Paranoia als verdediging tegen onverschilligheid

Op zoek naar de onzichtbare hand

Waarom kan nooit iets ‘zomaar’ gebeuren? Waarom willen we altijd diepere oorzaken zien voor de meest willekeurige gebeurtenissen?

Medium nyc14496

Er zit een heel fijne scène in het eerste seizoen van Mad Men (al moet gezegd, er zitten heel veel fijne scènes in ieder seizoen van Mad Men), wanneer Don Draper op bezoek gaat bij zijn minnares, de kunstschilderes Midge. Het is 1960, New York. Don als reclameman zit strak in het pak, hoed op – al ziet de zijscheiding in zijn zwarte haar eruit als iets wat Oosterschelde-windkracht negen zou weerstaan. Hij klopt op de deur in de veronderstelling dat zijn meisje, zoals zo vaak, in puntig brassière opendoet. Nu niet; de deur wordt geopend door een artistieke jongen met lang haar en een baard. Een tweede jongen met een fez op hangt op de bank samen met twee andere meisjes. Het zijn vrienden van Midge, een Beat.

De twee jongens proberen Don op de kast te jagen. Ze dagen hem uit, zetten hem als bourgeois in de hoek, proberen hem iets te laten zeggen dat een wig zou drijven tussen hem en zijn vriendin. Don hapt niet en als hij de jongen met de baard naar zijn vriendin ziet kijken, merkt hij ineens – zoals hij dat kan, met het welhaast telepathische vermogen om in de kleinste blikken en versprekingen iemands diepste drijfveren te ontwaren – dat de jongen verliefd is op zijn minnares. Liefde, zegt de jongen bluffend, dat is zo bourgeois. Iets wat mensen als Don bedacht hebben om chocolade te verkopen. De jongen met de fez gaat nog even door. Jij met je reclame, jij dient de geheime meesters van het kapitalisme van het industrieel complex. You create the lie.

Ik vind het vervelend dat ik het je moet vertellen, zegt Don. Maar er is geen grote leugen. ‘There is no system. The universe is indifferent.’ Voor het eerst weten de hippies niets te zeggen. Bij eentje valt de mond open, alsof hij ineens bijkomt uit zijn marihuana high. Kom op man, zegt-ie, waarom moet je dat nou weer zeggen? Wat een downer.

Don staat op en stopt, even superieur als denigrerend, een cheque die hij als bonus heeft gekregen in het shirt van zijn vriendin. Koop er een auto van, zegt hij tegen haar en de jongen met baard. Ga samen op pad, neem het ervan.

Waarom willen de hippies liever geloven dat er een onzichtbare, kwaadwillende hand regeert dan dat er niets behalve chaos en willekeur zegeviert? Of breder: waarom willen wij dat allemáál liever geloven? Dat was de conclusie van een New Yorkse brandweerbrigadier die tijdens een hoorzitting voor de 9/11-onderzoekscommissie gevraagd werd of hij een idee had waarom toch zoveel mensen weigerden te geloven dat de brand de verschillende gebouwen op het wtc-terrein had doen instorten. Mensen weigerden te accepteren dat de reddingsdiensten niet omnipotent waren, ‘want in films zijn ze dat uiteindelijk altijd wel’. Dat chaos niet altijd in te dammen is, was te hard om te slikken.

In de mens zit een aangeboren afkeer van dingen die ‘zomaar’ gebeuren. De Britse evolutionair-bioloog Lewis Wolpert suggereerde dat de mens ‘cognitive imperative’ heeft, wat erop neerkomt dat de mens in de evolutie heeft geleerd dat hij, om te overleven, lessen moet trekken uit eerdere acties, en dit ‘causualiteitsgen’ zorgde ervoor dat we ontdekten hoe vuur en gereedschappen werken. Op het moment dat er iets essentieels gebeurt waar we geen les uit kunnen trekken – een eenzame gek schiet een president neer, een populaire prinses verongelukt in Parijs – stokt er iets in onze hersenen. We voelen dat er iets tekortschiet en worden getriggerd te denken dat we iets over het hoofd zien, dat er iets is wat als oorzaak en gevolg uitgelegd moet kunnen worden.

Natuurlijk waren de jaren zestig buiten­gewoon vruchtbaar voor de onzichtbare hand. Nog voordat het decennium begon verschenen er twee succesvolle boeken die het Amerikaanse publiek erop wezen dat er zich meer afspeelde in het alledaagse leven dan met het blote oog zichtbaar was. Het eerste kwam van de hand van de journalist Vance Packard: de bestseller The Hidden Persuaders (1957), waarin Packard uitlegde hoe de reclame-industrie en de media het Amerikaanse publiek zo probeerden te manipuleren dat het verlangens kreeg en levens wilde leiden waar het anders nooit bij stil had gestaan. Entree Don Draper. Het tweede lag direct in de lijn van Packard, alleen nu op een andere, meer sinistere schaal: het eveneens succesvolle Masters of Deceit (1958) over hoe communisten op een zelfde clandestiene manier het alledaagse Amerikaanse leven probeerden te beïnvloeden, geschreven door niemand minder danfbi-baas J. Edgar Hoover.

Toen de jaren zestig eenmaal aanbraken en chaotischer uitpakten dan wie dan ook had kunnen voorzien, tik na tik tegen het causualiteitsgen – Marilyn Monroe, John Kennedy, Malcolm X, Martin Luther King, Robert Kennedy –, werden ze ook nog eens afgesloten met de verkiezing van Richard Nixon, wiens presidentschap met het Watergate-schandaal al snel zou bewijzen dat de geheime hand wel degelijk bestond en tot op presidentieel niveau opereerde.

Dit was geen gebied voor aanhangers van complottheorieën, vandaag de dag de habitanten van chatfora op donkere stukjes van het internet, maar een communis opinio, zeker onder jongeren en hoogopgeleiden. Gezaghebbende tijdschriften als The New Republic en The New York Review of Books publiceerden artikel na artikel over wat er echt zou zijn gebeurd op 22 november 1963, toen president Kennedy in zijn open auto de fatale rondrit door Dallas maakte. Een grote landelijke opiniepeiling die verscheen na de publicatie van het rapport van de Warren-commissie (het officiële orgaan dat de aanslag onderzocht) wees uit dat slechts een derde van de Amerikaanse bevolking geloofde dat Lee Harvey Oswald alleen achter de aanslag op Kennedy zou zitten. Het geheime complot achter de aanslag op de jonge president was eind jaren zestig zo’n vaststaand feit voor de intellectuele klasse, dat Woody Allen er altijd grapjes over maakte in zijn stand-up optredens, en zei dat hij werkte aan een filmscript dat ‘een non-fictie­versie van het Warren-rapport’ was (even veelzeggend is overigens om te lezen wat Geert Mak in de jaren zeventig in De Groene Amsterdammer schreef, voordat hij een vriendelijke historicus werd, volledig overtuigd dat de raf-kopstukken geen zelfmoord hadden gepleegd, maar waren geëxecuteerd door de Duitse geheime dienst).

Bozer en meer to the point was de grap van de vaak controversiële Amerikaanse komiek Bill Hicks, begin jaren negentig: ‘Ik heb het idee dat wanneer je tot president wordt gekozen, zoals Clinton was, dat wat je ook belooft tijdens verkiezingen – blabla – dat als je wint, je naar een rokerige kamer wordt gebracht waar twaalf industriële, kapitalistische topmannen zitten, en dan komt een tv-scherm te voorschijn… En je ziet haarscherpe beelden van de Kennedy-aanslag, alleen gefilmd vanuit een perspectief dat je nog nooit eerder gezien hebt, maar wat verdacht veel op de grassy knoll lijkt… En dan gaat het scherm weer omhoog, de lichten gaan aan, en dan vragen ze de nieuwe president: “Nog vragen?” “Euhm, alleen wat precies mijn agenda wordt.”’

Het laat inmiddels weinig aan de verbeelding over dat Oswald geen deel uitmaakte van een groter geheel. In tegenstelling tot wat ‘believers’ geloven was hij wel degelijk een uitstekend schutter, had hij genoeg tijd om zijn drie schoten te lossen, had hij kort daarvoor aan zijn vrouw toegegeven een aanslag gepleegd te hebben op de veelbesproken majoor-generaal Edwin A. Walker (hij miste; de kogel die de fbi aantrof was afgevuurd met hetzelfde geweer dat Kennedy trof) en de zogenaamd ‘magische kogel’ (een kogel die zowel Kennedy tweemaal trof als de gouverneur voor hem) legde geen gek traject af, maar als je kijkt hoe de gewonden waren gesitueerd in de auto een juist heel logische baan. Desalniettemin, nog steeds staat op Oswalds Wikipedia-lemma niet dat hij de moordenaar van Kennedy was, maar ‘de moordenaar, volgens vier verschillende overheidsonderzoeken’. De slag om de arm blijft.

Het idee dat de grote buitenwereld samenspant om ons dingen aan te doen, begint in onze binnenwereld, bepleitte de bekende letterkundige Elaine Showalter in haar boek Hystories: Hysterical Epidemics and Modern Culture (1997). Showalter zette in haar studie een aantal paniekuitbraken over morele en gezondheidskwesties in Groot-Brittannië en de VS achter elkaar, onder meer het Golfoorlog-syndroom en de explosieve toename van vermeend kindermisbruik, en kwam tot de conclusie dat paranoia een vorm van hysterie was, de externe manifestatie van interne, verdrukte emoties. Hysterie, zoals Freud het aan het einde van de negentiende, begin twintigste eeuw benoemde, heeft een nieuw label gekregen. Patiënten die er vandaag aan lijden geven niet meer hun eigen emoties de schuld, maar zoeken de oorzaak bij virussen, chemische wapens, kapitalistische samenzweringen en, populair in de jaren negentig, buitenaardse infiltraties. Wat is er veranderd? Massamedia, zegt Showalter. In de jaren zestig kwamen radio, televisie en reclame zo snel opzetten dat het voor de generatie toen welhaast een overdaad aan prikkels opleverde. Ineens probeerde de wereld non-stop met je te communiceren, dat je ook de stemmen hoorde als je je ogen dichtdeed.

Maar dat zijn de geesteszieken. Hoe komt het dat, in 2004 in een grote peiling van het Amerikaanse bureau Zogby, veertig procent van alle New Yorkers onder de dertig geloofde dat de Amerikaanse overheid ‘op z’n minst’ voorkennis had van de aanslagen van 11 september? De Engelse journalist David Aaronovitch stelt die vraag in het buitengewoon leeswaardige Voodoo Histories: The Role of the Conspiracy Theory in Shaping Modern History, uit 2009. In Voodoo Histories kan Aaronovitch het niet laten met een fijn ingehouden gevoel voor ironie (en een uitstekende feitenkennis en een flinke portie logica) veel complottheorieën onderuit te halen, maar wat hem echt interesseert is niet zozeer welke argumenten de aanhangers ervan aanvoeren voor hun thesis, maar waarom ze überhaupt in een onwaarschijnlijke thesis geloven. Het is belangrijk om te beseffen, zegt Aaronovitch, dat de theorieën meestal bij de slachtoffers van de geschiedenis vandaan komen, de McGovern-liberalen in de tijd van Richard Nixon, de socialisten en pacifisten in het decennium van Margaret Thatcher, het onverenigbare Amerikaanse Rechts tijdens de Clinton-regering, het uiteengeslagen Amerikaanse Links tijdens de tweede Bush-regering. Aaronovitch citeert toneelschrijver David Mamet: ‘It is in our nature to dramatize.’ Volgens Mamet is het een essentieel onderdeel van de menselijke psychologie om tegenslagen in een narratief te plaatsen, zodat we ze kunnen begrijpen.

Aaronovitch had ook Don DeLillo kunnen citeren, wiens literaire oeuvre draait om complotten en paranoia, en die in zijn roman Mao II (1991) schrijft: ‘News of disaster is the only narrative people need. The darker the news, the grander the narrative.’

Aaronovitch schrijft met een zeker begrip. Telkens als hij kijkt wie de grootste voorvechters van een bepaalde onzinverklaring zijn, dan blijken dat mensen die ergens een teleurstelling te verwerken hebben gehad. Het zoeken naar de onzichtbare hand helpt ze over de teleurstelling heen. Bovendien, als een onzichtbare hand in staat is mensen op grote of kleine schaal kwaad te doen, dan is het wellicht ook mogelijk, volgens soortgelijke technieken, dat een onzichtbare hand goed kan doen op grote of kleine schaal. We geloven in de geheime aansturing in chaos, niet omdat de chaos slecht is, maar omdat er tegenover slecht altijd goed moet kunnen staan. Met instemming citeert hij een Engelse psycholoog, Stephen Grosz, die onder zijn eigen patiënten jarenlang onderzoek deed naar paranoia, en tot de conclusie kwam dat dit een natuurlijke verdediging is tegen onverschilligheid. Zijn eenzame patiënten vreesden dat er in hun lege huis een inbreker op hen wachtte. Zijn oudere patiënten, vaak in een levensfase waar weinig anderen nog geïnteresseerd waren in wat ze dachten, vreesden dat iemand hun identiteit zou stelen. Deze angsten maskeerden hun werkelijke rampbeeld: dat niemand in ze geïnteresseerd is. Of zoals Susan Sontag opmerkte: ‘I envy paranoids. Zij hebben tenminste nog het gevoel dat iemand ze in de gaten houdt.’


Beeld: Susan Meisalas / Magnum / HH