niet laten zien. Geen schrijvers bij praatprogramma’s, interviews noch foto’s in kranten, geen levensverhalen meer. Collecties in boekhandels geordend op titel, niet meer op naam. Het is eigenlijk niet voorstelbaar: geen enkele hedendaagse schrijver zou voor die anonimiteit kiezen. Waarschijnlijk zou zijn winst gering zijn. Wie stilte kiest, kiest vergetelheid.
Het zijn evenwel een stilte en een vergetelheid waarmee medioneerlandici maar al te goed vertrouwd zijn. Van veel Middelnederlandse werken is geen auteur bekend. Neem bijvoorbeeld de ridderromans, waarvan we er zo’n tachtig hebben. Van slechts een stuk of tien kunnen we de dichters bij naam noemen: Jacob van Maerlant, Diederic van Assenede, Penninc, Pieter Vostaert, Segher Diengotgaf. Zelfs bekende topstukken als Beatrijs en Karel ende Elegast zijn anoniem overgeleverd. En als we een schrijver kennen, ontbreken biografische gegevens. Over levensloop, schrijverschap of karakter: helemaal niets.

Dat gemis aan dichterlijke persoonlijkheden was voor sommige literatuurhistorici lange tijd geen probleem. Een enkeling zocht zijn heil in speculatieve, fantasierijke biografieën, zoals wel gebeurd is bij Willem, de schrijver van Van den vos Reynaerde. Maar de meeste onderzoekers lieten de auteur links liggen. In de geest van de jaren zestig en zeventig richtten ze zich op andere dimensies van de letterkunde, op haar maatschappelijke functie, op lezers, luisteraars en opdrachtgevers. Geïnspireerd door Roland Barthes’ verkondiging van «de dood van de auteur» in 1968 vroegen velen zich af of de schrijver werkelijk zo relevant was. Was het geen romantische, negentiende-eeuwse gedachte dat een dichter individualiteit en originaliteit nastreefde? Moest je de middeleeuwse literatuur niet eerder zien in haar maatschappelijke context dan als de creatie van een eigenzinnig artiest? De middeleeuwse schrijver verdween zo naar de achtergrond, steeds verder, alsof hij er nooit was geweest.

Merkwaardig is dat eigenlijk. Want die schrijver heeft natuurlijk wel degelijk bestaan, en vanzelfsprekend is zijn invloed op het kunstwerk niet te overschatten. Tenslotte heeft hij de pen vastgehouden en de woorden gekozen. Het feit dat we zo weinig grip hebben op de individuen achter die oude teksten betekent niet dat ze nooit gekend wilden worden. Het zegt waarschijnlijk meer over onze onmacht hun individualiteit te doorgronden. Maar waar begin je dan, als je die schrijvers weer tot leven wilt wekken?

Laten we terugkeren naar de dichters van de Middelnederlandse ridderpoëzie, dat zo anonieme genre, en ons de eenvoudige vraag stellen: hoeveel van hen zijn er eigenlijk geweest? Bij benadering valt die vraag wel te beantwoorden. We kennen zeven Vlaamse auteurs van epische poëzie bij naam. Daar zitten bekende en onbekende tussen: Willem, Diederic van Assenede, Jacob van Maerlant, Loy Latewaert, Penninc, Pieter Vostaert, en Philip Utenbroeke.

Daarnaast zijn er 29 anonieme ridderromans geschreven in een onomstotelijk Vlaams dialect. Het is mogelijk dat de zeven bekende dichters de schrijvers zijn geweest van die anonieme romans. Maar het is ook mogelijk dat de 29 teksten stuk voor stuk geschreven zijn door andere auteurs. Kortom, minimaal zijn er zeven Vlaamse epische schrijvers geweest, maximaal 36 – tenminste als je al de verloren gegane werken niet meerekent, alsmede de fascinerende mogelijkheid dat een werk door verscheidene auteurs is vervaardigd.

Op het eerste gezicht een nogal grote marge, maar toch, deze rekensom zet aan het denken. Zou bijvoorbeeld de volledige Vlaamse epiek het werk kunnen zijn van slechts een zevental dichters? Dat is mogelijk, zo toont Jacob van Maerlant, die een oeuvre van meer dan tweehonderdduizend verzen bijeenschreef. Of zitten er, in plaats van zulke oeuvrebouwers, juist veel eendagsvliegen tussen, die een eenmalig romannetje in de volkstaal op schrift stelden? En is het toevallig dat het allemaal mannen zijn, die dichters die we bij naam kennen? Waar zijn toch de epische vrouwen?

Talenten en temperamenten

Stel nu eens dat we met een schatting van zo’n twintig epische schrijvers niet ver naast de waarheid zitten. Waar moet je hen dan situeren, in dat Vlaanderen van midden dertiende, begin veertiende eeuw? Hebben ze elkaar gekend? Wellicht vinden we hen in steden als Gent en Brugge, waar een levendige economische en culturele bedrijvigheid heerste. Je ziet het voor je, die dynamische steden, vol reputaties en ego’s, talenten en temperamenten, bijna als in de grachtengordel, om een anachronisme te gebruiken.

Een mooie echo van die verschillende karakters hoor je nog in de bekendste Nederlandse Arturroman, de Walewein. De tekst kent twee auteurs. De ene, Penninc, rijmt mooi en omslachtig en laat zijn personages hoofs praten. De andere, Pieter Vostaert, smeedt opvallend minder gemakkelijk verzen, maar gebruikt wel allerlei excentrieke Franse woorden. Hij legt bovendien zijn personages met veel plezier grove taal in de mond, soms zelfs scheldwoorden, zoals quade schite of openbare wijf. Je ziet hier twee middeleeuwse dichters schitterend hun eigenheid tonen.

En zoiets geldt voor veel meer schrijvers van die epiek. Wie goed kijkt en leest, ontwaart allerlei eigen stemmen. Bijvoorbeeld die van de humoristische maker van Ferguut, of die van de gepassioneerde dichter van Vanden levene ons Heren, of die van de speelse formalist van de Vlaamse Rose. Inderdaad zullen weinig van hen zich gemakkelijk hebben gevoeld aan de keuveltafel van Pauw en Witteman. Maar dat betekent niet dat onze oudste schrijvers schuchtere anonymi wilden zijn, zonder enige artistieke geldingsdrang.

Literaire karaktermoord

Niet iedereen was daarvan gediend. Omstreeks 1280 schreef Jacob van Maerlant een fel stuk gericht tegen enkele collega-dichters. Namen noemt hij helaas niet – is dat bewust? – maar het lijkt er sterk op dat hij de schrijvers van de Middelnederlandse ridderroman in het vizier heeft. Zij verkondigden, aldus Maerlant, allerlei onware verhalen over koning Artur en Karel de Grote. Zoiets wekte Maerlants wrevel, omdat hijzelf streefde naar een waarheidsgetrouwe berichtgeving over historische figuren. Maar dat is niet het enige. Maerlants tirade hangt ook samen met een heel andere opvatting van literatuur, een serieuzere. Telkens benadrukt hij de mooie woorden van de ridderromans, die vraye historien vermorden met sconen rime, met scoenre tale, zo zegt hij ergens. Ware geschiedenissen vermoord door schoonheid. In plaats van waarheid zochten de epische schrijvers in zijn ogen blijkbaar te mooie woorden, te veel stijl.

Opmerkelijk hierbij is dat Maerlant de schrijvers van de ridderromans denigrerend aanduidt als minstrele. De term minstreel verwijst naar rondtrekkende speellieden en jongleurs uit vroegere eeuwen, die met muziek en zang ridderlijke verhalen ten gehore brachten. Een goede naam hadden ze niet. Door zijn opponenten te betitelen als minstrelen zet Maerlant hen karikaturaal weg als speelse en onbetrouwbare praatjesmakers van weleer, als een gedateerd verschijnsel. Een soort literaire karaktermoord is het, bedoeld om de epische auteurs voorgoed naar de vergetelheid te schrijven, en de eerste in een lange reeks die we in de Nederlandse letteren zouden meemaken.

Van de aangevallen dichters is overigens geen repliek overgeleverd. Zij hullen zich naamloos in stilte. * Joost van Driel is neerlandicus