Voorbij de crisis - Het Chinese model

Op zoek naar het geheim van Beijing

Terwijl het oude continent steunt onder de eurocrisis blijven de jonge markteconomieën onder leiding van China onstuimig groeien. Bezit Beijing het recept voor een nieuw kapitalisme?

Medium china2011

Op de foto staan mister Wang en ik arm in arm. Alsof we de beste vrienden zijn. In werkelijkheid hebben we, toen we jaren geleden op dezelfde boot over de Chinese Jangtse-rivier dobberden, amper een woord gewisseld. Mr. Wang, leraar Engels, sprak nauwelijks Engels. De bijna veertig jonge collega-docenten met wie hij op reis was evenmin. Vreemd misschien voor een land dat niet alleen de werkplaats van de wereld is maar ook tot de innovatiefste economieën wil behoren. Maar het stond eindeloze handen-en-voeten-dialogen, fotosessies en hartelijke uitnodigingen thuis niet in de weg. Mr. Wang en zijn collega’s hadden zin in de toekomst, en in de wereld.
Voor dat aanstekelijke optimisme hadden ze alle reden. China groeit al dertig jaar als kool. Het resultaat is niet alleen een miljoen miljonairs, maar het land telt ook driehonderd miljoen minder armen dan voorheen. Terwijl het oude continent kreunt en steunt onder de eurocrisis en de Verenigde Staten verlamd lijken door politieke twisten verliest de Chinese economie amper aan vaart. Het IMF voorspelt voor dit jaar zeker negen procent groei.
Daarmee toont het land zich de onbetwiste aanvoerder van de zogenoemde ‘BRIC-landen’: Brazilië, Rusland, India en China. Deze jonge, opkomende markteconomieën belichamen de hoop in bange dagen voor de strompelende wereldeconomie. De voorlopige kroon op hun succes volgde eerder dit jaar. Uitgerekend het welvarende, ooit zo machtige Europa moest bij de BRICs bedelen om financiële bijstand. Met hun onwaarschijnlijke financiële reserves - alleen China al nadert dankzij zijn structurele handelsoverschot het onwaarschijnlijke getal van 3,5 biljoen dollar - zouden zij het Europese reddingsfonds EFSF moeten spekken.

Het is de wereld op z'n kop. Maar wie dacht dat de voormalige ontwikkelingslanden gretig zouden toehappen, kwam bedrogen uit. Vooralsnog houden ze gepaste afstand tot het Europese geharrewar. Net zoals ze met hun sterke staat, grote thuismarkt en omvangrijke infrastructurele projecten al jaren een eigen koers varen, wars van westerse neoliberale recepten. Hoe harder de crisis in Europa en Amerika toeslaat, hoe onverstoorbaarder China doorgroeit, hoe sterker de interesse toeneemt in het hoe en waarom van dat succes. Wat is het geheim van China? Is zijn economie vooral groter en goedkoper, of pakken de Chinezen het wezenlijk anders aan? En kunnen andere landen dit kopiëren?
'Ik denk helemaal niet dat er zoiets bestaat als een specifiek Chinees kapitalisme’, reageert China-kenner Francesco Sisci nuchter vanuit Beijing. Sisci, een Italiaanse commentator die al sinds jaar en dag in het Rijk van het Midden woont, ziet om zich heen vooral veel 'traditioneel kapitalisme’. 'De Chinese staat is slim genoeg geweest om de markt te volgen’, betoogt hij. Dat staat haaks op het algemene beeld van China als een economie waarover de staat de scepter zwaait. 'Jawel, de Chinese overheid ziet in grote lijnen toe op de richting die de economie uitgaat’, geeft Sisci schoorvoetend toe. 'Maar daarin is zij niet uniek. Iets dergelijks zie je ook in andere Aziatische landen, zoals Zuid-Korea en Japan.’ En de vijfjarenplannen die de Chinese communistische partij nog altijd opstelt? 'Daarin staan geen harde cijfers die gehaald moeten worden. Je moet zo'n vijfjarenplan meer zien als een statement van wat China de komende periode graag zou willen bereiken.’

Wel lijkt sinds 2009, op het hoogtepunt van de bankencrisis, een voorzichtige kentering opgetreden. Sisci: 'Voor het eerst in dertig jaar is het aandeel van de staatsbedrijven in de economie weer toegenomen. Dat komt door het enorme stimuleringspakket waar de Chinese overheid mee kwam in reactie op de kredietcrisis. In dat kader hebben de banken grote sommen geld geleend aan concerns die in handen zijn van de staat. Die hebben vervolgens private bedrijven verdrongen. Maar of dit een definitieve breuk is met het verleden, dat vind ik moeilijk te beoordelen.’
Lang niet iedereen zal Sisci’s relativerende visie onderschrijven. Veel waarnemers menen dat er wel degelijk een speciaal model ten grondslag ligt aan de Chinese successen. Het zou gaan om een wonderlijke cocktail van kapitalisme, communisme en confucianisme. Op het meest recente World Economic Forum in het Zwitserse Davos, waar de machtigen der aarde elkaar ieder jaar ontmoeten, lag de term hiervoor op vele lippen: de 'Beijing Consensus’.
Dat begrip wordt doorgaans toegeschreven aan een Amerikaanse consultant, Joshua Cooper Ramo. In 2004 publiceerde deze voormalige Time-redacteur en medewerker van Henry Kissinger een geruchtmakende paper onder de titel The Beijing Consensus. Daarmee gaf Ramo aan dat het kapitalisme Chinese stijl in zijn ogen een alternatief vormt voor de in diskrediet geraakte 'Washington Consensus’. Anders dan die door het Westen opgelegde doctrine, aldus Ramo, gelooft de nieuwe Beijing Consensus niet in 'uniforme oplossingen voor elke situatie’.
Over wat deze nieuwe consensus dan wél inhoudt, toonde Ramo zich minder duidelijk. In zijn rapport ging hij niet verder dan drie breed geformuleerde kenmerken. Behalve door 'de onbuigbare wil om te innoveren en te experimenteren’, kenmerkt de Beijing Consensus zich ook door 'een actieve verdediging van nationale grenzen en belangen’. Daarbij geeft ze bovendien prioriteit aan een evenwichtige ontwikkeling en gelijkheid boven het verschaffen van luxegoederen. Die conceptuele vaagheid heeft andere China-watchers niet gehinderd het begrip over te nemen en naar eigen inzicht in te vullen. Vrijwel altijd benadrukken zij daarbij de oppermacht van de autoritaire staat over de markt. Hierdoor kunnen Chinese bedrijven meer oog hebben voor hun ontwikkeling op de lange termijn. Dat zou hun een voorsprong geven in de strijd met de westerse concurrentie, die gedreven wordt door het kortademige aandeelhouderskapitalisme.

Sommige denkers gaan nog een paar stappen verder. Zij zien China als vertegenwoordiger van een geheel nieuw tijdperk in de wereldgeschiedenis. Zoals de inmiddels overleden Giovanni Arrighi, hoogleraar sociologie aan Johns Hopkins University. In zijn in 2007 verschenen boek Adam Smith in Beijing presenteerde hij het Chinese ontwikkelingsmodel als het spiegelbeeld van het op blinde groei en militaire macht gestoelde westerse kapitalisme. Door China’s opkomst is de wereld een flink eind op weg in de richting van de ideale markteconomie zoals Adam Smith die heeft geschetst in The Wealth of Nations. De titel van Arrighi’s boek is dan ook een variatie op een uit kringen van Italiaanse autonome marxisten afkomstig idee. Daarin heette het dat niet Europa of Rusland, maar het Amerikaanse Detroit het epicentrum was van de door Marx beschreven pure klassenstrijd. Op zijn beurt wijst Arrighi China aan als de plek waar de ideeën van Smith in hun meest zuivere vorm zijn terug te vinden.

IS ER NU WEL of geen Chinees model? Belichaamt het land een nieuw soort economie, of doet het met zijn goedkope arbeidskrachten slechts het negentiende-eeuwse kapitalisme dunnetjes over? De waarheid ligt in het midden, denkt Peter Ho, hoogleraar Chinese economie en ontwikkeling. Op zijn werkkamer aan de Universiteit Leiden geeft hij zijn visie op China’s stormachtige groei. Het Chinese model, aldus Ho, is misschien wel dat er geen model is. Want als er íets kenmerkend is voor de ontwikkeling van China, dan is het zijn pragmatische aanpak.
'China heeft sinds het begin van de economische hervormingen in 1978 heel erg zijn eigen koers gevaren, in weerwil van alle buitenlandse adviezen en westerse specialisten’, legt Peter Ho uit. 'Het heeft zich niet laten vastpinnen op een ideologie. Of die nu neoliberaal is of communistisch. En met succes. Rusland heeft wel zo'n economische schoktherapie doorgevoerd. Het worstelt nu nog met de naweeën daarvan. Dat mislukte experiment was voor China echt de alarmbel. Tot die tijd pleitten sommige Chinezen er ook voor om grond, arbeid en kapitaal radicaal te privatiseren. Dat is niet gebeurd. In plaats daarvan is de grond bijvoorbeeld staatseigendom gebleven en ontstond een pachtsysteem. Dat is eigenlijk een heel elegant compromis. Het maakt het mogelijk gebruikersrechten aan individuen toe te wijzen, zonder de hele beerput van eigendomsrechten open te trekken zoals in Rusland gebeurd is. Zelfs een buitenlands concern als Siemens pacht de grond waar zijn fabrieken op staan.’
Het Chinese pragmatisme is een direct uitvloeisel van het door en door ideologische regime van Mao. Als reactie daarop verkondigde hervormer Deng Xiaoping dat het er niet toe doet of een kat zwart of wit is, zolang hij maar muizen vangt. 'Met die pragmatische aanpak vloekte hij in de communistische kerk’, zegt Ho. 'Maar China had toen het begon met economische hervormingen geen enkel referentiekader. Er was op dat moment geen land dat ooit die transitie van een socialistische planeconomie naar een markteconomie had gemaakt. Het moest de rivier oversteken door steen voor steen af te tasten. Gedurende dat proces heeft China de ervaring opgedaan dat je veranderingen niet van bovenaf kunt opleggen. Je moet kijken naar vernieuwing van onderaf. Die wordt gefaciliteerd en vervolgens, als ze succesvol blijkt, onderdeel gemaakt van nationaal beleid.’

Als voorbeeld van die werkwijze noemt Ho de rurale industrialisatie. 'Dat is hét moment geweest dat de economische groei in China op gang kwam. Die groei begon niet in de steden of de speciale economische zones, zoals in het Westen vaak gedacht wordt. Het gebeurde op het platteland. Met de zogenaamde Township and Village Enterprises ontstond daar een mengvorm tussen lokale staat en bedrijven. Een groot deel van onze schoenen en kleding komt nog altijd van zulke bedrijven.’
De les voor de rest van de wereld? Overhaast niet, meent Ho. Trek je niets aan van ideologische blauwdrukken, maar zoek je eigen gulden middenweg. Daarbij oriënteert China zich, alle ideeën over een Beijing Consensus ten spijt, nog altijd sterk op het Westen. 'Als het om sociale zekerheid of pensioenen gaat, zie je bijvoorbeeld dat China heel erg naar Europa kijkt’, meent Ho. Zelf heeft hij het land in het verleden geadviseerd over het opzetten van een kadaster. 'Dan zie je dat China enorm geïnteresseerd is in kennis. Ze zuigen het op. Tegelijkertijd proberen ze een vertaalslag te maken. Want het kadaster is een historisch gegroeide institutie. Die kun je niet één op één kopiëren vanuit Nederland. Juist daarvan is China zich heel erg bewust.’
Commentator Francesco Sisci bevestigt dat pragmatische karakter van de Chinese politiek. In plaats van zich blind te staren op een mogelijke Beijing Consensus is China volgens hem bovenal geïnteresseerd in welke economische koers zich het meest uitbetaalt. 'Er is de laatste jaren veel discussie over hoe effectief het westerse economische model is’, vertelt Sisci. 'En China volgt ook met grote interesse hoe de democratisch gekozen regeringen van de Europese Unie en de VS er maar niet in slagen de problemen in hun landen aan te pakken.’ Alles hangt daarom af van de komende tien jaar, verwacht Sisci: 'Als het Westen er binnen die tijd in slaagt de economische groei te herstellen, zal China met graagte dat model volgen.’

MAAR 'VOLGEN’ is niet langer een woord dat vaak wordt gebruikt als het om China gaat. Nu het Japan heeft afgelost als tweede economie ter wereld buitelen economen over elkaar heen met voorspellingen wanneer het land de allergrootste zal zijn. In een scenario van bank HSBC werd een jaar geleden 2050 genoemd. De Wereldbank hield het een paar maanden later op 2030. Anderen gaan uit van 2020. En het IMF heeft inmiddels bekendgemaakt dat China al in 2016 de Verenigde Staten kan inhalen.
Bij dat gegoochel met jaartallen kunnen de nodige vraagtekens worden gezet. Op de hele aardbol geldt de zwaartekracht. Maar als het om China gaat, veranderen ondernemers, economen en trendwatchers ineens in gestaalde communisten. De Volksrepubliek ontwikkelt zich in een kaarsrechte lijn naar boven.

Toch wijst niets erop dat China een wondermiddel heeft uitgevonden om de kapitalistische zwaartekracht te omzeilen. Het beste wat het te bieden heeft is het door Ho geroemde pragmatisme. Dat geeft zelfs de man achter de Beijing Consensus met zoveel woorden toe. China’s aanpak, schrijft Ramo, 'is zo flexibel dat zij nauwelijks een doctrine genoemd kan worden’.
Dat betekent ook dat China op de lange termijn niet immuun zal zijn voor de misère waarin de westerse economieën zich bevinden. De aanwijzingen daarvoor stapelen zich op. China gaat met zijn enorme populatie als geen ander de gevolgen van de vergrijzing ondervinden. Het kampt met wankele banken, corruptie en een levensgevaarlijke vastgoedzeepbel. Het land is ook nog altijd zeer afhankelijk van de export. Daarbij is het de vraag of de zo vurig gewenste kenniseconomie wel te realiseren valt onder het huidige autoritaire systeem. Maar bovenal kampt het land met groeiende sociale onrust. Het aantal jaarlijkse incidenten zou inmiddels ver boven de honderdduizend liggen.

Wat niet wil zeggen dat het systeem wankelt op zijn grondvesten. 'China is anders dan de Sovjet-Unie niet uit elkaar gevallen’, merkt hoogleraar Peter Ho desgevraagd op. 'Dat heeft alles te maken met hoe China conflicten stuurt en begeleidt. In het Westen bestaat het idee dat de Chinese leiders het vertikken politieke hervormingen door te voeren. Dat is apert onwaar. Anders had je nu echt wel een Chinese lente gehad. Nee, China is al dertig jaar aan het polderen.’ Ho noemt als voorbeeld de steeds actievere opstelling van het Volkscongres bij het aan de kaak stellen van misstanden. 'Niet dat het Volkscongres een soort Tweede Kamer is. Maar je moet eens met die parlementariërs gaan praten. Het zijn uitstekend opgeleide mensen: juristen, advocaten, hoogleraren. En ze zijn prima op de hoogte van wat hun taak is als volksvertegenwoordiger. Die willen ze ook zo goed mogelijk uitoefenen. Niet door naar het plein van de Hemelse Vrede te gaan, maar door van binnenuit politieke verandering te bewerkstelligen.’

De veelgeprezen pragmatische gulden middenweg kan dus ook wel eens gelden voor China’s eigen toekomst. De nieuwe grootmacht wordt niet bedreigd door totale chaos. Maar ze heeft evenmin de kaarsrechte lijn naar boven voor zich die het IMF en sommige banken haar toedichten. Het land staat net zo min boven de economische en sociale wetmatigheden als de rest van de wereld. Dus zal ook China de komende twintig jaar ten minste één keer slachtoffer worden van een forse economische crisis, of de aanleiding nu ligt in de vastgoedzeepbel, instortende aandelenbeurzen of toch een internationale ruzie over het gigantische handelsoverschot.

En als de Beijing Consensus nou toch niet vatbaar blijkt voor kapitalistische crises en sociale onvrede? Geloof me, mister Wang en ik hebben het verder op de Jangtse-rivier, bij de toen nog in aanbouw zijnde Drieklovendam, met eigen ogen gezien. Ook in China stroomt het water naar beneden. Niet naar boven.


Beeld: Stephen Shaver / Eyevine / UPI / HH