De komst van het mediacircus

Op zoek naar ellende

De ondergang van een schelpenzuiger, de eerste door mensen veroorzaakte milieuramp, een aardbeving in Perzië. In de vroege dagen van journalist Rudie van Meurs is de rampverslaggever vaak nog lone wolf.

Mijn eerste ramp als verslaggever is een schelpenzuiger die na een onverhoedse beweging, bij het passeren van een ander schip in het Eemskanaal ter hoogte van Woltersum, kantelt en zinkt. Alleen een deel van de romp ligt nog boven water. Onmiddellijk na het telefoontje van onze plaatselijke correspondent in ­Appingedam haast ik me in mijn 2CV door het Groninger land. Een goede correspondent is goud waard, onze directe verbinding met het nieuws, hij krijgt drie cent per regel en een tip is soms vijf gulden waard. Hij heeft me gezegd dat er nog mensen in het schip zijn. Ik volg het Damsterdiep dat stinkt en bedekt is met vlokken schuim uit de aardappelmeelfabrieken, buig bij Ten Post rechtsaf en volg een landbouwpad dat naar het kanaal leidt.

De dag is nog maar een paar uur oud, boven het Eemskanaal hangt een bleke nevel. De verslaggever van de Winschoter Courant is al aanwezig, hij vertelt wat hij weet en samen lopen we door een weiland naar de waterkant waar de schelpenzuiger ondersteboven in het water ligt. Een aantal mensen loopt zenuwachtig heen en weer, twee mannen die in een roeiboot tegen de romp van het schip zijn gevaren, leggen hun vinger op de mond en gebaren om stilte. Eén heeft zijn oor tegen de scheepswand gedrukt, we horen klopsignalen, onderdrukt gemompel, angstige, holle geluiden. De man in de roeiboot probeert de onbekende aan de andere kant van de scheepshuid gerust te stellen. ‘Moed houden, er is hulp op komst’, schreeuwt hij hem toe. Er is, zegt hij tegen de drenkeling, een bok uit Delfzijl onderweg om de schelpenzuiger op te tillen en er komt een ploeg lassers met snijbranders aan om een gat in de romp te branden. Dan laat de man zich terugroeien naar de kant, hij oogt somber, vertelt in telegramstijl wat hij weet. Drie bemanningsleden hebben zich weten te redden, een jongen van vijftien is achtergebleven. Hij zit al geruime tijd opgesloten in een luchtbel. Zijn situatie is dramatisch. Het water stijgt steeds hoger, het reikt hem inmiddels tot de borst, zo heeft de jongen hem verteld. Dan rent hij door het veld naar de dichtstbijzijnde boerderij om via de telefoon te vernemen waar de hulp blijft.

Inmiddels zijn ook Ons Noorden (rooms-katholiek), Het Vrije Volk (socialistisch) en de correspondent van het Algemeen Nederlands Persbureau (de gezamenlijkheid) gearriveerd. Wij vertellen mondjesmaat wat wij weten. Tussen de kleinere dagbladen in het noorden waartoe ook mijn Groninger Courant (protestants-christelijk) behoort, bestaat een stilzwijgende afspraak elkaar geen vliegen af te vangen. Met het Nieuwsblad van het Noorden, de grootste provinciale krant, is de relatie kil. Het is begin jaren zestig, geruchten over fusies, ontslagen en het opheffen van titels worden alsmaar gevoed. Wat we nog niet beseffen is dat de laatste dagen van de verzuiling zijn ingegaan en de pluriforme, gepolitiseerde pers gedoemd is te verdwijnen. Het Nieuwsblad toont in die ontwikkeling steeds meer de arrogantie van de monopolist. Bovendien ligt de oorlog nog maar kort achter ons en in die periode gedroeg het Nieuwsblad zich verre van courageux.

De roeiboot met de mannen ligt weer afgemeerd tegen de romp van de schelpenzuiger om de jongen moed in te spreken. Tegen beter weten in proberen de mannen de jongen te overtuigen dat hulp aanstaande is. Maar hij reageert niet meer. De klopsignalen zijn opgehouden. We luisteren met ingehouden adem, maar het blijft stil. Na een kwartier en nog een kwartier, als alle hoop is opgegeven, rijd ik bedrukt terug en stop bij het eerste huis dat ik tegenkom met de vraag of ik de telefoon mag gebruiken. Het is al middag, over een half uur sluit de stadseditie. Ik spreek met de redactiechef die een kort nieuwsbericht wil voor de middagkrant en een groot verslag voor de dag erna. Terug op de redactie in de Wipstraat overleg ik met ‘Baas’ de Haan, de hoofdredacteur, gerespecteerd om zijn wijsheid en zijn rol in het Friese verzet. Ik ben jongste verslaggever en de hoofdredacteur spreekt me vaderlijk toe. Hij ziet dat ik onder de indruk ben en zegt dat hij in mijn geval een ingehouden verhaal zou schrijven. ‘Laat je niet meeslepen door gevoelens, schrijf feiten, alleen maar feiten, daar kan geen emotie tegenop.’

‘Een goed verhaal’, zegt hij de andere dag, ‘zo zou ik het ook gedaan hebben.’

En nu, vijftig jaar later, is de rampenjournalistiek een voortdurende bron van ergernis en kwaad. Nietsontziende horden journalisten op zoek naar ellende in hongerend Somalië, speurend naar het leed in platgebeukt Haïti, verlangend naar sensationele beelden in ondergelopen delen van Pakistan. Want die brengen geld op. Kritiekloos achter de hulpverleners aan die vooral zelf welvaren bij al die aandacht. ‘Aid pornography’, noemt Koert Lindijer het, correspondent in Afrika en een van de weinige journalisten die recht van spreken heeft: ‘Wij zouden niet aan dat circus mee mogen doen.’

Het is allemaal lang voorzegd. Hoe ten slotte het verlangen naar opwinding en emotie een omlaaggaande spiraal in de journalistiek zal veroorzaken. ‘Alle media, van de prestigieuze kwaliteitspers tot sensationele pulpbladen, worden aangestoken door het virus van de tabloidcultuur die oppervlakkigheid en slonzigheid verheerlijkt’, voorzag Susie Ohrbach drie decennia geleden in The Guardian Weekend. Er is gewaarschuwd voor de culturele malaise, de neergang van journalistiek en het gebrek aan engagement bij de kranten. En in prachtige, sombere boeken als Media Circus van Howard Kurtz, Tickle the Public van Matthew Engel, Breaking the News van James Fallows en Rupert Murdoch: Ringmaster of the Information Circus van William Shawcross wordt het verval beschreven.

Murdoch die ooit, als jongste verslaggever bij de krant van zijn vader in Perth, bloedstollende koppen maakte, zoals ‘Leper Rapes Virgin, Gives Birth to Monster Baby’ en een dagboek van een schoolmeisje in handen kreeg dat als ‘Schoolgirl’s Orgy Diary’ in de kolommen verscheen waarna een jongen die in het verhaal genoemd werd de hand aan zichzelf sloeg, die Murdoch predikt de slogan ‘modernisering betekent Amerikanisering’. Alles voor het geld. Toen hij de Hitler-dagboeken publiceerde waarvan hij wist dat ze nep waren, zei hij achteraf: ‘After all, we are in the entertainment business.’ En de oplage van The Sunday Times die het bedrog publiceerde schoot met tienduizenden omhoog. Michael Foot zei ooit bij zijn afscheid als voorzitter van Labour ‘dat nooit eerder de journalistiek in Fleet Street zich zo verlaagd heeft sinds de komst van Murdoch’. Pas als op de redacties van zijn tabloids taps en bugs worden ontdekt om te kunnen berichten over het geheime leven van Britse burgers, wordt de mediatycoon tot de orde geroepen.

Natuurlijk, er is altijd ‘gele pers’ geweest. Meer dan honderd jaar geleden lanceert Lord Northcliffe de Daily Mail die al snel een miljoenenoplage bereikt. De Daily Express volgt, de Daily Mirror en The Sun. Maar ze zijn nog onschuldig, met goed nieuws (‘No War This Year’), met aandacht voor vrouwelijke lezers, gossip en veel sport. Elke keer als een nieuwe titel op de markt verschijnt, wordt iets aan de vederlichte formule van de tabloid toegevoegd, alsof journalisten (schrijft Matthew Engel) ‘de smaak van hun generatie begrijpen en de krant net zolang gedijt totdat die wordt ingehaald door nieuwe concurrenten die brutaler en rebelser zijn’. Lord Hugh Cudlipp, het brein achter de Daily Mirror, voorspelt waartoe dat zal leiden: ‘Op de een of andere dag strekt een hand vanuit het graf zich uit naar alle succesvolle krantenondernemingen.’ Ten slotte lanceert Rupert Murdoch, met verfijnd gevoel voor de tijdgeest, zijn S-curve: sex, scandal, sensation and screw the facts.

Maar vijftig jaar geleden is de journalistiek nog redelijk onschuldig. Bij rampen, spannende evenementen en dramatische ontmoetingen is nog plaats voor de lone wolf. Als in januari 1963 Reinier Paping met 22 minuten voorsprong op nummer twee, Jan Uitham, bij De Grote Wielen aankomt, glip ik achter de verslaggever van Tubantia een hotelkamer in De Groene Weide binnen en spreken we exclusief met de winnaar van de Elfstedentocht – languit liggend in het bad. In het perscentrum van het hotel is het een oase van rust.

Een paar jaar later loopt door een navigatiefout van de kapitein in een hevige storm de supertanker Torrey Canyon op de rotsen bij Seven Stones tussen Penzance en de Scilly Islands. De dag na de ramp reis ik voor Trouw naar Plymouth en trek ik langs de kust van Cornwall om de zondvloed te beschrijven. Vanuit een helikopter zie ik de vertraagde deining van de zee, geremd door de zware olie. Ik zal welgeteld zeven collega-verslaggevers tegenkomen.

Het is voor de eerste keer dat zo’n grote tanker ten onder gaat, het schip splijt in tweeën, bijna tweehonderd miljoen liter ruwe olie vloeien in het water. De kust van Cornwall en van Frankrijk raken over grote oppervlakten vervuild. Op het strand creperen duizenden watervogels, vele vierkante kilometers water gaan bedekt onder een laag zwarte olie waar zeehonden en vissen een doodsstrijd voeren. Het is de eerste echte grote door mensen veroorzaakte milieuramp die de aarde treft. De autoriteit staat met wanhopig geheven armen, ten slotte worden gevechtsvliegtuigen ingezet die met raketten de olie op zee in brand zullen schieten. Het spul wil niet branden. Nog decennia later spoelen klompen olie aan op de kust.

In 1967 duikt oorlogsmisdadiger Eric Rajakowitsch plotseling op in Wenen om op een persconferentie een boek over zichzelf aan te kondigen én zijn terugkeer naar zijn oude woonplaats Graz. Dagblad Trouw, dat vanuit zijn verzetsverleden de opsporing van oorlogsmisdadigers nauwkeurig volgt, wil dat ik onmiddellijk naar Wenen afreis. Het enige lijnvliegtuig dat vertrekt zal een half uur op mij wachten, want de geschreven pers wordt in die dagen nog gedragen ‘koningin der aarde’ genoemd. Rajakowitsch, ooit een van de adviseurs van Eichmann, heeft enkele jaren eerder een gevangenisstraf in Oostenrijk uitgezeten voor de moord op 83 Franse joden, is na zijn vrijlating ondergedoken in Joegoslavië en eist nu zijn legale status op. Maar Nederland wil zijn uitlevering voor medeplichtigheid aan de deportatie van tienduizenden joden. De Oostenrijkse regering vindt het ongebruikelijk om een eigen onderdaan uit te leveren. Simon Wiesenthal van het Joods Documentatie Centrum in Wenen volgt nauwlettend elke beweging van Rajakowitsch die maar één stap over de grens hoeft te zetten om te kunnen worden opgepakt. Een groep mensen uit Amsterdam wint advies in bij een advocaat om de oorlogsmisdadiger te ontvoeren en naar Nederland te brengen. Op de persconferentie ontstaat groot tumult, Rajakowitsch wordt bespuwd en bedreigd en door agenten afgevoerd. Een handvol verslaggevers en twee Nederlandse correspondenten in Wenen noteren de gebeurtenissen. Rajakowitsch zal nog elf jaar een onopvallend bestaan leiden in Graz. Nederland doet nauwelijks nog pogingen hem voor de rechter te brengen.

In datzelfde jaar wordt het noordoosten van Iran, dat dan nog Perzië heet, opnieuw getroffen door een hevige aardbeving. Er wordt gesproken van meer dan tienduizend doden. Ik doe verslag vanuit het stadje Khakk, een groot dorp niet ver van Mashad waar schimmen door de puinhopen dwalen, woordeloos, opgesloten in verdriet. We zijn met zes verslaggevers, we slapen in een tent en voelen de kilte van de nacht als de temperatuur ver onder nul zakt. Op een avond zie ik een oude, gebogen man jammerend op een kleed voor een hoop stenen waar zijn huis stond. Als hij mij ontdekt komt hij dreigend met een stok op me af, ik heb hem gestoord in zijn gebed. Beschaamd wend ik me af.

Pas vele jaren later, het is 1989, zal ik ontdekken hoe de journalistiek het beeld van de wereld verandert. De muur is nog niet gevallen maar hier en daar zijn barsten zichtbaar. Begin december krijg ik een visum van de Roemeense ambassade om het congres van de communistische partij in Boekarest te bezoeken. De stad gaat verborgen in volslagen duisternis, er is honger, gebrek aan warmte en aan elektriciteit. Alleen de lichten van de landingsbaan zijn aan. De andere ochtend begint de laatste grote dag voor Nicolae Ceaucescu. Vanuit de provincie voeren oude, stinkende bussen duizenden partijleden vanuit alle hoeken van het land aan. Het is hun aan te zien dat ze hier niet uit vrije wil zijn. In de afgeladen congreshal zit Ceaucescu naast Yasser Arafat, ze omhelzen en kussen elkaar vele malen, de zaal juicht en klapt. Samen met de verslaggever van El Mundo volg ik de strakke regie en tellen we de hoogtepunten. De vergadering duurt vier uur en in die tijd wordt 120 keer anderhalve minuut lang geapplaudisseerd. Op straat zijn georganiseerde spontane optochten en de uitverkoren partijleden die de president en zijn vrouw Elena heel dicht mogen naderen slaken vreugdekreten als hij een kind optilt. Wij – minder dan een dozijn verslaggevers – mogen hem zelfs een vraag stellen.

Twee weken later is het echtpaar Ceaucescu dood. Ik reis terug en ben plotseling onderdeel van een circus van honderden journalisten, verslaggevers, presentatoren, cameramensen, geluidstechnici, assistenten, nieuws-anchors – er valt geen normaal mens meer te ontdekken.

En in 1995, als het water hoog tegen de Nederlandse dijken staat, ontdek ik een journalistiek die ver buiten de werkelijkheid staat. Ik wantrouw deskundigen en mijd autoriteiten, maar ik heb enige kennis van water. Ik heb een levenlang aan dijken gewoond, ik ben gefascineerd door de woorden uit Prediker, ‘alle beken stromen naar de zee, nochtans wordt de zee niet vol, naar de plaats waarheen de beken stromen daarheen stromen zij altijd weer…’, en ik houd van de woorden van Heraclitus die zegt dat ‘het onmogelijk is tweemaal in dezelfde rivier te treden, steeds stromen nieuwe wateren…’

In 1953 ontsnap ik samen met mijn moeder en zusje in een bestelauto uit het laagste deel van ons dorp. In de twintig minuten die we nodig hebben om de hoger gelegen ring te bereiken, breekt de dijk rondom het Haringvliet op zeven plaatsen en rolt een twee meter hoge watergolf door de polder achter onze bestelauto aan. We zijn de laatsten die de hoogte bereiken, enkele minuten later is de zwarte leegte achter ons zee.

In 1995 staat het water hoog en komt de ­dreiging van een paar lokale autoriteiten die in een ogenblik van onwetendheid de opdracht geven tot evacueren. In een chaotische vlucht vertrekken tweehonderdduizend mensen uit het ‘rampgebied’. De andere dag wordt het laagland in het rivierengebied bezet door lange colonnes reporters van cnn, bbc, Sky, de Japanse, Franse, Spaanse en Duitse televisie. Ook de helft van Hilversum is uitgelopen. Je voelt als het ware de lucht zinderen van opwinding, verlangen en verwachting. Er worden, hoe schandalig, ­vergelijkingen gemaakt met 1953. Er worden onzinnige dingen verteld en voorspeld. ‘Als de dijk breekt’, voorspelt de verslaggever van het NOS- Journaal die in het centrum van Tiel staat, ‘dan zal het water wel zó hoog komen.’ En hij heft de armen tot ver boven de twee meter. In ­werkelijkheid zijn Tiel en Zaltbommel en de meeste plaatsen in het rivierengebied op ­stroomruggen gebouwd waardoor bij een overstroming het water tot de enkels en misschien iets hoger kan rijzen. Er worden scheuren gemeld die helemaal geen scheuren zijn, de werkelijkheid wordt voortdurend geweld aan­gedaan. Er komt geen overstroming. Na een paar dagen ebt het water weg. En de realiteit, een paar dagen gekaapt door het mediacircus, keert terug.


Rudie van Meurs (1939) werkte voor Trouw, Vrij Nederland en de VPRO