De wisselvalligheden van de Europese integratie

Op zoek naar het verloren Atlantis

De hoop op een nieuw Europa, zoals in 1992 expliciet gemaakt in het Verdrag van Maastricht, is niet langer zichtbaar, noch in de media, noch in de politiek. Hoe behouden we de open geest van toen?

De val van de Berlijnse Muur, 11 november 1989 © Peter Turnley / Corbis / Getty Images

Afgelopen najaar herdachten we dat de Eerste Wereldoorlog honderd jaar geleden ten einde kwam. Volgens de Britse historicus Norman Davies markeert de Eerste Wereldoorlog het begin van een periode van 75 jaar, de periode waarin Europa ‘verdeeld werd door de langste van haar burgeroorlogen’, die duurde van 1914 tot 1990. Het was het vredesverdrag met en over Duitsland dat in 1990 een einde maakte aan de orde van Jalta en Potsdam, en Duitsland herenigde. Het legde het fundament voor het einde van de Koude Oorlog en de hereniging van Europa, gefaciliteerd door het proces van de Europese integratie, en herbevestigd in het Verdrag over de Europese Unie, dat 27 jaar geleden in Maastricht werd ondertekend.

In 2016 gaf Federica Mogherini, de Hoge Vertegenwoordiger van de Europese Unie voor Buitenlandse Zaken en Veiligheidsbeleid, een toespraak in Maastricht ter gelegenheid van de 25ste verjaardag van het Verdrag van Maastricht. In haar toespraak somde Mogherini in kort bestek de enorme ambities op die destijds zwart op wit waren vastgelegd: ‘Het Verdrag van Maastricht (…) was een revolutie: voor het eerst in de wereldgeschiedenis werd het bouwen aan de vrede de aspiratie van een heel continent.’ Federica Mogherini is een kind van de jaren negentig. Ze werd in 1973 geboren en ging begin jaren negentig naar de universiteit. In haar toespraak bracht zij de geest van die tijd in herinnering, toen zij zei: ‘Ik herinner mij heel goed de hoop van mijn generatie aan het einde van de Koude Oorlog, de stoutmoedige hoop op en de verwachtingen van een “nieuwe wereldorde”.’

Wat Norman Davies Europa’s langste burgeroorlog heeft genoemd, begon ruim honderd jaar geleden, in 1914, met de Eerste Wereldoorlog – de Grote Oorlog. Tot op de dag van vandaag weet niemand precies waarom deze oorlog is uitgebroken. Ondanks bibliotheken vol onderzoeken en historische reconstructies over het onderwerp tasten we nog steeds in het duister als het gaat om die cruciale vraag: waarom is Europa die oorlog begonnen die een einde maakte aan de vrede?

Terugblikkend op dat fatale moment in de Europese geschiedenis heeft de Franse romanschrijver Roger Martin du Gard, tijdens de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw, zijn grote familie-epos Les Thibaults geschreven: honderden en honderden pagina’s boeiend proza, waarin hij de onbegrijpelijke dynamiek beschrijft van fake news en reële bluf in de aanloop naar de Eerst Wereldoorlog; deze gekmakende rat race van dikdoenerij van landen en individuen, die Europa – binnen de kortste keren – te gewelddadig en te machtig werd.

In het laatste deel van zijn boek beschrijft Martin du Gard de zomer van 1914, waarin letterlijk niemand kon ontsnappen aan de grote transitie van vrede en vrijheid naar oorlog en dwang – de transitie, die het Europa van vóór de Grote Oorlog zou veranderen in Die Welt von Gestern, een zoete maar verloren gegane wereld; de transitie, waarin ‘alles gebeurt alsof het individu – dat in vrede leeft – iets essentieels is vergeten over de sociale conditie’, namelijk dat hij of zij machteloos is zonder anderen, en dat waar anderen machteloos zijn, hij of zij dat ook is.

***

De nabijheid van anderen karakteriseert het Europese leven. De eigentijdse Europese geschiedenis begint met verweven families en regio’s; de realiteiten van de plaatselijke gemeenschap, die een pan-Europese geschiedenis omvatten, niet van naties, maar van families. Of zoals Sigmund Freud ooit zei: ‘Alle geschiedenis is familiegeschiedenis.’ Een Europese toekomst is inderdaad verankerd, niet zozeer in Brussel, maar in deze regionale en provinciale plaatsen.

Federica Mogherini koos Maastricht, een stad die soms – op momenten van bijzonder zelfvertrouwen – naar zichzelf verwijst als het balkon van Europa, om ons eraan te herinneren dat het aan ons is om te ‘beslissen wat er verder zal gebeuren’ in Europa. Het echte, oorspronkelijke balkon van Europa bevindt zich echter elders, in geografische termen feitelijk vrij ver van hier. Het bevindt zich op de grens van Oost-Europa en West-Azië, diep in de Kaukasus.

Een paar jaar geleden bestormde de jonge Georgische schrijfster Nino Haratischwili het Europese literaire toneel met Das achte Leben. Het boek is nóg een meeslepend Europees familie-epos; het is opgebouwd rond verschillende generaties van een Georgische familie, en registreert onze Europese geschiedenis, en haar endemische en droefmakende strijd met het totalitarisme. Ergens in het boek worstelt Haratischwili met de ‘balkon van Europa-metafoor’, waar haar land zo consequent aan vasthoudt. Haratischwili noemt deze min of meer officiële metafoor voor haar land tegelijkertijd ironisch en poëtisch.

En als we vanaf een balkon over Europa uitkijken, is het één en al geschiedenis wat we zien; en een groot deel daarvan is een meedogenloze geschiedenis van geopolitiek en de Europese honger naar expansie. Een oorlogskerkhof, een Goelag of een killing field is nooit ver weg. Schuld is op een of andere manier altijd aanwezig.

Ons Europa telt talloze balkons. Sommige daarvan bevinden zich nu in het Europa van de Europese integratie, andere aan de rafelranden van de Europese Unie. Stel je voor dat we van deze ‘balkons van Europa’ zouden vertrekken, nu, op dit moment. En dat we als een vogel – of als een Fortnite warrior, zo u wilt – over ons Europa zouden kunnen vliegen. Dat we over de eigentijdse Europese geschiedenis zouden vliegen, en dan de verhalen zouden opduiken die het Europa van vandaag de dag bepalen. Wat zouden we ontdekken? Wat zouden we zien?

***

Het eerste wat we zouden zien is de stad Parijs, de stad van liefde en bedrog, ideeën en kunst, verzet en samenwerking; de stad van vrouwelijke élegance en poëzie in beweging; het traditioneel-moderne voorbeeld voor iedere Europese stad van onze tijd. De Europese hoofdstad par excellence, verlicht en romantisch tegelijkertijd. De stad van de revolutie, maar ook van een eeuwig ancien régime.

Ieder ‘balkon van Europa’ ontleent – zonder uitzondering – zijn voorbeelden aan Parijs. Tbilisi wordt het Parijs van Georgië genoemd. Zelfs Boston en Sint-Petersburg willen zich spiegelen aan Parijs. Bezien vanaf de balkons van Europa is het hedendaagse Europa als Parijs: traditioneel en trendy. Maar wat gebeurt er in de straten van het hedendaagse Parijs? Is er nog iets over van de hoop van de jaren negentig, die Federica Mogherini zich kon herinneren? Wat is de boodschap van de ‘gele hesjes’, les gilets jaunes?

Op 13 november 2015 werd Parijs getroffen door nieuwe en rauwe terreuraanslagen. 129 mensen vonden de dood, waarvan er 89 werden neergeschoten in het Bataclan-theater. Parijs verkeerde in shock – opnieuw. Europa verkeerde in shock – opnieuw. Onmiddellijk na de aanslagen was er een run op een boek, getiteld A Moveable Feast, van de beroemde Amerikaanse schrijver Ernest Hemingway. In het boek verhaalt de jonge Hemingway van zijn avonturen in de Amerikaanse gemeenschap in het Parijs van de jaren twintig van de vorige eeuw, waar hij werkte, feestvierde en opgroeide aan de rive gauche. Het Parijs van toen was een opwindende stad, waar deze Amerikaanse jongelingen werden gevangen ‘in het zwarte web van een oude en amorele Europese cultuur’, zoals zij het zelf omschreven. Dit was iets heel anders dan de Amerikaanse droom. Zij smulden ervan!

Maar het landschap van hun années folles was óók doordrenkt van de sinistere naweeën van de ongekende verwoestingen van de Grote Oorlog. Het Europa waar zij van hielden was een getraumatiseerd Europa, gevaarlijk onzeker en koortsachtig. Dit was het Europa dat doof was voor de politiek van de verzoening van Gustav Stresemann en Aristide Briand, en voor het verheven pacifisme van Romain Rolland. Dit was het Europa dat in de jaren dertig door de Duits-Zwitserse schilder Paul Klee was verbeeld in zijn schilderij Europa. Nog steeds een godin, maar wel een van wanhoop en expressionisme.

Welk Europa laten we achter ons? Waar zijn we naar op weg?

In die donkere novemberdagen van het Parijs van 2015 bood het kopen van de memoires van Hemingway over zijn jaren in Parijs een merkwaardig soort troost. Na de shock van de terreur deden de titel en het onderwerp van Hemingway’s boek – A Moveable Feast, een verwijzing naar Parijs als een beweeglijke sociale mix van wijn drinken en dineren – een beroep op de verbeelding; dat wil zeggen, op de verbeelding van hen die de terrasjes alweer bezochten, terwijl het trottoir rond de Bataclan nog steeds rood was van het bloed.

Het was illustratief voor de ongemakkelijke stemming in Parijs en Europa: Europa was uit evenwicht, wankelde misschien, en was zeker op zoek naar steun – opnieuw. En voor deze steun keek het naar het Westen – opnieuw.

In de winter van 2014 hadden de slachtoffers van het Maidanplein in Kiev hetzelfde gedaan: naar het Westen gekeken voor steun. Georgië had in 2008 – voor de zoveelste keer – hetzelfde gedaan. Maar het Westen waar zij op hoopten, de Europese cultuur waar zij zich deel van voelden, bleef een fantoom; hetzelfde verleidelijke fantoom dat in 1956 boven de bloedige straten van Boedapest zweefde, en tot voor kort boven de Centraal-Europese Universiteit van Michael Ignatieff.

Terugkijkend naar die Parijse herfst van 2015, nog maar dik drie jaar geleden, kunnen we nu concluderen dat dit waarschijnlijk de laatste keer in de moderne Europese geschiedenis was dat dit ‘naar het Westen kijken voor steun’ zo spontaan en hoopvol gebeurde in Europa. Destijds waren de Brexit en president Trump nog in de maak. Sindsdien worden wij hier in West-Europa in rap tempo steeds kwetsbaarder, meer Oost-Europa-achtig, of we dat nu leuk vinden of niet. De brute feiten van de geschiedenis en de geopolitiek liegen niet.

Toekomstige historici zouden zelfs kunnen concluderen dat ‘destijds’ – 2015 – en ‘nu’ – 2018/19 – twee werelden van verschil zijn. Twee werelden die samen het afsluiten van een tijdperk belichamen, de transitiefase waarin we ons nu bevinden; een transitie waarin de ‘Amerikaanse eeuw’, deze korte maar hevige eeuw van amerikanisering, trans-Atlantische hoop en successen, deze eeuw waarin het hedendaagse Europa werd gebouwd, zijn einde nadert. Dit roept vragen op. Welke wereld laten we achter ons? Waar zijn we naar op weg?

***

Een van de fellow travellers van Hemingway in het Parijs van de jaren twintig was David Bruce, een jonge, knappe afstammeling van een rijke Amerikaanse familie, die in de jaren veertig de eerste Amerikaanse ambassadeur in het naoorlogse Parijs zou worden. Het was echter al in de jaren twintig dat David Bruce – zoals zo veel Amerikanen van zijn generatie en klasse – zich, in de woorden van zijn biograaf, stortte in een ‘liefdesaffaire met Europa’. Deze liefdesaffaire weerspiegelt het perspectief van een hele generatie, die aan het begin stond van de ‘Amerikaanse eeuw’.

In politiek opzicht werd het begin van de Amerikaanse eeuw gemarkeerd door de actieve betrokkenheid van de Amerikaanse diplomatie bij de vredesonderhandelingen na de Eerste Wereldoorlog in 1919. De Amerikaanse delegatie bij deze onderhandelingen in Parijs ‘omvatte iedere jonge diplomaat die een excuus kon [verzinnen] om aanwezig te zijn bij wat de “geopolitieke coming-out party van Amerika” is genoemd’. De jonge David Bruce, ‘hartstochtelijk geïnteresseerd in literatuur en mensen’, was een van hen.

Het was in deze vroege jaren twintig dat David Bruce ‘zijn hart verloor’ aan de Franse actrice Yvonne Printemps, zoals hij zich herinnert in zijn dagboek van juni 1949, toen hij de Amerikaanse ambassadeur in Parijs was. Volgens Bruce was Yvonne Printemps ‘de essentie van vrouwelijkheid (…) de representatie van de geest van Parijs’. Als Bruce een missie had in zijn beroepsleven was het deze: het behoeden van de Europese geest die werd belichaamd door Yvonne Printemps, en het strijden tegen de armoede en de honger die Europa eerder hadden geteisterd, tijdens en na de Tweede Wereldoorlog. Net zoals zoveel van zijn vrienden en collega’s zag Bruce de Grote Depressie van de jaren dertig, en de verwoestende ongelijkheid, het nationalisme en het racisme die erdoor waren ontketend, als een sleuteloorzaak van het afschuwelijke geweld dat Europa tijdens de Tweede Wereldoorlog had verkracht. De strijd tegen de armoede in Europa vormde daarom de kern van hun missie, die deze Amerikanen samenvatten als ‘het opbouwen van Europa’.

Wat we misschien vergeten zijn is dat, in deze dagen van de jaren veertig, de strijd tegen de armoede ook werd gezien als een strijd tegen de ongereguleerde kapitaalmarkten. Of, in de woorden van Henry Morgenthau, de Amerikaanse minister van Financiën begin jaren veertig: ‘De taak die staatsmannen zichzelf moeten opleggen is het verdrijven van de woekeraars uit de tempel van de internationale financiële wereld.’ De instellingen van een nieuwe internationale orde moesten ‘instrumenten van soevereine overheden zijn, en niet van particuliere financiële belangen en banken’. Kapitaalcontroles zouden inderdaad de belangrijkste achtervanger van het ‘systeem’ van Bretton Woods worden.

Achter de schermen van deze nieuwe trans-Atlantische wereld werd David Bruce de voornaamste manager van het Marshall Plan en ontwikkelde zich van daaruit tijdens de jaren veertig, vijftig en zestig tot een machtige facilitator van de Europese integratie naar Amerikaanse snit, eerst als ambassadeur in Parijs, vervolgens als ambassadeur in Bonn en ten slotte als ambassadeur in Londen.

Het was via mannen als Bruce dat de Amerikaanse ‘economie van de overvloed’ werd verbonden met de hongerige mensen en arme markten van West-Europa, en – het allerbelangrijkste – dat deze koppeling werd vastgelegd in verdragen van trans-Atlantisch multilateralisme die hun weerga niet kenden. Het was via mannen als Bruce dat de beroemde Amerikaanse culturele diplomatie werkte; het creëren van een stabiel West-Europa, dat experimenteerde met kapitalisme en democratie, ingebed in de Frans-Duitse verzoening, en in internationale organisaties, die vaak expliciet waren verbonden met de rechtsstaat en het bevorderen en praktiseren van de mensenrechten. De missie en de experimenteerdrift van Bruce’s generatie hadden ongelooflijke successen tot gevolg.

Uit archiefonderzoek blijkt dat dit Amerikaanse Europa reëler was dan enig ander Europa tijdens de cruciale eerste decennia na de Tweede Wereldoorlog. Van Jean Monnet, de peetvader van de Europese integratie, tot Isaiah Berlin, de toonaangevende Koude-Oorlogsintellectueel van het naoorlogse Westen, de dragers van het naoorlogse West-Europa werden gesponsord door de Ford Foundation. En van Europa’s vakbonden en werkgeversorganisaties tot religieuze netwerken, vrijwel alle leidende en invloedrijke Europeanen raakten nauw betrokken bij het opkomende ‘Amerikaanse Europa’.

***

Het westerse multilateralisme van vóór 1950 heeft een ‘laboratorium’ gebouwd, waarin verschillende initiatieven voor de Europese integratie werden ontwikkeld, lang voordat het proces van de Europese integratie zoals wij dat nu kennen wortel schoot.

Wat in dit trans-Atlantische laboratorium gebeurde, was dat ideeën voor een nieuwe orde in Europa werden beproefd en vormgegeven via voortdurende – en nog steeds zeer actuele – discussies over de dilemma’s van het kapitalisme van de vrije wereld; zoals het dilemma met betrekking tot het evenwicht tussen de binnenlandse economische stabiliteit en de internationale economische stabiliteit, het dilemma van de sociale cohesie en de concurrentiekracht, of het eeuwige probleem van de betalingsbalans en de mogelijkheden en onmogelijkheden van het ‘bankieren zonder banken’.

Paradoxaal genoeg blijft het schrijven van de Europese geschiedenis nog steeds een nationale zaak

Tot op zekere hoogte maakten instellingen en ‘systemen’ als Land-Lease, Bretton Woods, het Internationaal Monetair Fonds (imf), de Wereldbank, de Internationale Handelsorganisatie (later gatt en wto), het Marshall Plan, de Organisatie voor Europese Economische Samenwerking (oees), de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (egks), diens voorganger de Europese Betalingsunie (ebu), en de Europese Economische Gemeenschap (eeg) of gemeenschappelijke markt, allemaal deel uit van hetzelfde pan-westerse streven naar welvaart en stabiliteit via een veerkrachtige combinatie van kapitalisme en democratie in West-Europa. Dit was allemaal verbonden met, dikwijls waarlijk transnationale, netwerken en lobby’s als het Actiecomité voor de Verenigde Staten van Europa, de Wereldraad van Kerken, de Bilderberg-conferenties, enzovoort.

Tijdens de eerste fases van het naoorlogse tijdperk werd een trans-Atlantische droom bewaarheid: Atlantis bestond. Maar net als het Atlantis uit de klassieke oudheid moet het nog steeds worden ontdekt.

Pas sinds zeer korte tijd wordt gedetailleerd historisch onderzoek naar afzonderlijke elementen uit dit laboratorium geïntegreerd, en duiken de historici, politicologen en economen gezamenlijk in de geschiedenis onder de oppervlakte van de dagelijkse institutionele ontwikkeling van de Europese integratie.

En daar, onder de oppervlakte – als we diep duiken, op zoek naar het verloren Atlantis – zien we dat de Europese integratie het voortdurend veranderende resultaat is van een doorlopende ‘ideeënstrijd’ over wat Europa in de toekomst mag of moet worden. Deze ideeënstrijd werkt over nationale grenzen heen, en doorsnijdt lidstaten en politieke partijen. Het is cruciaal dat geen idee, plan, visie of groots ontwerp ooit sterk genoeg is geweest om bij voortduring de alternatieven aan zijn institutionele logica te onderwerpen. Deze diepere werkelijkheid is echter een werkelijkheid die we nog niet helder genoeg onder ogen hebben gezien. En daar is een reden voor.

Vanaf het begin van de Europese integratie was er sprake van een opvallende gelijkenis tussen het ontluikende integratieproces aan de ene kant en de nationale economische en politieke doelstellingen van de lidstaten aan de andere kant – doelstellingen als stabiliteit en welvaart. Deze opvallende gelijkenis – in geopolitiek opzicht mogelijk gemaakt door de Navo – stelde de regeringen van de lidstaten tot iets buitengewoons in staat: zij konden beweren dat zij de zaak onder controle hadden. Dat was echter een fabeltje.

In werkelijkheid was er iets heel anders gebeurd. Het integratieproces dat van start was gegaan, onttrok zich aan de controle van afzonderlijke nationale regeringen; geen hoofdstad kon de koers bepalen. In feite hield iedere hoofdstad op zijn eigen wijze een tamelijk grillige koers aan als het om de Europese integratie ging, behalve misschien die van de Bondsrepubliek Duitsland. Tot op de dag van vandaag is het voor het onderzoek lastig geweest om te gaan met deze hardnekkige – nationale – ex post facto-rationaliseringen van de geschiedenis. Paradoxaal genoeg blijft het schrijven van de Europese geschiedenis nog steeds een nationale zaak. Dat is een belangrijke oorzaak van de huidige staat van het onderzoek: we zijn nog maar net begonnen met het in kaart brengen van de manier waarop de, in wezen trans-Europese, politieke, economische en institutionele beweging naar de Europese integratie precies werkte; hoe zij tot stand is gekomen, hoe zij zich heeft ontwikkeld, en hoe zij zich in de toekomst kan ontwikkelen.

Het Amerikaanse Rode Kruis in Parijs, 1919 © American Library of Congress
***

Een van de dingen die we door dit onderzoek aan het herontdekken zijn is dat ons naoorlogse ‘Amerikaanse Europa’ in wezen misschien niet meer is geweest dan een opwelling van escapisme; de andere kant van het escapisme van Ernest Hemingway en David Bruce, zogezegd, de Europese variant ervan. Een ontsnapping uit de politiek en de geschiedenis van een getraumatiseerd Europa in een meer apolitieke en comfortabele sfeer van beleid, technocratie en een Angelsaksisch beheer van de marktkrachten. Een ontsnapping, die soms bijna niets minder leek dan een nieuwe Verlichting, na de middeleeuwse duisternis van de eerste helft van Europa’s twintigste eeuw.

Maar zoals uiteindelijk iedere ontsnapping slechts een tijdelijke oplossing is, zo kan ons naoorlogse ‘Amerikaanse Europa’ ook heel goed slechts iets tijdelijks zijn geweest, opgetrokken uit geopolitiek, idealisme en een historisch Amerikaans zelfvertrouwen. En dit impliceert dat het ‘Amerikaanse Europa’ nooit in de plaats is gekomen van het oudere Europese Europa; dat de Europese integratie, vanuit een Europees perspectief, nooit meer is geweest dan een zeer succesvolle vorm van ‘management of decline’ voor de versleten natiestaten van Europa.

En inderdaad: de verkrachting van Europa is nooit zoeter geweest dan in het West-Europa van het naoorlogse tijdperk. Geen van Europa’s vrijers is zorgzamer voor haar geweest dan de Verenigde Staten. De ontvoering van Europa tijdens de pax Americana was als een droom die bewaarheid werd, toen de West-Europese successen van integratie, vrede en stabiliteit, die tegelijkertijd werden voortgebracht, heel reëel bleken.

De ineenstorting van het systeem van Bretton Woods begin jaren zeventig markeerde het begin van het uitdoven van deze trans-Atlantische liefdesaffaire. Zij markeerde het einde van de gecoördineerde westerse wereld, door de Amerikaanse politicoloog John Ruggie beschreven als het systeem van het ‘ingebedde liberalisme’. Dit systeem van ‘Keynes in eigen land en Smith in het buitenland’ transformeerde langzaam maar zeker in een systeem van, letterlijk, ontketende markten, en in het bijzonder in een extreme liberalisering van de financiële markten.

Vergeleken met het Europa dat we in de twintigste eeuw hadden, maakt wat we nu zien soms de indruk van een soort post-Europa. Een post-Europa, waarin de veelgeprezen Europese ‘belastingstaat’ is veranderd in een ‘schuldenstaat’, een samenleving die leeft op kosten van de toekomst en steeds meer de Europese uitvinding van de ‘sociale staat’ is gaan overschaduwen. Begrijpen we hoe we hier zijn aangeland, in het hedendaagse Europa? Misschien niet.

Het Verdrag van Maastricht was Europa’s eerste poging om een antwoord te vinden op de transitie van de pax Americana naar een meer ‘Europese’ Europese geschiedenis. Wat zien we als we dichter naar dat Europese Europa toe vliegen? Wie ontmoeten we daar?

***

Na de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog verlangde de Italiaanse schrijver Curzio Malaparte ernaar om terug te keren naar Parijs, de Europese stad waar hij het meest van hield. Toen hij eind jaren veertig eindelijk weer in Parijs was, ging Malaparte naar het theater om zijn favoriete actrice te zien: de in Rusland geboren Franse actrice Véra Korène. Maar vreemd genoeg moest Malaparte aan zichzelf toegeven dat hij zich niet meer thuis voelde in Parijs. Hij hield een dagboek bij over deze verwarrende periode.

De twee zielen van de Europese cultuur: de Verlichting en de Romantiek, rede en emotie, calculatie en gevoel

In dit dagboek merkt Malaparte op dat Véra Korène superieur was in het contact maken met de spirituele moederlanden van Europa, het verloren Europa van Racine en Tasso, hun romantiek, en de Europese deugden van vergevensgezindheid, wederopstanding, melancholie en wroeging. Maar hij merkt ook op dat Korène de enige overgeblevene was die dit kon en begreep. Zij tweeën waren de laatste Europeanen. In de jaren veertig was Parijs Parijs niet meer. Misschien begrepen de mensen van de nieuwe tijd niet dat Malaparte alleen geïnteresseerd was in ‘ideeën, literatuur en kunst’.

Malaparte was een geestdriftig en onconventioneel onderzoeker van de Zeitgeist. In zijn Europa, gek geworden door oorlog en geweld, werd de provocateur Malaparte dikwijls beschouwd als een mafkees, een onbetrouwbare man. Kortom: als iemand die perfect geschikt was voor de journalistiek, oorlogsreportages en diplomatie. En dat is wat hij was en deed, de Oost-Europese Bloodlands doorkruisend als journalist-diplomaat, inclusief diners met Heinrich Himmler, excursies in het getto van Warschau, en sinistere gevechten en discussies met dode en halfdode mensen.

In zijn beroemde schandaalroman La pelle (De huid) schetst Malaparte een onthutsend beeld van de bevrijding van Italië in 1943, waarbij hij betrokken was als verbindingsofficier van de Amerikaanse geallieerde strijdkrachten. En passant legt hij de essentie vast van de zoete trans-Atlantische ‘botsing der beschavingen’ die nog steeds de basis vormt voor het naoorlogse Europa van vandaag. Malaparte legt uit dat hij hield van zijn Amerikaanse collega-soldaten, omdat zij niets begrepen van het duistere en zondige Europa waar zij zich bevonden: ‘Ik houd van de Amerikanen (…) ze hebben een heldere ziel, veel helderder dan de onze. Ik houd van Amerikanen (…) omdat zij niet weten dat er zonder kwaad geen Christus kan zijn.’ ‘In die vreselijke herfst van 1943’ kon Malaparte niet zonder hen: ‘De oprechte, pure eenvoud van hun ideeën, hun gevoelens, de openheid van hun manier van doen, gaven me de illusie dat de mensen het kwade haten, en de hoop dat de mensheid zou leren van haar fouten.’

Wat de Amerikanen te bieden hadden was precies wat Europa was kwijtgeraakt: hoop en idealen. Net als Malaparte in 1943 kon het naoorlogse Europa geen vooruitgang boeken zonder Amerika en Amerikaanse hoop, en kon het Europa van na de Koude Oorlog het niet stellen zonder George Bush senior. Maar de Europese afhankelijkheid van deze Amerikaanse drug had zo haar gevolgen: zij leidde tot fundamentele veranderingen in Europa. De veranderingen die Malaparte al voelde in het Parijs van eind jaren veertig.

***

Toen Malaparte ongelukkig was in Parijs stond de Tsjechoslowaakse hoofdstad Praag aan de vooravond van de staatsgreep van 1948, waarbij de Tsjechische communistische partij, met sovjetsteun, de controle over de regering overnam. Dit was het begin van vier decennia van communistische heerschappij in het land. In het communistische Praag dat hieruit te voorschijn kwam, runde de filosoof Jan Patocka de zogenoemde ‘ondergrondse universiteit’, omdat het hem verboden was les te geven. De ondergrondse universiteit van Patocka was een informele instelling in de huiskamers van mensen. Wat zij probeerde te doen, was het bieden van vrij, ongecensureerd cultureel onderwijs, een Europees onderwijs. Hier konden mensen deelnemen aan een ‘indrukwekkende poging om in de waarheid te leven’, zoals Patocka’s student Václav Havel zich later herinnerde.

De ‘Socrates van Praag’, zoals Patocka werd genoemd, leerde zijn studenten dat de geschiedenis geen verhaal is met een plot en een happy end, maar een bikkelharde strijd tegen verdoezeling door leugens, tegen het absolutisme van rationalisering en consumentisme, en tegen al die andere menselijke banaliteiten die het einde betekenen van inspiratie en openheid. Hij legde uit dat Europa deze strijd telkens opnieuw moest voeren; en dat als Europa daar niet in zou slagen het opnieuw zou moeten ploeteren in de waan van de schijn – pretenderend dat er simpele oplossingen bestaan voor complexe problemen, pretenderend dat propaganda kunst is, pretenderend dat propaganda onderwijs of wetenschap is.

Toen de Berlijnse Muur omlaag kwam, wisten de voormalige studenten van Jan Patocka’s ondergrondse universiteit waarschijnlijk meer over de sterke en zwakke kanten van ons open Europa van die dagen dan wij West-Europeanen. Terwijl wij naar het Westen keken, probeerden zij het Westen opnieuw uit te vinden, geworteld in de moeilijke maar cruciale oefening van het praktiseren van de mensenrechten. En zij voelden dat dit urgent was, omdat Patocka hen had voorbereid op wat hij ‘post-Europa’ had genoemd, een verdere manifestatie van de crisis van de westerse beschaving die zich, in zijn tijd, had gemanifesteerd in de vorm van het socialistisch totalitarisme.

Maar op het moment van de ondertekening van het Verdrag van Maastricht leek een fundamenteel ander Europa te voorschijn te komen. Dit was een Europa dat zich vrolijk leek te maken over haar eigen geschiedenis. Dat de regels en wetten van die geschiedenis aan haar laars leek te lappen. Wat waren deze regels?

***

In november 1959 gaf de filosoof Isaiah Berlin een vergeten lezing tijdens het Derde Congres van de Fondation Europénne de la Culture in Wenen. Het was een van de uitzonderlijke momenten waarop Berlin trachtte het probleem van de Europese eenheid aan te pakken. Zijn lezing was getiteld ‘De Europese eenheid en haar wisselvalligheden’.

In zijn lezing besteedde Isaiah Berlin aandacht aan de kwestie van de voortdurende ups en downs van de Europese eenheid. In een sleutelpassage verklaart hij hun dynamiek. Zijn woorden blijven heel actueel: ‘De Europese geschiedenis is een soort dialectiek tussen het verlangen naar openbare orde en individuele vrijheid (…) het streven naar orde is een soort angst voor de elementen (…) een poging om de balustrades te behouden die mensen nodig hebben om te voorkomen dat ze in een afgrond storten, om ze te verbinden met hun verleden en een pad naar de toekomst te wijzen. [Maar] als instituties te stram/gevestigd worden en de groei belemmeren, verandert orde in onderdrukking (…) vroeg of laat wordt zij doorbroken door een bijna fysiologisch verlangen om te leven en te scheppen, door de behoefte aan iets nieuws en aan verandering.’

Dit is een treffende beschrijving van het ritme van de Europese geschiedenis. Wat Berlin hier vastlegt zijn de twee zielen van het Westen, van de Europese cultuur: de Verlichting en de Romantiek, rede en emotie, calculatie en gevoel.

Deze twee zielen vormen de uiteinden waartussen de slinger van de Europese geschiedenis zich heen en weer beweegt, van het ene uiterste naar het andere, en weer terug. Dit patroon van ups en downs, van wisselvalligheden, deze slingerbeweging tussen ratio en emotie, licht en donker, revolutie en ancien régime, is een patroon dat past bij de dominante concepten van het twintigste-eeuwse denken: van de dialectiek van Hegel en Marx tot de creatieve vernietiging van Joseph Schumpeter. Een patroon dat ons vertelt dat iedere fundamentele verandering gepaard moet gaan met het gewelddadige uiteenvallen van de bestaande orde.

Dit zou kunnen zijn wat de gilets jaunes communiceren. Maar het lijkt ook een schema te zijn dat te simplistisch is om de Europese jaren negentig in te vangen – dit diafragma van de eigentijdse Europese geschiedenis, deze gelukkige tussenperiode tussen de val van de Berlijnse Muur en 9/11. Want destijds, in de jaren negentig, bestond er een brede consensus dat de orde van samenwerking en verzoening geen onderdrukkende was en ook nooit zou worden. Integendeel: de bestaande orde werd gezien als een bevrijdende orde en werd geacht dat ook te blijven; een orde die de slinger van de Europese geschiedenis zou saboteren; een einde aan het determinisme van orde en vernietiging daarvan; een revolutie zonder revolutie.

Wat Europa probeerde te doen met het Verdrag van Maastricht was om uit deze gekmakende slingerbeweging van de Europese geschiedenis te stappen – om de instituties van de samenwerking die zij al in de Amerikaanse eeuw had gecreëerd te versterken, en om ze klaar te maken voor de volgende eeuw, waarin Europa weer Europeser zou worden.

***

Als we de open geest van de jaren negentig willen beschermen in plaats van haar belachelijk te maken, moeten we daaraan werken. Om te beginnen moeten we de geschiedenis van de jaren negentig gaan schrijven. De verheven hoop op een nieuw Europa werd in Maastricht expliciet gemaakt. Maar zij is niet langer zichtbaar, noch in de media, noch in de politiek. Te weinig mensen kennen het bestaan ervan, en zij zal in de toekomst misschien zelfs ondergronds moeten gaan. Het is aan ons dit Europa te onderzoeken, het Europa dat na 1914 en 1945 is ontstaan, en na 1990 en 2016. Het is aan ons dit Europa te onderzoeken en zo kritisch mogelijk te beoordelen, en terwijl we dat doen de cruciale Europese les over de sociale conditie te onthouden: dat de mens machteloos is zonder anderen en dat waar anderen machteloos zijn, hij of zij dat ook is.


Dit is een verkorte versie van de oratie die Mathieu Segers op 7 december uitsprak aan Maastricht University vanwege zijn benoeming tot hoogleraar ‘Contemporary European History and European Integration’. Deze week verschijnt een geactualiseerde uitgave van zijn boek Reis naar het continent: Nederland en de Europese integratie bij uitgeverij Prometheus.

Vertaling: Menno Grootveld