Op zoek naar de zweedse connectie

Meer dan tien jaar heeft een speciaal team van de Zweedse politie in alle windrichtingen gezocht naar de moordenaar van Olof Palme. De lijst van mogelijke daders en betrokken organisaties leest als een palmares van de overledene.

Palme presteerde het om de persoonlijke en institutionele haat van zoveel organisaties op zich te laden dat hij alleen al daarom een goed mens moet zijn geweest: de CIA en de KGB, Turkse nationalisten en Koerdische terroristen, de Israelische en Iraanse geheime diensten, de maffia, de nucleaire lobby, multinationals, racistische organisaties, tirannieke derde-wereldregimes, de wapenindustrie, enzovoort. Het is te mooi om waar te zijn - en bij nader inzien ook niet waarschijnlijk - dat een onthulling door twee voormalige Zuidafrikaanse staatsterroristen klaarheid in de zaak brengt. Hun verklaringen vormen hoogstens het begin van een mogelijke opheldering van de toedracht.
Volgens de kolonels Eugène de Kock en Dirk Coetzee, beiden jarenlang werkzaam voor de Zuidafrikaanse veiligheidspolitie, heeft hun voormalige chef Craig Williamson in 1985 opdracht tot de moord gegeven. Williamson leidde de operatie Lange Arm, gericht tegen de anti-apartheidsbeweging buiten Zuid-Afrika, en beschikte dus over zowel de middelen als het motief. Daar houdt de geloofwaardigheid van de beschuldiging echter op. Het bespottelijk lage bedrag dat volgens De Kock voor de moord werd uitgetrokken (25-duizend gulden) bewijst al dat hij niet de hele waarheid spreekt.
En waarom zou hij ook? Beide heren hebben een verleden als bezoldigd koppensneller en zijn qualitate qua ongeloofwaardig. De Kock is veroordeeld voor 89 misdaden, waaronder zes moorden, en probeert nu strafvermindering te krijgen met dit soort onthullingen over zijn vroegere bazen. Tijdens zijn proces verklaarde hij onder meer dat de ex-premiers Botha en De Klerk op de hoogte waren van de misdaden van de veiligheidspolitie, maar ook deze aantijgingen werden ingegeven door rancune. Bij een andere gelegenheid liet hij namelijk weten dat hij Botha en De Klerk als ‘verraders van de apartheid’ beschouwde. Ook Coetzee is een rasopportunist. Hij wordt er onder meer van verdacht in 1981, als leider van een doodseskader, de anti-apartheidsactivist Griffiths Mxenge te hebben laten vermoorden. Toen een zwarte agent in 1989 het bestaan van zijn doodseskader onthulde, koos Coetzee eieren voor zijn geld en liep over naar het ANC. Hij probeert momenteel bij de Waarheidscommissie amnestie te krijgen.
Om hun beschuldiging geloofwaardiger te maken, zullen De Kock en Coetzee tenminste de Zweedse connectie van de Zuidafrikaanse veiligheidspolitie moeten noemen. Zonder zo'n connectie had de moordenaar nooit straffeloos kunnen toeslaan èn ontsnappen. Te denken valt aan de extreem-rechtse organisatie binnen de Stockholmse politie, de Honkbal Liga. Of aan het Zweedse stay behind netwerk, dat in de jaren vijftig werd opgezet door de latere CIA-chef William Colby, dezelfde die enkele jaren later ook de Italiaanse Operazione Gladio opzette. Waartoe die organisatie in staat was, weten we inmiddels.