John Green, Jeugdroman, vertaald door Aleid van Eekelen

Op zoek naar een Groot Misschien

John Green

Het Grote Misschien

Jeugdroman, vertaald door Aleid van Eekelen-
Benders

Lemniscaat, 254 blz., e 14,95

«Hij was geschokt door de overweldigende openbaring dat de roekeloze race tussen zijn tegenspoed en zijn dromen op dat ogenblik de eindstreep bereikte. De rest was duisternis. ‹Wel verdomme›, verzuchtte hij. ‹Hoe kom ik ooit uit dit labyrint!›»

Het zijn de laatste woorden van Simón Bolívar, de negentiende-eeuwse bevrijder van noordelijk Zuid-Amerika, in Gabriel García Márquez’ historische roman De generaal in zijn labyrint. Dit citaat staat samen met de laatste woorden van de zestiende-eeuwse Franse dichter François Rabelais, «Ik ga op zoek naar een Groot Misschien», centraal in het indrukwekkende debuut van de Amerikaanse John Green: Looking for Alaska, vertaald als Het Grote Misschien.

Hoofdpersoon is de filosofisch ingestelde zestienjarige Miles Halter, die gefascineerd is door famous last words omdat mensen vaak sterven zoals ze hebben geleefd. Hij verlangt naar het «echte» leven, besluit zijn saaie veilige leventje in Florida vaarwel te zeggen, verhuist naar Culver Creek, een kostschool in Birmingham, Alabama, en gaat op zoek naar Rabelais’ «Grote Misschien». Op Culver Creek sluit hij vriendschap met zijn kamergenoot Chip Martin, een beursstudent die vanwege zijn autoritaire gedrag en napoleontische uiterlijk «de Kolonel» wordt genoemd, de Japanse Takumi, de Roemeense Lara met de «parmantige borsten» en de beeldschone, sexy, feministische, maar vooral mysterieuze Alaska.

Zoals de oorspronkelijke titel verklapt draait het verhaal om de vraag wie Alaska is. Wie is zij, die anderen aan het lachen maakt, te veel wijn drinkt en te veel rookt? Wie is zij, die als veellezer en eigenaar van torenhoge stapels boeken ook een «lukrake verzameling literatuur» is en Miles met Márquez’ De generaal in zijn labyrint het «echte» leven en het «Grote Misschien» in katapulteert, waar(na) zij hem ontredderd achterlaat?

Het Grote Misschien lijkt in eerste instantie op de geijkte kostschoolroman: veel stunts, strijd tussen de rijke «doordewekers» en de «blijvers», eerste echte vriendschap, eerste grote liefde, eerste keer seks, eerste keer roken, eerste keer dronken. Maar Green heeft een oorspronkelijke, inspirerende stijl. Hij schrijft vlot en wisselt humorvolle treffende beschrijvingen als «de duizend-meter-blik-der beneveling» en «een jurist-die-graag-golft in wording» af met beelden vol geur en kleur en ironische dialogen tussen Miles en Chip en Miles en Alaska. Bovendien gaf hij Miles, die over zijn kostschooltijd verhaalt alsof het een terugblik betreft, een unieke, beurtelings laconieke en vurige toon. En als na Miles’ deelname aan het schijnbaar luchtige lang-leve-de-lol-spel hem onherroepelijk Bolívars ondoorzichtige labyrint wacht, de doolhof van het leven waarin iedereen vroeg of laat, voor korte of lange tijd verdwaalt, blijkt Het Grote Misschien alles behalve de geijkte kostschoolroman.

De tweedeling van het boek, «ervoor» en «erna» en de hoofdstukken die met titels als «honderdzesendertig dagen ervoor», «honderdachtentwintig dagen ervoor» tot «de laatste dag» de tijd dreigend wegtikken, doen je beseffen dat Miles en zijn vrienden aan het einde van het eerste deel een gebeurtenis te wachten staat die diep in hun leven zal grijpen. Zo diep dat Miles en zijn vrienden in deel twee, «erna», hopeloos in Bolívars ondoorzichtige labyrint – dat «het labyrint van het lijden» blijkt – verdwalen. Wanhopig probeert Miles de uitgang van het labyrint te vinden door het raadsel rondom dé ingrijpende gebeurtenis, die alles met de dood te maken heeft (het is hier niet de plaats om daar meer over te onthullen) op te lossen. Maar kan Miles zijn lijden – zijn verdriet, berouw, schuldgevoel, twijfel, gevoelens van gemis – doorleven? Kan hij blijven geloven in en hopen op Rabelais’ «Grote Misschien»? En moet het raadsel per se worden opgelost om uit dat «labyrint van het lijden» te komen?

Green (1977), die zelf op vijftienjarige leeftijd naar kostschool ging en Engels en godsdienstwetenschappen studeerde om priester in de anglicaanse kerk te kunnen worden, laat Miles als een detective naar antwoorden zoeken, geïnspireerd door «de oude man», de bezielende godsdienstleraar van Culver Creek. En al blijft het raadsel rondom die allesbepalende gebeurtenis onopgelost, Miles schrijft zich uiteindelijk wel «een weg uit het labyrint». Hij weet en schrijft «dat als we in het labyrint wilden overleven elkaar moesten vergeven. Zovelen van ons zouden moeten leven met dingen die ze die dag gedaan of juist niet gedaan hadden. Dingen die niet goed gingen, dingen die op dat moment in de haak leken omdat we niet in de toekomst konden kijken. Konden we de eindeloze reeks gevolgen maar zien die voortkwamen uit de kleinste dingen die we deden. Maar we weten pas beter op het moment dat we daar niets meer aan hebben.» Miles is ervan doordrongen dat we allemaal geboren zijn in Bolívars labyrint en dat we daarom wel moeten geloven in de hoop van Rabelais’ «Grote Misschien».

Behalve een eigensoortige kostschoolroman die Salingers The Catcher in the Rye en James Kirkwoods Good Times, Bad Times in herinnering roept, is Het Grote Misschien een zuivere Bildungsroman, waarin de ontwikkelingen van een adolescent naar volwassenheid meesterlijk worden geschetst. Dit gegeven is vermoedelijk de reden waarom Het Grote Misschien het etiket jeugdboek opgeplakt heeft gekregen. Dat is jammer voor veel volwassenen. Want een auteur die zo tragikomisch, overtuigend, oprecht en volwassen over de doolhof van het leven en de weg daaruit kan schrijven, is zeldzaam. Bovendien, het zoeken naar «een Groot Misschien» is toch niet alleen aan François Rabelais en jongeren voorbehouden?