Vijftig jaar D66

Op zoek naar een nieuwe casus belli

Jarenlang wist D66 eigenlijk vooral wat zij niet wilde zijn: zoals de andere partijen. Inmiddels is haar antipolitiek in een professioneel jasje gestoken. Maar de vraag wat D66 definieert blijft bestaan.

Medium opening 20hh 18212417

De politieke partij Democraten ’66, sinds jaar en dag eenvoudig d66, viert dit najaar haar tiende lustrum. Bij de vorige grote viering, toen d66 veertig jaar werd, stelden sommigen de vraag of de partij nog bestaansrecht had – en niet de minsten. De bekendste onder de oprichters zelf, Hans van Mierlo, twijfelde. Hoewel de vraag op dat moment een extra existentiële zwaarte kreeg als gevolg van de grote politieke crisis waar d66 zowel middelpunt als slachtoffer van was, is deze in feite zo oud als d66 zelf. Al op het eerste congres na de rampzalige gemeenteraadsverkiezingen van 1974 stemde een kleine meerderheid van de aanwezigen voor opheffing. De vereiste tweederde meerderheid werd echter niet gehaald.

Hoewel de sfeer nu aanzienlijk optimistischer is en de partij zich opmaakt voor een grootse viering dit najaar, blijft er altijd de twijfel. Wie de vraag voorlegt aan partijleden krijgt reacties die in de meeste gevallen het midden houden tussen weifelachtig optimisme en tobberige zorgelijkheid. Die tobberigheid staat voor een deel los van de partij: de staat van Nederland lijkt voldoende reden om tobberig, zo niet hevig verontrust te zijn. Maar voor een ander deel gaat het juist om de partij zelf. Wat de zorgelijkheid een extra urgentie geeft is het besef dat het einde van het tijdperk-Pechtold zich aankondigt. Als zijn partij na de verkiezingen niet mee kan regeren, zei de d66-leider onlangs, dan is het voor hem tijd om ermee op te houden.

Wat daar nog bij komt is een soort nervositeit over de intellectuele toestand van d66. Het afgelopen decennium is alle tijd en energie naar het wederopbouwen van een op sterven na dode partij gegaan. Maar het denken, zo klinkt het, heeft geleden. Na het dieptepunt van 2006 formuleerde de partij een hervormingsagenda die vooral economisch van aard was. Deze is tamelijk stilletjes gerealiseerd dankzij het voeren van constructieve oppositie onder Rutte II, oppositie naast het kabinet, zoals Pechtold aankondigde bij de kabinetsverklaring. Men is naarstig op zoek naar een nieuwe casus belli. Of, zoals een Amsterdams lid van de gemeenteraad zich deze zomer na afloop van een politiek café liet ontvallen: ‘We hebben weer nieuwe ideeën nodig, want met Pechtold zitten we intellectueel een beetje in een dal.’

Ga naar een willekeurige partijbijeenkomst van d66 en de sluimerende onrust is tastbaar. Mensen weten dat Alexander Pechtold op weg naar de uitgang is. Als ze heel eerlijk zijn, hadden sommigen eigenlijk verwacht dat hij al weg zou zijn. Hoewel hij het, wordt dan haastig toegevoegd, natuurlijk nog altijd erg goed doet. Er is geen sprake van openlijke onrust in de partij. Zolang de electorale vooruitzichten betrekkelijk gunstig zijn, zal dat vermoedelijk ook niet gebeuren. Weinigen zullen behoefte hebben om het tegen de klippen op veroverde optimisme van de laatste jaren te verstieren.

Enthousiast beleden conformisme is ook bij d66 de eerste stap op weg naar een zetel. Maar soms is er ineens een oud-partijleider of prominent die daarmee breekt. Zo zei Jan Terlouw dit voorjaar in de Volkskrant dat Nederland (en de wereld) zo ‘verschrikkelijk rechts’ is geworden. d66 deed daar wat hem betreft aan mee. Kort daarna was er Edo Spier, onder andere oud-senator, die Terlouw in Trouw bijviel: ‘Er is een duidelijke verrechtsing van de hele samenleving en daar doen wij gewoon aan mee. [Pechtold] volgt een beetje de ontwikkelingen van de samenleving. Maar daar zijn we nooit voor opgericht. Dat is nooit de bedoeling geweest.’

Terlouw werd goeddeels genegeerd door de partijtop. De meest zichtbare reactie op wat hij zei kwam deze zomer van een viertal d66’ers uit het ‘topkaderprogramma’ dat een essay schreef met de dringende oproep een ‘nieuw verhaal’ te verzinnen. Volgens hen had de partij zich de afgelopen tien jaar toegelegd op economische hervormingen en vrijheden. Het zou tijd zijn om de aandacht te richten op wat ‘de overheid wél moet doen’. Ze voelden zich gesterkt door de woorden van Terlouw.

Medium eerste affiche1967

Wat is d66 en wat moet het zijn? Het argument van Spier dat d66 nooit is opgericht om de ontwikkelingen in de samenleving slaafs te volgen raakt aan de kern van een vraag die bij geen andere politieke partij zo nadrukkelijk aanwezig is als bij d66 en die in de eerste jaren van de partij regelmatig opgewekt zelfkritisch werd gesteld.

Vanaf haar eerste begin heeft d66 bestaan als een soort merkwaardige inversie van gebruikelijke politieke partijen. Haar positie in de Nederlandse politiek werd gedefinieerd door het afzetten tegen wat ze niet was: de anderen. Twee jaar voor de bijna-opheffing begon Van Mierlo zijn congrestoespraak met een verwijzing naar de goede gewoonte ieder jaar de vraag te stellen of d66 nog wel moest blijven bestaan. ‘We vonden dat allemaal een mooi en nobel voorstel (…) hoewel misschien menigeen grinnikend zal hebben gedacht aan (…) de ingenieuze redeneringen die we jaarlijks zouden gaan opzetten om een a priori aan onszelf te bewijzen.’

‘En toch’, zei Van Mierlo, ‘hoe sceptisch je ook mag staan tegenover de mogelijkheid om tot een objectief oordeel te komen over je bestaansnut of je overbodigheid, had dat voorstel te maken met een heel elementaire gedachte die ons zes jaar geleden voor ogen stond bij ons ontstaan, en waarvan het rampzalig zou zijn als we die kwijt zouden raken.’

Die missie was de radicale democratisering van de Nederlandse samenleving: de opblaasgedachte. In die mooie zin van Van Mierlo uit zijn derde congrestoespraak: ‘We moeten een revolutie maken voordat die uitbreekt, een stille revolutie die kanalen graaft van de burgers en hun frustraties naar de centra van de macht, en dat met vreedzame middelen.’

Het stelsel moest klappen en als het zo ver was, zou d66 vanzelfsprekend mee-exploderen. De partij mat zich een soort antipolitiek aan van een bezorgde, maar niet rancuneuze soort. Bij die antipolitiek hoorde de afwijzing van scherpslijperij in ideologische termen, de stellige ambitie om geen politici te worden en het woord pragmatisme, omdat het alles inhield wat de andere partijen niet voorstonden. In de ontkenning van de norm herkende men de partij. d66 was, zeker in de beginfase, een toevluchtsoord voor iedereen die zich elders vooral ongemakkelijk voelde. Iets niet zijn is dan de hoogste deugd.

Maar d66 onderscheidde zich vooral door de bereidwilligheid in overweging te nemen of ze nodig was. De partij werd opgericht als middel, niet als doel, en de vraag naar het bestaansrecht van de partij vertegenwoordigde zo bezien ook altijd de vraag naar de conditie van de politiek en bestuurlijke inrichting; naar de taak die d66 te vervullen had en of die er wel in zat. To be or not to be, that’s the question.

Na het onverwachte succes wierp een journalist Van Mierlo toe dat hij erbij liep als een Hamlet. Van Mierlo antwoordde: ‘Hamlet in de Kamer, dat is noch voor het toneel, noch voor het politiek bedrijf een aanwinst.’ Toch werd het dat – en zoals Hamlet tegen wil en dank de moord op zijn vader moest wreken, zo werd d66 een politieke partij zonder het misschien zelf te hebben gewenst.

Juist die dubbelzinnigheid maakt dat d66 in haar vijftigjarige geschiedenis zoveel woorden heeft gemorst in de zoektocht naar het antwoord op de vraag wat ze precies was. Half oktober verschijnt De keuze van D66, een boekwerk met de sleutelteksten uit de politieke geschiedenis van de partij, samengesteld, ingeleid en van toelichting voorzien door Daniël Boomsma. In zijn inleiding merkt Boomsma met een kwinkslag op dat die zoektocht niet zelden een kwestie was van ‘schermen met woorden’. d66’ers, zeker die van het eerste uur, hechtten waarde aan zorgvuldig woordgebruik. De meeste woorden werden gereserveerd voor een zeer nauwkeurige afbakening van wat de partij niet wilde zijn. Hans Gruijters kwam in een opstel over pragmatisme nog het dichtst bij een duiding zonder ontkenningen: ‘De billijkheid naar alle kanten betrachten.’

Medium 1966 appel 1

Pas in de jaren zeventig was d66 er, weliswaar schoorvoetend, aan toe om in meer positieve termen na te denken over wat ze was. De crisis van de bijna-ondergang noodde daar ook toe. Jan Terlouw zei na zijn aantreden als politiek leider: ‘Zeven jaar hebben we met succes over anderen gesproken die moesten ontploffen, hervormen, versplinteren, veranderen of gewoon verdwijnen (…). Nú lijkt onze horzelfunctie zo langzamerhand uitgespeeld.’ Het einde van die bijzondere positie maakte het echter ook noodzakelijk om te bedenken waar ‘de korf vol honing’ die d66 in de tussentijd was geworden, voor stond en wat de partij zou moeten zijn.

De afwijzing van wat anderen zijn of doen blijft een krachtige drijfveer om voor D66 te kiezen

In de partijgeschiedenis van d66 is er veel geschermd met woorden en al die woorden zeggen iets over het karakter van de partij. Sinds haar vroegste begin is ze, inderdaad, pragmatisch, het redelijk alternatief, sociaal-liberaal, humanistisch, non-conformistisch en niet gebonden aan een zuil of het schijndode karkas ervan. Die eigenschappen blijven herkenbaar door de decennia heen. Toch is er onmiskenbaar ook veel veranderd, zeker in de laatste tien jaar. De merkwaardige vraag die zich vooral opdringt bij het lezen van De keuze van D66 is of de partij van de eerste vier decennia nog wel de partij is van nu.

Wie De keuze van D66 leest, ziet dat de cycli van crises en wederopstandingen van d66 altijd gepaard gaan met het stellen en heroverwegen van die vraag. Het tijdvak-Pechtold begon op een vergelijkbare wijze. De regeringsdeelname aan het kabinet-Balkenende II was traumatisch; werd getekend door een aaneenschakeling van politieke vernederingen. Toen d66 de coalitie eindelijk verliet, was ze alle geloofwaardigheid al verloren, onder andere nadat de staatsrechtelijke hervormingen van minister Thom de Graaf stukliepen in de Eerste Kamer. De hervorming van het kiesstelsel en de gekozen burgemeester kwamen er niet. d66 had het bestel niet opgeblazen. In plaats daarvan blies het bestel d66 op.

Op het jubileumcongres in mineur, slechts enkele weken voor de verkiezingen (die d66 andermaal verloor wat resulteerde in een dieptepunt van drie zetels), was het Van Mierlo die de kwestie over het bestaansrecht weer opwierp: ‘Voor mij telt het woord van de Duitse dichter Joachim Sartorius die zegt: “Was Wasser ist, sagt uns die Durst.” Oftewel: wat we zijn, zegt het verlangen naar ons. (…) Heel veel mensen spreken openlijk uit: geef ons een reden om weer d66 te stemmen. Het verlangen is er. Maar het geloof is weg.’

Volgens Van Mierlo was het mogelijk om drie dingen te doen. Allereerst ermee ophouden: ‘Daar ben ik niet voor.’ Ten tweede de kiezers ervan overtuigen dat ze het verkeerd zien: ‘Op die weg zie ik geen licht.’ Of, uiteindelijk, drie: ‘Teruggaan naar de plaats waar de burger het geloof in ons heeft verloren en je afvragen waarom hij het daar is kwijtgeraakt.’

Pechtold, als nieuwe partijleider, realiseerde zich wat Van Mierlo wellicht niet zag. Er was een vierde optie: de partij opnieuw constitueren. Het d66 van Alexander Pechtold, de partij die onder zijn aanvoering een wederopstanding beleefde waarin vermoedelijk niemand vooraf had geloofd, is een paradox. In sommige opzichten is de partij wat zij altijd is geweest. Vergelijkbare mensen met vergelijkbare politieke instincten vinden hun weg naar de partij en in die zin is de historie niet uitgedoofd: er is continuïteit met het verleden. Ook de woorden blijven herkenbaar: pragmatisch, open, optimistisch, sociaal-liberaal, ondogmatisch. Kom bij d66 niet om Prinzipienreiterei (enkele obsessies uitgezonderd). In essentie is de partij nog altijd dezelfde coalitie van mensen die ongemak ervaren over politiek zoals bedreven bij en door andere partijen, en die in de gelukzalige afwezigheid van een ideologie, of iets wat daarop lijkt, onderling proberen te bepalen hoe het dan wel moet. De afwijzing van wat anderen zijn of doen blijft een krachtige drijfveer om voor d66 te kiezen.

Toch is er iets veranderd dat diep ingrijpt in het karakter van de partij zelf. Dat heeft minder te maken met de intellectuele tradities waar de partij zich aan spiegelt, maar meer met de manier waarop men de mild-anarchistische cultuur van de partij richting vergetelheid heeft hervormd. Twee jaar geleden publiceerde Vrij Nederland een groot onderzoek naar de partij onder de titel ‘Hoe d66 een bedrijf werd’. Pechtold memoreerde dat de hervorming van de partij begon in het voorjaar van 2006, toen hij zich kandidaat stelde als lijsttrekker. ‘Toen hebben we besloten dat niet alleen de inhoudelijke koers op de schop moest, maar ook de organisatie van de partij.’ Even later: ‘Eigenlijk was het een voordeel dat er in 2006 bijna niets meer van d66 over was. Daardoor konden we een nieuw begin maken.’

Het _VN-_stuk bevat een ronduit verbluffende reeks zinnen waarvan de sprekers soms niet eens lijken te beseffen hoe pijnlijk ze zijn. Joris Backer, voorzitter van de programmacommissie: ‘We hebben te lang geleefd in de nadagen van de jaren zestig en zeventig, toen ieders mening evenveel waard was. Nu geven we veel meer aandacht aan de mening van experts.’ Marty Smits, de campagnestrateeg: ‘Je kunt wel volhouden dat alle meningen gelijkwaardig zijn, maar dat is niet zo.’ Backer, ten slotte: ‘De meritocratie heeft aan belang gewonnen.’

Onder de vlag van professionalisering is de partij strakgetrokken. Wie niet in een opleidingsprogramma heeft gezeten maakt minder kans op een plek op de kieslijst; wie wel in zo’n klasje zit kan niet ontsnapt zijn aan de tucht van de professionalisering (eufemisme voor een mild soort discipline). Onder leiding van Alexander Pechtold is de partij die werd opgericht vanuit de vurige wens dat partijen vlug zouden ontploffen, een van de meest gedisciplineerde politieke partijen van Nederland geworden. En Hamlet is dood. Als De keuze van D66 iets scherp illustreert, is het dat er na vijftig jaar een canon is en een partij, maar dat die twee niet noodzakelijk nog bij elkaar horen.

Het feit dat Pechtold een op sterven na dode politieke partij voor de poorten van de Hades heeft weggesleept, en bovendien politiek succesvol heeft gemaakt, is een uitzonderlijke prestatie. Het gros van de leden lijkt bovendien, ondanks wat verontrustheid over wat de volgende stap wordt, zeer te spreken over de manier waarop die door Pechtold gereanimeerde partij er nu bij staat. De vraag blijft alleen welke prijs ervoor is betaald, en of de conclusie niet moet zijn dat er sinds dat dieptepunt niet in feite twee partijen zijn met dezelfde naam: een historisch d66, als herinnering, en een born-again d66, van nu – misschien niet onvergelijkbaar met oude gebouwen waarvan de gevel blijft staan terwijl daarachter het hele fundament en de verdiepingen worden vervangen.

Nergens is dat duidelijker dan in het functioneren van de parlementsfractie zelf. Professionalisering betekent daar allereerst het leren spelen van het politieke spel. Het is een publiek geheim dat in de fractie van d66 de woordvoerders invloedrijker zijn dan sommige Kamerleden. De adviezen die zij uit de verzamelde tips van Amerikaanse campagnegoeroes halen zijn dezelfde als die onder alle andere partijen circuleren: de partij is een imago en een gevoel, kiezers zijn emotioneel onzindelijke wezens, en het is raadzaam om hun basale instincten te manipuleren. d66’ers van vroeger wilden geen politici worden; die van nu willen er de besten in zijn. Misschien is het niet fair om dat verwijt alleen op d66 te richten, maar tegelijkertijd is het moeilijk om de gedachte af te schudden dat juist die partij zich, met het oog op haar verleden, het meest zou moeten schamen voor dat soort innovaties.

De oprichting van d66, vijftig jaar geleden, was een daad van antipolitiek, uit naam van de democratie. Amateurisme, zoals dat inmiddels wordt genoemd, was daar een onlosmakelijk onderdeel van. Amateurisme is een democratisch fenomeen, het is de ontkenning van een hiërarchie die zich organiseert in gevestigde belangen. De amateur is niet noodzakelijk ondeskundig; het eerste en voornaamste wat hem onderscheidt van professionals is zijn status als buitenstaander. Wie een zeldzame d66’er spreekt met een lange staat van dienst en een goed geheugen kan verhalen horen over het samenstellen van kieslijsten in vroeger tijden. Dat gebeurde op de zolder van een café en de lijsttrekker zelf had weinig in te brengen. Het voorstel van het bestuur om de keuze aan de leden te laten maar wel een stemadvies te geven, werd als groot affront ervaren, omdat het de ongehinderde werking van de democratie zou kunnen ondermijnen. Inmiddels wordt er bij d66 digitaal gestemd, waarbij het systeem zo is ontworpen dat radicale veranderingen op de lijst zeldzaam zijn geworden. Overal is het amateurisme vervangen ten gunste van de professionalisering. De vraag blijft echter of je de cultuur van een partij kunt veranderen zonder haar karakter aan te tasten.

Het merkwaardige is dat het nieuwe d66 in één opzicht lijkt op het oude: de kern van de missie is antipolitiek, zowel intern als in haar functioneren in het parlement. De hang naar professionaliteit binnen de partij manifesteert zich naar buiten in de neiging van de partij om op gezag van experts te doen alsof politiek niet om keuzes gaat. In het politieke universum van d66 zijn er apolitieke noodzakelijkheden (in de economie, in de Europese Unie, in het milieubeleid), waarbij de expertise van een professionele klasse bij voorkeur meer gezag zou moeten uitoefenen dan onverantwoordelijke politici. De grote kritiek van d66, jarenlang en op successieve kabinetten – de mantra die Pechtold steeds herhaalde – was dat noodzakelijke hervormingen alsmaar werden uitgesteld om politieke belangen. De identificatie van d66 met die publieke versie van professionaliteit en expertise strekt zo ver dat het antwoord op politieke problemen bij d66 zelden echt politiek is, vaker technisch. Dat is waarschijnlijk waar Spier ook op wees toen hij het had over de neiging van het nieuwe d66 om de trends te volgen in plaats van uit te dagen.

Medium hh 3744526

Bij haar oprichting sprak d66 over het graven van kanalen voor burgers en hun frustraties naar de centra van de macht. De neiging om professionaliteit tot standaard te verheffen staat daar haaks op. Wat professioneel is, of verstandig, of wijs, of raadzaam in de ogen van de expert is niet noodzakelijk democratisch. Dat wil niet zeggen dat een democratisch oordeel altijd het beste is, maar dat is ook niet de taak van de democratie. Die heeft immers niets met professionaliteit te maken. Het enige wat de democratie op z’n best vermag, is het zo rechtvaardig mogelijk nemen van beslissingen, hoe onverstandig die ook mogen blijken.

Meritocratie, de term die Backer gebruikte, is gebaseerd op het principe van selectie en de concentratie van macht in de handen van zij die het meest gekwalificeerd worden geacht die macht te gebruiken. Democratie (zeker zoals gebruikt door de eerste d66’ers) gaat daarentegen over het ontmantelen van hiërarchieën en vanzelfsprekende autoriteit.

Misschien is het een ironische speling van de geschiedenis dat de antipolitiek van de beschaafde rebellenclub uit de jaren zestig onder leiding van Alexander Pechtold langzaamaan is getransfigureerd tot de antipolitiek van de professional. d66, of dat nu terecht is of niet, wordt inmiddels door een nieuwe generatie mensen die zich de titel ‘democraat’ aanmatigt vereenzelvigd met de ultieme binnenwereld – met alles waar zogenaamd echte democraten een hekel aan zouden moeten hebben.

De keuze van D66 is een waardevol naslagwerk en voorbeeldig verzorgd. De canon van d66 was tot dusver nauwelijks georganiseerd. Het eigenaardige bijkomstige resultaat, onbewust, van die dienst is echter een boek dat naast een gelukkig ook een pijnlijk bezit moet zijn voor de partij die nu die canon in beheer heeft. Boomsma’s korte slotbeschouwing kan gelezen worden als lofrede maar evengoed als mild geformuleerde (maar daardoor niet minder urgente) kritiek.

D66-kieslijsten werden vroeger samengesteld op de zolder van een café. De lijsttrekker zelf had weinig in te brengen

Op de vraag of d66 nog bestaansrecht heeft, de oervraag van de partij, schrijft Boomsma: ‘In ieder geval kan gezegd worden dat het regelmatig stellen ervan een belangrijk uitgangspunt van d66 verraadt, namelijk de gedachte dat het bestaansrecht van de partij niet los staat van haar (al dan niet gerealiseerde) doelstellingen. De politieke praktijk dwingt echter steeds een spanning af tussen zo’n doelstellingspolitiek en een vorm van politiek bedrijven die het er vooral om gelegen is de positie ten opzichte van andere partijen kenbaar te maken. (…) Voor d66 is “één uitweg uit die spanning”, in de woorden van Aad Nuis, Van Mierlo en Jan Vis uit het pamflet Een reden van bestaan, het “gedwee een plaats zoek[en] in het politieke rollenspel, al of niet voorzien van een negentiende-eeuws ideologisch etiket dat de juiste plaats op de conventionele links-rechts-lijn aangeeft.” Dat “levert wellicht winst op aan gemoedsrust en aan duidelijkheid in de gangbare zin, maar wel ten koste van de wezenlijke bestaansreden als politieke partij”. Afstand bewaren tot het politieke rollenspel, het “schimmenspel met poppen en een script uit de vorige eeuw”; óók na vijftig jaar is dat een belangrijke uitdaging voor d66, zeker nu de partij – lokaal, nationaal en in Europa – midden in het politieke landschap staat en bestuurlijke verantwoordelijkheid draagt.’

De vraag is of het d66 van nu daartoe in staat is – of de partij niet zodanig iets volledig nieuws is geworden dat De keuze van D66 niet zozeer een levende canon is, maar een epitaaf.


De keuze van D66, samengesteld en ingeleid door Daniël Boomsma, verschijnt op 17 oktober bij uitgeverij Boom


50 jaar D66

1966 Hans van Mierlo en Hans Gruijters richten met 42 medestanders de politieke partij Democraten ’66 op

1967 De partij komt met zeven zetels in de Kamer

1972 Deelname aan het kabinet-Den Uyl, Jan Terlouw wordt fractievoorzitter

1975 De meerderheid van het partijcongres stemt voor opheffing

1977 Onder de leus ‘Het redelijk alternatief’ en met lijsttrekker Jan Terlouw volgt herstel

1981 Deelname aan het rompkabinet-Van Agt-Den Uyl-Terlouw

1982 Na het rompkabinet CDA-D66 volgt een afstraffing door de kiezer

1994 Onder Hans van Mierlo behaalt de partij 24 zetels en lukt het een kabinet zonder het CDA te formeren: Paars 1

1998 Tien zetels verlies met lijsttrekker Els Borst

2003 Deelname aan kabinet-Balkenende II met CDA en VVD

2006 De partij haalt met lijsttrekker Alexander Pechtold drie zetels bij de Kamerverkiezingen

2012 Ondanks twee achtereenvolgende verkiezingsoverwinningen geen kabinetsdeelname


Beeld: Tv-programma 1967. Van links naar rechts, van boven naar beneden: dr. Albering, mr. Aalbersen, Hans van Mierlo, drs. Tilanus, mr. Mellema, hr. Lankhorst, Ed van Thijn, Joop den Uyl, dr. Berghuis, mr. Toxopeus en mr. Van Riel. Presentatie Ad Langebent.


Beeld: Eerste verkiezingsaffiche, 1967.


Beeld: Voorstel voor politieke vernieuwing, 1966.


Beeld: Amsterdam, 1967. Hans van Mierlo in gesprek met Nico Hey en Martin Veltman van reclamebureau FHV, dat de campagne voor de Tweede-Kamerverkiezingen ontwierp. (Berry Stokvis/HH)