Op zoek naar de onbesmette blik

K. Michel, Boem de nacht. Uitgeverij Meulenhoff, 52 blz., f34,90
ALS IK AAN DE dichter K. Michel denk, schieten mij gewoonlijk als eerste de volgende regels te binnen: ‘Dichter!/ Kam je haar, poets je schoenen!/ Trek je innerlijk aan!’ Het zijn de beginregels van een gedicht waarvan ik altijd heb gedacht dat het ‘Credo’ heette. Maar nu ik het weer terugzoek in Michels eerste bundel, Ja! Naakt als de stenen (1989), zie ik dat het helemaal geen titel heeft. Hoe kwam ik toch bij die titel? Ik herinner me dat ditzelfde gedicht ooit werd gepubliceerd in de bloemlezing Maximaal, maar als ik het daar vervolgens in opzoek, blijkt het ‘Coda’ te heten. Nogal een verschil: credo (geloofsbelijdenis) of coda (slot van een muziekstuk).

Maar, ziet u, het komt zo: de regels van Michel formuleerden voor mij zoiets als een opdracht voor een hele, en dan natuurlijk mijn eigen generatie. En als je dichtregels zo begint te lezen, dan lees je al snel over de daarin vervatte paradoxen heen. Je maakt er een slogan van, iets eenduidigs, iets wat je kunt gebruiken voor (in dit geval) literatuurpolitieke doeleinden. Zo las ik dan in dat ‘trek je innerlijk aan’ een oproep tot de terugkeer naar echtheid in een literair klimaat dat was vergeven van pose, zelfrelativering en loze gebaren binnen een maatschappij die van dichters en schrijvers kunstjes verlangde, amusement.
Voor mij was het dus inderdaad zoiets als een geloofskwestie, een zaak van leven op dood zelfs, dat een nieuwe generatie (de mijne) de weg terugvond naar de echtheid. Het ging niet om een poezie die al op voorhand haar eigen inzet relativeerde door opzettelijk grote, maar tegelijkertijd welbewust loze gebaren te maken, zoals bij veel van de Maximalen het geval was. Dat leidde maar tot cynisch lawaai om het lawaai. Evenmin kon het nog langer gaan om een poezie die voortdurend wees op haar eigen, enkel tekstuele karakter: de dichtkunst die op zoek was naar juist 'het zwijgen van de wereld’, naar het 'paginawit’, zoals het in de hermetisch genoemde dichtkunst heette. Nee, het ging om een poezie die de wereld juist weer tot spreken wist te brengen.
IK GELOOF NOG STEEDS dat je Michels regels in dit perspectief zou kunnen lezen. Alleen, ik merk dat ik vandaag de dag nog maar nauwelijks de neiging heb om dat te doen. Het 'trek je innerlijk aan’ is voor mij geen strijdkreet meer, maar de paradoxale formulering van iets wat je een levensgevoel zou kunnen noemen. Het drukt weliswaar een diep verlangen uit naar een poezie waarin het innerlijk van de dichter weer onvervalst tot uitdrukking wordt gebracht, maar dat verlangen staat niet los van het besef dat dat innerlijk zich vandaag de dag onmiddellijk als iets uiterlijks voordoet: als een jas die men aantrekt. Michels regels drukken zo bezien zowel het gemis aan als het verlangen naar het innerlijk uit. Dat zo'n dichter ooit een gedicht zou schrijven met de titel 'Credo’ lijkt me nu onmogelijk.
Dat ik dat destijds toch dacht, heeft misschien ook te maken met de toon van Michels eerste bundel. In Ja! Naakt als de stenen staan veel gedichten met uitroeptekens, is er zelfs in een enkel gedicht een scheepstoeter gepakt om keihard, een-regelig 'Bwoehoehoehoehoeoeoeoeoeoeoeoe!’ te roepen, en wordt de lezer met een dreigend 'Ik sla terug’ gewaarschuwd. De bundel zelf had iets strijdbaars. 'Yaaaa!/ Het leven voorbij de namen/ Yaaaa!’, las je bijvoorbeeld. Steeds zag je de dichter op een ongezadeld paard springen om god-weet-waar-naartoe te galopperen, op zoek naar een einder waar alle door de cultuur bepaalde betekenissen van de wereld plaatsmaakten voor de wilde, onbesmette blik. Want dat was wat de dichter wilde: tabula rasa maken in een soort whitmaniaans salut au monde.
IN MICHELS TWEEDE bundel, Boem de nacht, staat het er zo: 'Liep je maar lang genoeg door, dacht ik/ dan viel je over de rand van de wereld/ en belandde in de blanco legenda.’ Hier wordt hetzelfde verlangen geformuleerd, maar de toon is totaal anders. De dichter zit hier niet langer als een Witte Veder op Winnetou te paard. Hij is als de veerboot die in het gedicht 'Onder een open hemel’ dagelijks tussen twee oevers heen en weer vaart, die veerboot die op een doordeweekse ochtend, 'uren over tijd, ver buiten het hoekje’ stil komt te liggen 'in het midden van de engte/ zonder te vlaggen, zonder te loeien/ zonder voor anker te gaan// omzwermd door krijsende meeuwen/ ligt de veerboot stil en wacht/ in een dwars soort laissez-faire/ op de stroom die koers zal zetten/ naar de volgende, de derde oever.’
Het vlaggen en loeien uit Michels debuut hebben in deze bundel plaatsgemaakt voor 'een dwars soort laissez-faire’, een zekere disponibiliteit, waarbij de dichter als het ware voortdurend op de grens van zichzelf balanceert, wachtend tot hij verschijnt. Je zou kunnen zeggen dat Michel zich in deze bundel rond de blinde vlek van zijn eigen innerlijk beweegt, maar dat is een paradoxale uitspraak. Want wie is het dan die hier rond wat beweegt? 'De klap op de spijker/ trilt in de hamer door’, schrijft hij, en daarmee wordt het bijna de spijker die hier een klap uitdeelt aan de hamer die hem raakt.
In Boem de nacht zijn met andere woorden alle bestaande betekenissen van de wereld opgeschort, is alles onzeker. In de eerste afdeling van de bundel worden de gordijnen opengeschoven en komt de wereld bij de dichter binnen. Hij tekent op wat hij ziet, maar tegelijkertijd weet hij niet wat het te betekenen heeft: 'waar ben ik, waar was ik gebleven’, vraagt hij zich aan het eind van het eerste gedicht af. En dat gedicht wordt gevolgd door een aantal raadselachtige door- en inkijkjes: van een man met een goudvis en een schijnzwangere vrouw in een kamer die gaandeweg tot een circuspiste wordt, van een meisje dat ’s ochtends na een feest ontwaakt in een leeggepompt zwembad, van een vrouw met een sousafoon, van een boulimisch meisje dat staande voor de koelkast wordt bezocht door het gevoel 'dat het niet haar/ handen maar die van haar moeder zijn die/ door haar lichaam heen de koelkast leeggraaien.’
Het zijn gedichten van iemand die leeft in wat de Franse schrijver Henri Michaux wel 'verstrooiing’ noemde: de geestelijke desintegratie die onder meer tot uitdrukking komt in een uiteenvallende wereld en een uiteenvallend lichaam: 'rondom mijn lichaam/ stuift nu een wolk veren op// dan moet ik dus een gebarsten/ hoofdkussen zijn, liefste/ of een vogel die wordt geplukt.’ Die desintegratie is enerzijds het gevolg van een afkeer van de wijze waarop normaliter - dat wil zeggen: in onze cultuur - de samenhang van de wereld wordt voorgesteld. Zij is een bewuste afrekening met de algemeen geldende normen en waarden en duidt op dezelfde strijdbaarheid, het engagement als men wil, die zich in Michels debuut nog voornamelijk in uitroeptekens vertaalde. Maar anderzijds is die desintegratie het gevolg van het onvermogen om de afkeer van de 'normale’ werkelijkheid te vertalen in een nieuw concept, een nieuwe ideologie, zoals uit het laatste gedicht van de bundels blijkt.
'Ik sloeg de school der poezie van Gorter op’, leest men daar, 'de hoekposten van Michaux, de wijsbegeert van Paape/ het logboek van Albion Moonlight/ en het huwelijk van hemel en hel van Blake// Maar de deuren van de waarneming/ werden niet gereinigd, een toekomstverschiet/ toonde zich niet en van een scherping/ van de utopische blik was geen sprake/ laat staan dat ik de wereld in een zandkorrel zag.’
Tussen afkeer van de gangbare invulling van de werkelijkheid en angst voor het volledige zelfverlies is Michel hier zoekende. Naar die 'derde oever’, naar 'een tussenstof, ether, het vijfde element’, op zoek naar nog steeds diezelfde einder waar de wereld bevrijd is van alles wat wij mensen er in de loop der eeuwen van hebben gemaakt. Zijn laissez-faire is inderdaad van een dwarse soort: het is niet een onverschillig, cynisch laat-maar-waaien. Zij is van een alerte soort, een ingespannen, geconcentreerd wachten totdat de deuren van de waarneming worden gereinigd.
Misschien is het overbodig om nu te zeggen dat ik dit prachtige poezie vind en dat ik in deze poezie een levenshouding uitgedrukt vind die ik kenmerkend acht voor een hele, voor mijn eigen generatie? En dat wie deze bundel van Michel leest, wel het gevoel moet krijgen dat hem zijn eigen innerlijk wordt aangetrokken? Lezer, kam je haar, poets je schoenen, lees Michel.