Op zoek naar een persoonlijke moraal

André Gide, Parijs, Comédie Française, 1950 © Studio Lipnitzki / Roger Viollet Agence / HH

Soms lijkt het alsof de Fransen voor elk literair sub- of semi-genre een naam hebben bedacht. André Gide’s De onzorgvuldig geketende Prometheus uit 1899, recent voor het eerst naar het Nederlands vertaald, zou een sotie zijn: een klucht waarin ernstige onderwerpen satirisch worden behandeld en die gekenmerkt wordt door ironie, absurdisme, onlogische wendingen, en die tegelijkertijd rijk is aan symboliek.

De mythe van Prometheus waarmee deze sotie aan de haal gaat, heeft in de loop der eeuwen vele dramatische vertellingen over de wreedheid en willekeur der goden geïnspireerd. De Titaan Prometheus, letterlijk ‘de vooruitdenkende’, schonk zonder toestemming van Zeus het vuur aan de mensheid (en daarmee de wil tot vooruitgang en technologie). Voor die belangenbehartiging werd hij gruwelijk gestraft. Zeus liet hem vastbinden aan een rots waar elke twee dagen een arend een stuk van zijn lever uit kwam pikken, dat vervolgens weer aangroeide.

De satirische pen van Gide (1869-1951; Nobelprijs in 1947) laat weinig heel van het universele en plechtige karakter van dit verhaal. In de Griekse mythe moet Prometheus voor zijn bevrijding wachten op een heroïsch pijlschot van Herakles, maar in Gide’s tekst staat hij eenvoudigweg op wanneer hij ‘tot de overtuiging is gekomen dat hij, kort gezegd, stijf werd door de ketenen, pinnen, dwangbuizen, borstweringen en andere angstvalligheden’. In de volgende zin loopt hij anno ‘189-’ over een boulevard in Parijs die van de Madeleine naar de Opéra voert. Aldaar ontmoet hij een ober. Achter een biertje vraagt hij hem waar al die voorbijlopende mensen heen gaan. ‘Wat ze zoeken, dat is hun persoonlijkheid’, aldus de ober. ‘Komt meneer hier niet vandaan?’ De ober, wiens hobby het is om mensen met elkaar te verbinden, brengt Prometheus in aanraking met twee andere Parijzenaars, Cocles en Damocles. Zij zijn net slachtoffer geworden van een volstrekt willekeurige handeling van Zeus – de een kreeg een klap in zijn gezicht, de ander vijfhonderd frank.

De oppergod wordt in Gide’s wereld wat oneerbiedig omschreven als een dikke bankier van middelbare leeftijd, en ook de trotse Prometheus zelf wordt gepersifleerd. Hij is verworden tot een verlegen, behaagzieke verschijning. Na lang aandringen van de ober, die wil weten wat voor werk zijn gast doet, stamelt de brenger van het vuur dat hij ‘in lucifers’ zit.

Gide stelt Prometheus nadrukkelijk niet als daadkrachtige held voor

De heroïsche daden uit de originele vertelling maken bij Gide ruimte voor woorden. Prometheus houdt lange speeches over hoe men zich zou moeten verhouden tot zijn arend, die symbool staat voor schuldbesef en hartstocht en in ieders ziel verscholen zit. Heb uw arend lief, en hij zal mooi worden, oreert Prometheus, en om zijn publiek voor verveling te behoeden steekt hij af en toe – ‘diversion pyrotechnique’ – wat vuurpijlen af. Het nadeel is wel dat de arend aan uw lever vreet; wie zijn arend liefheeft, doet dat ten koste van zichzelf. Vandaar dat Prometheus later op zijn advies terugkomt en een alternatief voorhoudt: verslind uw arend tijdens een feestmaal en bewaar zijn mooie veren.

Gide’s proza is verrukkelijk. Met zwierige luchtigheid laat hij de lezer meedeinen in een stroom van humorvolle dialogen en onlogische plotwendingen. Alleen al daarom is het het lezen waard. Tegelijkertijd staat elke zin, inderdaad zoals het de sotie betaamt, bol van symboliek. De ogenschijnlijke losheid herbergt een ongelooflijke precisie. Het geheel is méér dan alleen parodie en ironie; met elke terloopse opmerking en banale gebeurtenis schenkt Gide nieuwe betekenis aan zijn mythe-klucht: Prometheus op zorgvuldige wijze van zijn originele betekenis ontketend.

Op die manier geeft Gide het verhaal ook een persoonlijke dimensie. Hoewel autobiografische duiding bij zo’n excentriek werk in eerste instantie vergezocht lijkt, geeft Gide zelf de hint in zijn dagboeken. Daarin verwijst hij (zo lezen we ook in het nawoord van De onzorgvuldig geketende Prometheus) naar zijn vroegere puriteinse ‘vreze des Heren’ waaruit hij zich na jaren van innerlijke strijd heeft kunnen ontworstelen. ‘Ik leek op Prometheus, die zich erover verbaasde dat iemand kon leven zonder zijn arend, zonder aan zich te laten vreten’, schrijft hij over de tijd dat hij nog in streng protestantse soberheid leefde. ‘Ondertussen was ik onbewust gesteld op mijn arend; maar ik begon het met hem op een akkoordje te gooien.’

Gide stelt Prometheus nadrukkelijk niet als daadkrachtige held voor, maar als iemand die, net als Gide zelf in zijn veelzijdige literaire oeuvre, voortdurend op zoek is naar een persoonlijke moraal en daarbij niet schroomt zijn eerdere overtuigingen te herzien. Prometheus komt op zijn tentoongespreide arendverering terug zoals Gide terugkwam op zijn vroegere religieuze ijver. En wie er alert op is, leest tussen de regels door verwijzingen naar homoseksualiteit, een ander arendsei waar Gide lang op heeft gebroed voordat hij het openlijk aan anderen toonde.

Zo valt ook dit vroege werkje, naast de latere lijvige autobiografieën waar Gide ook om bekend staat, te lezen als een halte in Gide’s voortdurende intellectuele zoektocht naar authenticiteit. Die loopt als leidraad door zijn hele schrijverscarrière: een oprechte heruitvindingsdrang, een consequente bevraging van waarden – nooit vastroesten, maar constant nieuwe wegen inslaan. De onzorgvuldig geketende Prometheus is daarmee een mooie toevoeging aan de lijst van Nederlandstalige Gide-uitgaven. Nu de vertaling er is, begrijp je eigenlijk niet dat die er daarvoor niet was. Deze sotie is tegelijk diep, speels en onmiskenbaar eigen aan Gide.