Op zoek naar een vlag

Amerika is toe aan een nieuwe ideologie. De Koude Oorlog is voorbij, de Nieuwe Wereldorde nogal wazig. Waarop nog koersen in de buitenlandse politiek? Samuel Huntington heeft een recept: beschavingsblokken, zeven op de hele wereld. En netjes binnen de grenzen blijven, anders gaat het mis. Clinton ziet er wel wat in.
Samuel P. Huntington, The Clash of Civilisations and the Remaking of World Order. Simon & Schuster, 368 blz. 383,30
SINDS DE VAL van Moskous imperium is het geo-strategisch debat in Amerika heel wat levendiger geworden, zoals de huidige controverse over Sam Huntingtons The Clash of Civilisations illustreert. Tijdens de lange Koude Oorlog was immers zoveel vanzelfsprekend: wie de vijand was, wat de inzet was, hoe, waar en onder welk vaandel er moest worden gevochten. Sinds George Kennan bij de aanvang van de Koude Oorlog de containment-strategy formuleerde, ging het debat in Amerika’s denktanks enkel nog over tactiek. Dat de wereld een schaakbord was waarop het ‘communistische’ Oostblok en het ‘vrije’ Westen een strijd op leven of dood voerden en dat elk stuk op het bord wit of zwart was, stond buiten kijf. Er werd wel gediscussieerd over wat de volgende zet moest zijn: kon Amerika een pion als Zuid-Vietnam opofferen om China aan zijn kant te krijgen? Of zou het op die manier een hele reeks andere pionnen verliezen? Wat was het beste antwoord op Moskous offensieve zet in Afghanistan? Maar binnen de foreign policy community was iedereen universalist: overtuigd van de superioriteit en universele toepasbaarheid van het westers model, èn internationalist: overtuigd van de noodzaak dat de Verenigde Staten die strijd met een actieve interventiepolitiek moest leiden.

EN TOEN WERD het plots duidelijk dat Moskou schaakmat stond. Gejuich alom. President Bush kondigde triomfantelijk ‘de Nieuwe Wereldorde’ af en Francis Fukuyama verklaarde plechtig dat samen met het Oost-Westschaakspel ook de geschiedenis was afgelopen. Het westers model had zijn superioriteit bewezen. En aangezien het voornaamste obstakel voor de universele vestiging van de westerse waarden was verwijderd, zou dat nu steeds sneller kunnen gebeuren. Waar nodig zou het Westen de strijd voor die waarden doorzetten.
En dat deed het in de Golfoorlog, althans volgens Bush. De door Amerika geleide alliantie tegen Iraks invasie was de Nieuwe Wereldorde in actie. 'It’s not about oil, it’s about values’, benadrukte de president. 'Het niet dulden van agressie. Respect voor de fundamentele mensenrechten.’ Democratie kon hij er moeilijk aan toevoegen aangezien die noch in Koeweit noch in Saoedi-Arabië bestond.
Had olie er niets mee te maken? Is de maan gemaakt van groene kaas? Olie was echter niet de enige factor. Desert Storm was ook een reactie op de erosie van de orde en discipline die de Koude Oorlog had opgelegd. De Koude Oorlog was de lijm die de blokken samenhield, die onderlinge wrijvingen ondergeschikt maakte aan de strijd tegen de gemeenschappelijke vijand. Ook alle landen in de periferie moesten hun buitenlandse politiek in de eerste plaats in dat kader situeren. De Koude Oorlog stimuleerde lokale conflicten maar hield ze ook binnen de perken. Omdat elk conflict een potentieel Oost-Westconflict was, betekende de steun van het ene blok voor een partij automatisch de steun van het andere voor diens tegenstander. Zo kregen beide kampen wapens en rugdekking. Anderzijds dempten de blokken ook lokale conflicten: ze voorkwamen ze binnen hun eigen invloedssfeer en reguleerden andere, die niet pasten in hun strategieën of die op een rechtstreekse confrontatie tussen de grootmachten dreigden uit te lopen. Met het einde van de Koude Oorlog leek ook de motivatie van de grootmachten om de internationale orde te handhaven verdwenen. Dat was althans de hypothese van Saddam Hoessein. Zijn gok gaf Washington de gedroomde gelegenheid om heel de wereld het tegendeel te bewijzen.
De Golfoorlog riep aanvankelijk groot enthousiasme op in de Verenigde Staten. Zelfs verwoede tegenstanders van de Vietnam-oorlog, zoals Tom Hayden, prezen de actie als 'een oorlog waar Amerikanen trots op konden zijn’. Bush verklaarde het 'Vietnam-syndroom’ - de weerzin van de bevolking om de consequenties van de universalistische ideologie te aanvaarden - 'begraven onder het woestijnzand’. Maar de vraag of het Westen ook bereid was om voor zijn universele waarden te vechten als er geen strategische grondstoffen op het spel stonden, bleef hangen.
IN DIE CONTEXT BEGON het Somalië-avontuur. Niemand kon beweren dat dit over olie ging. Het Westen leek zuiverder dan ooit te bewijzen dat zijn interventiepolitiek op meer steunde dan kil eigenbelang. Maar achttien Amerikaanse doden in Mogadishu volstonden om operatie Restore Hope te beëindigen. De eensgezindheid over de universalistische doctrine begon barsten te vertonen. En die werden nog groter in het debat over de interventie in de oorlog in ex-Joegoslavië. Dat land bekleedde tijdens de Koude Oorlog een unieke bufferpositie tussen Oost en West. Toen de externe druk wegviel, verloor de artificieel geconstrueerde federatie haar cohesie. De leiders van de republieken, bedreigd door groeiende sociale onrust die gevoed werd door een diepe economische crisis, klampten zich vast aan de macht door regionaal chauvinisme op te zwepen. Met de bekende gevolgen.
Niet alleen (ex-)Joegoeslavië dreigde economisch te verzuipen. De synchroniteit van het einde van de Koude Oorlog en de informatierevolutie bracht de globalisering van de wereldeconomie in een stroomversnelling. De economische globalisering is zowel een proces van integratie (de versnelde inschakeling van lage-lonenlanden in de global assembly line) als van uitstoting. Werknemers worden uitgestoten door nieuwe technologie die hen overbodig maakt en door het groeiend gemak waarmee de produktie verplaatst kan worden naar andere landen. De versnelling van de vrijhandel plaatst miljoenen derde-wereldboeren voor de onmogelijke taak om te concurreren met de westerse agro-business. Regio’s die al een marginale positie hadden in de wereldeconomie, worden nog marginaler.
Landen die door de wereldeconomie worden afgestoten, vallen al snel ten prooi aan centrifugale krachten. Er ontstaan conflicten, niet door externe druk maar door een intern verrottingsproces. Het centraal gezag verzwakt, de economische koek wordt steeds kleiner, de strijd over de verdeling ervan verscherpt en alle mogelijke etnische en religieuze verschillen worden ideologische wapens in die strijd. Zo stimuleerde de globalisering van de wereldeconomie een groeiende reeks bloedige conflicten aan de grenzen van het vroegere Russische imperium en in Afrika.
Een nieuwe situatie ontstond, maar het was niet de Nieuwe Wereldorde die Bush in gedachten had. Er kwamen steeds meer conflicten waarin het Westen noch strategisch noch economisch iets te winnen had. Ideologisch was de buitenlandse politiek van Washington echter nog steeds gestoeld op het universalisme van de Koude Oorlog.
Tijdens de Koude Oorlog waren de verdediging van het economisch-geostrategische eigenbelang en van de westerse waarden altijd min of meer met elkaar in overeenstemming. Dat werd nu steeds minder het geval. Die contradictie tekende de verwarde debatten over Bosnië, Haïti, Ruanda enzovoort. Clinton, die de universalistische ideologie aanvankelijk enthousiast had omarmd en die Bush had verweten dat hij er niet hard genoeg voor vocht, krabbelde snel terug, zonder echter een ideologisch alternatief aan te dragen. Dat leverde hem voortdurend het verwijt op dat zijn buitenlandse politiek incoherent was, zigzaggend, gedreven door opiniepeilingen, aarzelend en onvoorspelbaar. Er waren geen bakens meer.
In die context kende het Amerikaanse isolationisme, dat sedert Pearl Harbour morsdood leek, een spectaculaire heropleving. In beide partijen, maar vooral bij de Republikeinen, won het idee veld dat Amerika de rest van de wereld niet nodig had en niets verschuldigd was. Zowel Clinton als Gingrich bestreden die tendens. Maar ze vonden in de universalistische ideologie een steeds gebrekkiger instrument om zowel een internationalistische interventiepolitiek te verdedigen als afzijdigheid in crises waar mensenrechten massaal worden geschonden, maar waar geen vitale Amerikaanse belangen op het spel staan. In welke omstandigheden moet Amerika zijn militaire macht gebruiken? Niemand leek in staat om een theoretisch kader te schetsen dat antwoord geeft op die vraag.
HET IS PRECIES die leemte die professor Huntington tracht te vullen. In vergelijking met de universalistische en isolationistische ideologieën heeft zijn beschavingstheorie grote voordelen. Ze legitimeert westerse afzijdigheid in conflicten die geen westerse belangen bedreigen, ongeacht de implicaties voor de mensenrechten, de democratie en andere 'westerse waarden’. Huntingtons aanbeveling dat het Westen andere beschavingen moet respecteren en met rust laten, klinkt verhevener dan een droge kosten-batenanalyse die aantoont dat een interventie in Ruanda niet renderend is. Huntington geeft de Realpolitiker het ideale excuus: 'Westerse interventie in de aangelegenheden van andere beschavingen is wellicht de gevaarlijkste bron van instabiliteit en potentieel globaal conflict.’
Een eerste vereiste voor vrede in de multicivilisational world is dus de niet-tussenkomst in conflicten binnen andere beschavingen. Maar tegelijk is dit principe geruststellend soepel te hanteren: tussenkomst in het conflict tussen Irak en Koeweit was gewettigd, hoewel dat conflict zich 'binnen een andere beschaving’ afspeelde, omdat het Westen haar olietoevoer verdedigde en dus uit zelfverdediging handelde (hoewel er geen reden was om aan te nemen dat Irak de olietoevoer zou verminderen).
Huntington moet niets hebben van een isolationistische houding van Amerika jegens Europa, een continent immers waar het Amerikaans kapitaal enorme belangen heeft. De Verenigde Staten en Europa moeten hun banden versterken, legt Hungtington uit: 'They must hang together or they will hang seperately.’
Het belangrijkste is echter dat Huntington het westers blok een nieuwe vijand geeft ter vervanging van het verdwenen Oostblok. Dat zijn de andere beschavingen in het algemeen, maar vooral de Chinese en islamitische betekenen in zijn ogen een groeiend gevaar. Hij vindt het 'moeilijk om niet te concluderen dat er iets is in de islam dat, op dit ogenblik in de geschiedenis, geweld doet ontstaan.’ Waar het christendom en de islam rivaliseren, is de strijd ongelijk: 'Het christendom verspreidt zich vooral door bekering, de islam door bekering en reproduktie.’ Een nieuwe globale oorlog zou volgens hem kunnen ontstaan 'uit een escalatie van een breuklijn tussen groepen van verschillende beschavingen, wellicht moslims aan de ene kant en niet-moslims aan de andere.’
Een en ander verleent dus ook een motivatie voor de voortzetting van Amerika’s bewapeningspolitiek. Huntington pleit tegen de verlaging van de militaire uitgaven en voor de versterking en uitbreiding van de Navo. Zijn theorie dwingt hem wel om daarbij 'beschavingscriteria’ te hanteren: zo wil hij het katholieke Kroatië wel bij de Navo maar de orthodoxe en islamitische ex-Joegoeslavische republieken niet. Ook orthodox Griekenland en islamitisch Turkije wil hij liever kwijt.
Huntingtons pleidooi voor het opgeven van 'onze westerse arrogantie’ is dus allesbehalve een radicale breuk met de Koude-Oorlogideologie. Van die ideologie was hij zelf een bekend woordvoerder, getuige zijn bijdragen in Foreign Affairs, het blad dat de Harvard-professor medeoprichtte en het voornaamste forum vormt over buitenlandse politiek in Amerikaanse politieke kringen. Tijdens de Vietnam-oorlog liet hij van zich spreken als architect van de Strategic Hamlets-politiek, die bestond uit de creatie van modeldorpen in strategische zones, die de strijd tegen het noorden moesten populariseren. Later werd hij adviseur van president Carter; samen met zijn goede vriend Brzezinski, Carters nationale veiligheidsadviseur, vertegenwoordigde hij de harde lijn tegen Moskou. Ook later bleven hij en Brzezinski nauw samenwerken en grote invloed uitoefenen. Een van hun protégées, Madeleine Albright, werd dit jaar minister van Buitenlandse Zaken. Brzezinski heeft, net als Kissinger, Huntingtons boek uitbundig geprezen.
HUNTINGTONS essentiële conclusie - het Westen moet samenspannen tegen de rest van de wereld - is niet zo nieuw. Het nieuwe is dat zijn beschavingstheorie Amerika’s ideologische kader aanpast aan een veranderende wereld. Washington moet zijn ambities beteugelen want het heeft minder middelen. En dat kan, want de kapitaalarme landen spelen een steeds marginalere rol in de westerse economie.
Toch heeft zijn theorie ook nadelen voor de Realpolitiker. Huntingtons Westen is 'the little West’, zoals John Ikenberry opmerkt. Door de wereld te verdelen in beschavingen, ontlast Huntington het Westen van verantwoordelijkheid voor de schooiers, maar tegelijk ondergraaft hij ook de rol van het Westen in gebieden waar het wel enorme belangen heeft - zoals Japan en omgeving.
Precies daarom heeft Huntingtons thesis een stortvloed van kritiek uitgelokt. Zijn critici verwijten hem een bunkermentaliteit, blindheid voor de bredere gemeenschap van vrije-marktdemocratieën. Ze stellen terecht dat hij de toenemende interactie tussen beschavingen en de diversiteit en flexibiliteit van beschavingen negeert. 'Alle culturen bevatten alle waarden’, schreef Bruce Nussbaum in Business Week. 'Zijn uitgangspunten zijn fundamenteel conservatief en statisch’, stelde Michael Ignatieff in de New York Times, 'Zijn beschavingen zijn monolitische, zelfvoorzienende compartimenten, niet de overspelig-copulerende, heterogene en voortdurend veranderende amoeben zoals we ze kennen.’
OMDAT 'BESCHAVING’ zo'n wazig begrip is, lijkt de manier waarop Huntington de wereld in stukken hakt vaak arbitrair. Hij weet bijvoorbeeld geen weg met Afrika en zwijgt over Israel en de katholieke Fillippijnen. Hij schrijft dat taal en godsdienst de twee centrale elementen van een cultuur zijn, maar noemt Latijns Amerika - waar godsdienst en taal Europees zijn - niettemin een aparte beschaving. Hij speculeert dat die beschaving misschien met de westerse zal versmelten als het protestantisme er wortel zou schieten, maar later deelt hij Kroatië in bij het Westen - omdat het katholiek is. Bovendien, zoals Tony Smith schrijft, als de Latijns-Amerikaanse beschaving 'westers’ kan worden, waarom kunnen andere beschavingen dat dan niet? Is het verschil tussen het westerse Europa en het shintoïstische Japan niet veel kleiner dan tussen het Japan van vandaag en het fascistische Japan van niet zo lang geleden?
Verscheidene critici stippen ook aan dat veruit de meeste oorlogen niet tussen beschavingen maar binnen dezelfde beschaving woeden. En als ze samenvallen met culturele breuklijnen, zijn religie en andere beschavingsverschillen dan oorzaak of voorwendsel? Wat op het eerste zicht een conflict met culturele wortels lijkt, blijkt bij nader toezien vaak vooral te maken hebben met de tegenstrijdige belangen van staten en proto-staten. De allianties die vervolgens ontstaan, stroken ook meestal niet met Huntingtons analyse: de burgeroorlog in Libanon mocht op een beschavingsconflict tussen moslims en christenen lijken, maar de christelijke Falangisten werden ondersteund door islamitisch Saoedi-Arabië. De oorlog in Afghanistan ging volgens Huntington tussen de islamitische en de orthodoxe beschaving, maar de moslims werden bewapend door het christelijke Amerika en zetten de oorlog voort met elkaar, met de steun van alle omliggende (moslim-)landen. Enzovoort. De voorbeelden liggen voor het oprapen, terwijl conflicten die Huntingtons theorie zuiver illustreren, onvindbaar zijn.
Het ontbreekt bovendien niet aan interne contradicties in Huntingtons bouwsel. Zo pleit hij voor tolerantie en respect tussen beschavingen op wereldniveau. Maar in het Westen zelf moeten 'de eigen waarden’ worden versterkt en dus moet de immigratie worden beteugeld (vooral het groeiend aantal Latino’s in de Verenigde Staten verontrust hem, wat misschien verklaart waarom Latijns Amerika in een vakje apart moet) en het multiculturalisme bestreden. Want Amerika dreigt door al die niet-westerse invloeden haar eigen westerse karakter te verliezen en zo in moreel verval te geraken.
Voor de bleke heren van het Front National en het Vlaams Blok moet Huntingtons pleidooi voor westerse purificatie, in combinatie met zijn waarschuwing voor het moslimgevaar, als muziek in de oren klinken. Zijn thesis, schrijft Nussbaum, geeft 'pseudo-intellectual ammunition to nativists everywhere seeking justification for ugly thoughts and uglier deeds’.
Dat beschavingselementen een factor zijn in conflicten, valt niet te ontkennen. In zijn recente boek The Ends of the Earth observeert Robert Kaplan dat armoede en crisis in Afrika bloedbaden en burgeroorlogen voortbrengen, terwijl soortgelijke spanningen in landen als Turkije en Iran gekanaliseerd worden dankzij de cohesieve kracht van de islam. Maar naarmate religie de taak krijgt om de onrust van de snel groeiende massa ontwortelden op te vangen en de orde te handhaven, wordt ze een politieke beweging. Niet toevallig neemt ze dan haar meest extreme, fundamentalistische gedaante aan, zowel in de islam als in andere religies. Haar programma is, mutatis mutandis, hetzelfde als dat van de christelijke fundamentalisten in Huntingtons eigen land: onverdraagzaamheid, autoritarisme, repressie, chauvinisme, de vlucht in de geruststellende 'traditionele waarden’ van een fictief, geïdealiseerd verleden. Zo'n ideologie heeft een vijand nodig, want de onrust moet ergens een uitweg vinden, en is dus inherent belligerent.
Beschavingselementen spelen een rol, maar die rol wordt gemanipuleerd door de staat. En staten worden op hun beurt gemanipuleerd door de veranderende economische context. De 'beschavingsoorlogen’ die Huntington vreest, zouden er inderdaad kunnen komen, omdat de economische trends een voedingsbodem kunnen vormen voor meer bloedbaden en uiteindelijk escalerende oorlogen. Oorlog voeren vereist een sociale mobilisatie en die vereist een ideologie, een vlag, een 'beschaving’. Critici zoals William McNeill in de New York Review of Books hebben dan ook geen ongelijk als ze stellen dat Huntingtons these een uitnodiging is tot oorlog, want ze deelt de legers hun vlaggen al uit.
HUNTINGTONS BOEK gaat over vlaggen. Vlaggen om onder te vechten maar ook vlaggen om afzijdig achter te blijven. In tegenstelling tot wat het 'Einde van de geschiedenis’-sermoen beloofde, betekende het einde van de Koude Oorlog geen vrede, maar juist méér oorlog - in een andere vorm weliswaar, maar een vorm waarvan we het gevaar nog niet goed kunnen inschatten. Huntingtons pessimisme lijkt dus gewettigd. Alles wijst er op dat de crisissituaties zullen toenemen. Daarom en omdat Amerika door zijn eigen economische problemen scherp moet bezuinigen, zal het dilemma - waar ingrijpen en waar niet - steeds nijpender worden. Het is niet onwaarschijnlijk dat Huntingtons boek dadelijk wordt gevolgd door een meer genuanceerde omkleding van zijn simpele basisrecept: inmenging inzoverre onze belangen bedreigd worden; onverschilligheid als dat niet het geval is. Het recept is niet nieuw, maar de manier waarop de schotel wordt opgediend, daar moet aan gewerkt worden.