Op zoek naar het grote gevoel

Ruth Prawer Jhabvala, Dichteres en danseres, uitgeverij Anthos, 179 blz., \f34,90
Als kind ontvluchtte ze nazi-Duitsland. Ze leefde in Engeland, India en New York. Haar filmscripts werden gelauwerd, evenals haar romans. Een gesprek met schrijfster Ruth Prawer Jhabvala over de voordelen van ontworteldheid en de hang naar overgave.

DE MEESTE MENSEN, denkt de schrijfster, zijn op zoek naar overgave. Vandaar ook dat de liefde in deze maatschappij zo hoog staat aangeschreven. En dan natuurlijk vooral de seksuele component daarvan. Goddank niet jezelf hoeven zijn, maar deel uitmaken van een ander. Die daarmee minstens medeverantwoordelijk is geworden en zo de taak krijgt zin te geven aan jouw bestaan. Geen keuzes meer, geen schuld, geen afwegingen en beslissingen.
Voor Ruth Prawer Jhabvala is dat het thema van deze tijd. Na de idealen en de religie bestaat de wereld voor haar uit mensen op zoek naar passiviteit, naar iemand die de controle overneemt. Exit individualiteit, weg met verantwoordelijkheidsgevoel. Niets liever dan lethargisch achterover hangen en het leven laten gebeuren. Beter vernietigd worden dan risico lopen.
In Jhabvala’s laatste boek, Poet and Dancer, dat herfst vorig jaar als Dichteres en danseres bij Anthos verscheen, is het Angel die zich met graagte overlevert aan haar nichtje Lara. Als achtjarige kinderen zijn ze elkaar voor het eerst tegengekomen en bij die gelegenheid is Angel seksueel en anderszins hopeloos voor haar dan al wereldwijze familielid gevallen. Bij de tweede ontmoeting, vijftien jaar later, is Lara veranderd in een neuroot die niets heerlijker vindt dan mensen tot het uiterste drijven. En zo mogelijk verder. Jhabvala zoekt de reden daarvoor naar goed gebruik in de jeugd van het meisje. Een moeder die zelfmoord pleegde nadat ook een goeroe in India de verlossing niet had kunnen brengen en een vader die zijn redding vooral in dames en pillen zocht. Angel, als enig kind grootgebracht door ouders en grootouders die haar verafgoodden, wil niets liever dan Lara’s geesten verjagen met de opofferingsgezindheid die zij vroeger thuis voorgeleefd heeft gekregen. Liefde als antwoord op alles en happy ever after.
Maar Jhabvala gelooft er niets van. Macht, manipulatie en destructie zijn voor haar onontkoombare gevolgen van het verlies van controle. In Dichteres en danseres maakt ze dat nog eens buitengewoon duidelijk.
ZELF HEEFT DE schrijfster het altijd weten te voorkomen, de uitlevering aan ‘het grote gevoel’. En dat is niet voor niets. In haar vrijwel lege appartement in New York, in de schaduw van het gebouw waar diplomaten in dienst van de Verenigde Naties ook al hun best doen tot compromissen te komen, beschrijft ze haar kindertijd. De jaren twintig in Keulen, als dochter van een Poolse lakenfabrikant. Een bekend en al bijna afgezaagd verhaal van jood-zijn in de verkeerde tijd. Achterna gezeten worden, klappen krijgen, scheldpartijen. En in 1939, net op tijd, de vlucht naar Engeland. 'Ik werd zo ontzettend ziek van de overtocht, dat ik met mezelf afsprak dat ik nooit meer terug zou gaan. Die belofte heb ik gehouden.’ Het opnieuw opbouwen van het bedrijf. De zucht naar Englishness, vermengd met een voor het eerst geregistreerde gevoelloosheid. 'Ik heb nooit meer iets gegeven om de plek waar ik woonde. Als je eenmaal een buitenstaander bent, blijf je dat ook. Instant-geforceerde bevrijding. En een perfect uitgangspunt voor een schrijver. Oorlog helpt de ziel met het doorsnijden van de banden en het kijken zonder particuliere emotie.’
Vandaar dat Jhabvala’s hoofdpersonen altijd op zoek zijn naar iets of iemand om bij te horen, om zich aan over te leveren. Al is het maar even, 'the awful daring of a moment’s surrender’, zoals ze met instemming T. S. Eliot citeert. Tot mislukken gedoemd natuurlijk, en dat levert doorgaans niet de geroemde vrijheid op, maar rimpelloze eenzaamheid met soms een uitbarsting van verzet en hoop. Jhabvala: 'Onthechting is een relatief begrip. Om te compenseren dat er geen plek is waar mijn naam geschreven wordt, ben ik bijna eeuwigdurende relaties met mensen aangegaan. Ik ben al 44 jaar getrouwd met dezelfde man, vrienden maak ik voor het leven. Ik heb het land vervangen door mensen.’
Na haar huwelijk met een Indiase architect woonde Jhabvala bijna 25 jaar in Bombay, waar ze drie dochters opvoedde en twaalf boeken schreef. Ze raakte er geboeid door de zoektocht van vooral jonge Europeanen naar de spiritual fulfillment die het land te bieden zou hebben. Iedereen zijn eigen goeroe, een man die alle antwoorden heeft. Een andere vorm van overgave.
'Zoet maar, alles komt goed, papa zal voor je zorgen. Zo snel mogelijk je ego aan de kant schuiven, wanhopig proberen van je eigenheid, van dat lastige stemmetje in je hoofd af te komen. De zucht naar eenvoud, naar eenduidigheid van gevoel. Een ding tegelijk, in godsnaam geen twijfels en complicaties. Dat is waarschijnlijk ook de reden waarom we verliefd worden. Eindelijk vrij van je authenticiteit, gepassioneerd verdronken in de ander. Onderwerping. Levensgevaarlijk, maar wel waar we met z'n allen naar streven.
Misschien fascineert het me wel omdat ik er zelf niet toe in staat ben. Ik heb nog nooit grote gevoelens gehad. Zeker, er zijn mensen waar ik van hou, maar altijd op afstand. Dat geldt ook voor mijn kinderen. Ik zou het vreselijk vinden als hen iets overkwam, maar zelfs de emotie die bij die gedachte hoort, vind ik al lichtelijk belachelijk. Het is me te primair, vermoed ik, te rauw. Het is zo erg alleen maar leven, terwijl ik meer het type ben van verwerken en vertalen.
Ik ben ook niet religieus aangelegd. Waarschijnlijk is elke passie mij vreemd. Of ben ik gewoon tevreden met wat er is. Hoef ik niet zo nodig meer, hoger, groter, dieper, intenser.’
Over dat zoeken naar meer schreef ze een serie cynische en beklemmende boeken, waaronder Heat and Dust, dat haar in 1975 de Bookerprize opleverde. 'Ach, die arme Engelsen. Die in hun onschuld niet komen om te veroveren, maar om veroverd te worden. Looking for spirituality and get dysentery instead.’
AAN HAAR TIJD in India hield Ruth Prawer Jhabvala wel een vriendschap over met producenten/regisseurs Ismail Merchant en James Ivory, met wie ze nu al zo'n 35 jaar films maakt. Voor haar adaptatie van E. M. Forsters Passage to India kreeg ze haar eerste Oscar-nominatie. Een prijs die ze met haar scripts voor A Room with a View en Howards End ook echt won. En ook vorig jaar stond haar naam weer op het lijstje van de Academy, ditmaal voor The Remains of the Day.
Jhabvala: 'Schrijven voor film is ontspanning. Even ben je niet alleen van jezelf afhankelijk, is er iemand anders die je tot concentratie dwingt. Fouten die je maakt, worden gecorrigeerd en als je zin hebt kun je iemand anders de schuld geven. Boeken zijn zo persoonlijk, ze snijden zo diep. Je moet altijd maar eerlijk zijn en wroeten in gevoelens en gebeurtenissen die je het liefst rustig zou laten verdwijnen. En je weet zelden waar het heen gaat, bent afhankelijk van het verhaal en van wat je hoofdpersonen willen. Het is zo slordig en onvoorspelbaar en het houdt nooit op. Ze zeuren maar door, die karakters, en allemaal willen ze iets anders. Dat gevecht om aandacht vind ik naarmate ik ouder wordt steeds vermoeiender. Het doet eigenlijk nog het meest denken aan de vroege jeugd van mijn dochters, maar kinderen kun je tenminste af en toe in bed stoppen.
Film daarentegen is netjes en overzichtelijk. Je weet waar het over gaat en wanneer het af is, en voor het eindprodukt ben je maar gedeeltelijk verantwoordelijk. Een groot voordeel is dat ook de karakters zich doorgaans aan kantooruren houden. En je kunt direct beginnen. Op een boek moet je wachten; het dient zichzelf aan, valt niet te forceren. Niet uit de weg te gaan ook. Film is gewoon werk.’
En natuurlijk is al veel informatie voorhanden, is het zoeken naar inhoud meer een kwestie van journalistieke research dan van grijpen wat zich aandient. Zoals Jhabvala zich de laatste maanden heeft beziggehouden met research naar Thomas Jeffersons tijd als Amerikaanse ambassadeur in Parijs, tijdens de Franse revolutie. Dit voor een film die, met Nick Nolte en Greta Scacchi in de hoofdrol, in de lente dit jaar zal uitkomen. Maar dan is de schrijfster alweer bezig met de naoorlogse jaren van Picasso. Jhabvala: 'Wat ik als scriptschrijver maak, hoeft alleen maar waar te zijn, of in ieder geval te lijken op de werkelijkheid. Een boek moet ook nog emotioneel juist zijn en verbonden zijn met herinnering.’
WAREN JHABVALA’S vroege boeken nog met wat goede wil onder de noemer social comedy te brengen, de laatste jaren heeft het pessimisme toegeslagen. Zeker waar het de mensheid betreft. Een van de belangrijkste redenen daarvoor ligt in India. De armoede, de domheid, de onverschilligheid. 'De eerste tien jaar kon ik er redelijk makkelijk aan voorbij gaan. Ik liep langs een bedelaar zonder dat het me raakte. Maar op een gegeven moment was mijn harde schijf vol. Elke onrechtvaardigheid begon me te ergeren en mijn beeld te vertroebelen. Het was het enige geworden wat ik nog kon zien. En daardoor begon ik me steeds meer een buitenstaander te voelen. Wat had ik te maken met mensen die dit lieten gebeuren, die het normaal vonden dat om hen heen honger geleden werd?’
Het bracht haar in een isolement, deed haar verlangen naar een plek 'met mensen zoals ik’. Een plek ook, waar discriminatie niet zo buitengewoon hinderlijk aanwezig was. 'Altijd aangesproken worden op het feit dat je wit bent en Europeaan en dus een kolonist en onderdrukker. Terug bij af: dit keer niet als jood, maar als blanke vervolgd worden. Er waren mensen die niet met mijn man wilden samenwerken omdat hij “zo'n soort” vrouw had. Erger dan onaanraakbaar. Ik had last van het zichtbaar zijn. Vooral als schrijver is dat vervelend. Je kunt niks zien als iedereen naar jou kijkt.
Hier in New York is iedereen buitenlander, vluchteling, anders. Dit is een stad vol eenlingen en het is aangenaam om dat gemeenschappelijk te hebben. Ik werd zo eenzaam van het collectieve in India. Dat komt natuurlijk ook omdat ik ouder werd en daardoor buitenlandser dan ik was. Vroeger geloofde ik dat nooit, maar het is waar. In een land waar je niet thuishoort, worden je landskenmerken steeds meer uitvergroot, totdat je alleen nog “de Engelsman” bent. Wat mij ervan overtuigt dat de basis het allerbelangrijkste is en blijft. De eerste jaren van je leven bepalen een mens meer dan alles wat daarna komt.
Een oudere vriendin van mij, die geboren is in India maar vrijwel haar hele leven in Amerika heeft gewoond, lijdt nu aan dementie. En spreekt alleen nog Hindi. Daar ben ik wel eens bang voor. Oud worden en opeens Duits gaan praten. Zodat het net lijkt alsof er een verband is tussen dat land en mij. Wat niet waar is, natuurlijk. Je kunt geen onderdeel uitmaken van iets dat je met zoveel kracht heeft afgewezen. Als je je wortels geen bodem geeft, zullen ze zich niet hechten.’