Op zoek naar mensenvlees

Schrijvers en historici zijn allebei taaldieren. Ze kunnen niet zonder vergelijkingen, gelijkenissen, parabels en parallellen. Van de vaderlandse historici zijn er maar weinig die dat beseffen. Zo niet Von der Dunk.
H.W. von der Dunk, Elke tijd is overgangstijd: Opstellen over onze omgang met de geschiedenis. Uitgeverij Prometheus, 303 blz., 339,50.
‘JAM KARET’ luidt een Indonesisch spreekwoord: de tijd is van rubber. Dit gezegde weerspiegelt een ontspannen levenstempo: wat vandaag niet lukt, kan morgen slagen. Waar we gisteren niet aan toekwamen, kan altijd nog overmorgen gebeuren. Deze houding relativeert het moderne, jachtige bestaan vol virtuele realiteit, razendsnelle Internetwegen, trommelvuur van actuele informatie. De toekomst komt zo snel en meedogenloos op ons af dat het verleden steeds vlugger lijkt te verdwijnen. Maar wie het tempo opvoert, krijgt vroeger of later te maken met mensen die een pas op de plaats willen maken, die een moment van bezinning nodig hebben of die op een niet-vluchtige manier achterom willen kijken. Historici bijvoorbeeld, of schrijvers.

De tijdgeest is een ‘grote geheimzinnige Proteus’, schrijft historicus H.W. von der Dunk in zijn recente bundel Elke tijd is een overgangstijd: Opstellen over onze omgang met de geschiedenis. De tijd is, niet alleen in de ogen van Marguerite Yourcenar, een grote beeldhouwer en een verraderlijke vervormer van wat geweest is maar nog steeds een rol speelt. Kan je ooit het geheugen, dat door de eeuwig voortdenderende tijd aan erosie onderhevig is, onbewerkt laten door de verbeelding, die zich juist daar laat gelden waar de vergeetmachine of het verdringingsmechanisme op volle toeren draait? De herinnering is het delirium van de historie, bewaard in onhandelbare dromen.
Over wat voorbij is, kun je verhalen vertellen, reconstructies maken. Dat weet de historicus, die zich aan de feiten zou moeten houden. Dat weet de schrijver, die mythen en mogelijkheden mag koesteren en die speelt met de feiten, ze zelfs mag verzinnen. En hier begint het probleem.
Moet de historicus de mythe negeren? Zijn de meeslepende vertellingen die de mentaliteit van een volk weerspiegelen en gedragingen kunnen verklaren voor hem taboe? In het hoofdstuk 'Mythe en ontmythologisering in de geschiedenis’ zegt Von der Dunk met zoveel woorden dat de historicus de mythe, dat wil zeggen 'valse voorstellingen’, wel kan negeren, maar dat er geen ontkomen aan is. 'De geschiedenis krioelt van verhalen over lugubere samenzweringen, waarbij vervalsing en legende soms onontwarbaar zijn verstrengeld.’ Mythologische verhalen die ogenschijnlijk over een ver verleden of een bovenaards fenomeen gaan, drukken wel degelijk een stempel op de werkelijkheid. Het is juist de mythe die de mensen in beweging brengt, citeert Von der Dunk Georges Sorels Reflexions sur la violence (1906), 'omdat zij - net als de oorspronkelijke religieuze mythe - in beelden spreekt’.
VON DER DUNK, een van de weinige Nederlandse historici die, in het voetspoor van Johan Huizinga, kunnen schrijven en vertellen en die zich bewust zijn van taal, beeld en mythe, zei een jaar geleden in een opmerkelijk interview met de Volkskrant: 'Het verleden is zeker. Het verleden is beeld, het heeft grote lijnen. Het heden is daarentegen altijd chaotisch, bedreigend. Dat geeft het verleden een milde glans. We kunnen zelfs met nostalgie naar een oorlog terugkijken. Je weet nu waar je toen stond.’ Von der Dunk werpt zijn collega’s voor de voeten dat zij in hun werk veel te voorzichtig te zijn, veel te bang om te kwetsen en in opspraak te raken. Geen enkele Nederlandse historicus nam de uitdaging aan.
Ik vermoed dat Von der Dunk suggereerde dat niet de geschiedenisstudie in opspraak is, maar de historici, die vooral door hun specialistische vakidiotie, hun preken voor eigen parochie, hun onbeholpen en weinig empathische taalgebruik en hun in een zee van voetnoten verdrinkende, autistische schrijverij het geïnteresseerde lekenpubliek op hautaine wijze links laten liggen. Of is het onmacht?
Misschien heeft Von der Dunk door zijn afkomst - hij moest uit het Duitsland van de jaren dertig vluchten - een meer afstandelijke blik op Hollanders ontwikkeld: 'Kijk naar de kwestie-Indonesië. Het afgelopen jaar is veel gepraat over wat de excessen genoemd worden, oorlogsmisdaden dus. Voor de meeste historici is dat niets nieuws. Er wordt ook wel onderzoek naar gedaan, maar het blijft allemaal heel voorzichtig en het liefst binnenshuis.’ Misschien is niet het verleden bedreigend, zegt Von der Dunk, maar het heden waarin talloze getraumatiseerden gevangen zitten en hun nachtmerries telkens weer beleven. Het heden waarin de Hollandse historicus zelden een steen in de vijver gooit.
De Hollandse historicus komt niet uit zijn veilige, beschutte bunker als hem, bijvoorbeeld door Rudy Kousbroek, een doofpotmentaliteit wordt aangewreven. Hij moppert op hautaine wijze over een brutale auteur die natuurlijk niet echt op de hoogte is en gaat over tot de orde van de dag. Vechten in de krant of op straat? Dat is niets voor hem.
VON DER DUNK beziet het verleden als een gesloten bureaula die op de meest onverwachte ogenblikken vanzelf openspringt, zelfs als je dacht dat je hem op slot had gedaan. Hij is een historicus die niet alleen iets te zeggen heeft, maar dat ook nog beeldend, meeslepend en prikkelend kan opschrijven. De overeenkomst tussen schrijvers en historici is dat beide taaldieren zijn en niet zonder vergelijkingen, gelijkenissen, parabels en parallellen kunnen. Ze vergelijken voortdurend alles met alles en iedereen met iedereen. Vergelijken mag dan soms gevaarlijk worden, maar zonder dat zijn historicus en schrijver nergens. Men vergelijkt om verschillen en overeenkomsten vast te kunnen stellen.
In zijn buitengewoon nuchtere en glasheldere lezing 'De verwerking van de Indonesische revolutie’, uitgesproken op 7 december 1995 tijdens het Haagse festival Indië/Indonesië, gaat Von der Dunk geen enkele scherpe vergelijking uit de weg. Het vergelijken wordt bijna een thema in zijn rede over het Nederlandse koloniale bewind, waarvan de Hollander een veel te rooskleurig beeld had: 'Vandaar ook dat een vergelijking van het Indonesisch verzet tegen de Nederlandse heerschappij met het eigen recente verzet tegen het Duitse bewind voor vermoedelijk de meesten aan blasfemie grensde. De vergelijking van Soekarno met Mussert leek even logisch als die met Willem de Zwijger infaam!’ In zijn pleidooi voor regeringserkenning van 'schuld en ongelijk’ over wat tussen 1945 en 1950 in Indonesië plaatsvond, gaat hij in op de verdoezelingstactiek waar het wandaden betreft, een tactiek waarbij de taal ('politionele actie’) een extra sluier over de wazige woorden legde. De represailles tegen de Indonesische bevolking 'staan, evenals de martelpraktijken bij verhoren, vooral in schel contrast alweer tot het zelfbeeld dat onze jongens zulke dingen niet doen en geen SS'ers zijn. Juist dat laatste heeft de verdoezeling van overheidswege bevorderd en jarenlang verhinderd dat men er kennis van wilde nemen.’
Er bestaat voor Von der Dunk geen keurige scheidslijn tussen het naakte feit en de interpretatie, of, om een stapje verder te gaan, feit en fictie. Het is de taal die een verhaal hoe dan ook kleurt. 'Ik kan hetzelfde gebeuren moord, vernietiging, executie, vergelding, tragedie, liquidatie of zuiveringsactie noemen’, schrijft hij in Elke tijd is overgansgtijd. Woordkeus en denkrichting zijn nooit van elkaar gescheiden. Achter de eufemistische omschrijving 'politionele actie’ verschuilt zich een visie op het Nederlandse naoorlogse optreden in Indonesië, die haaks staat op wat de term 'koloniale oorlog’ suggereert. Hetzelfde geldt voor 'exces’ en 'oorlogsmisdaad’.
Hoe reorganiseer je op papier, als auteur of als geschiedkundige, het verleden? Wesseling zegt in Algemene zaken (1995) dat er een duidelijk onderscheid is tussen geschiedenis en fictie. De historicus mag de mensen geen dingen laten denken, zeggen of schrijven waarvoor hij geen aanwijzingen heeft. En als we Herodotus, Ginzburg, Le Roy Ladurie, Schama en andere zogenaamde narratieve historici aan die definitie onderwerpen, vrees ik dat ze te veel fictie in hun verhalen stoppen. Is dat erg? Nee, dat is niet erg.
Een probleem met de geschiedenisstudie is dat het vlees noch vis is, wetenschap noch literatuur. Historici houden zich noodgedwongen op in een schemergebied. Zij kunnen niet zonder verhalen, zonder fabuleringen, zonder oncontroleerbare maar wel invloedrijke mythen. Het verleden is nooit het simpele verhaal van oorzaak en gevolg. Daarvoor is de mens te veel een raadsel, dat zich onttrekt aan de wetenschappelijke logica. Er is meer dan de onderbouw, om maar eens in het materialistische woordgebruik te schieten, en de bovenbouw is een kluwen vol tegenstrijdige signalen.
HIER BEN IK aangeland bij een stokoud debat, een twistgesprek tussen Dichtung en Wahrheit dat hopelijk nooit verstomt, omdat historici en schrijvers elkaar nodig hebben. Is het niet zo dat zowel de schrijver als de historicus het bestaan stileren en daardoor intensiveren? Willen zij niet allebei het verleden, ook al is dat grotendeels verzonnen, 'opnieuw doen leven’ (Huizinga)?
Auteur en geschiedkundige hebben uiteindelijk een gemeenschappelijk doel. Ze verhalen niet alleen het verleden, om Robert Fruin aan te halen, ze wensen dat wat voorbij is ook nog te verklaren, hoe dan ook. Daarbij concentreert de schrijver zich meestentijds op de donkere kamer van de geest, op de ogenschijnlijke details die opeens munitie blijken te zijn voor een omwenteling.
Waar dient de historicus zich op te concentreren? Het is goed om op dit punt Herodotus erbij te halen: de 'vader van de geschiedenis’, zoals de Romeinse redenaar Cicero hem noemde. Dat was niet echt bedoeld als compliment, want in dezelfde zin had Cicero het 'over de ontelbare verzinsels van Herodotus’. Misschien dat Jan Blokker hem daarom 'de vader van de journalistiek’ noemde.
Het verslag van mijn onderzoek heet Herodotus’ verhaal van de Perzische koning Xerxes en zijn mammoetexpeditie tegen de Griekse stadsstaatjes. Het woord 'historia’, dat in de eerste zin van Herodotus’ geschrift al voorkomt, betekent oorspronkelijk 'onderzoek’. In het woord 'historia’ zit ook 'storia’, dat wil zeggen 'verhaal’, waardoor het geschiedkundig onderzoek vanaf het prille begin in een epische traditie staat. Herodotus wilde, net als de heldendichter, de grootse daden van de mens voor het nageslacht bewaren.
In biografieën van Herodotus worden vaak anekdoten aangehaald die te mooi zijn om waar te kunnen zijn, maar ze spelen wel een rol in de overlevering. Dat past geheel in de stijl van de geschiedschrijver zelf - een rasverteller, die bewust alle verhalen heeft opgenomen, ook wanneer hij ze zelf niet of niet helemaal geloofde. Wat waren zijn bronnen? De orale traditie; de altijd gekleurde herinneringen aan het recente verleden; de orakels, ofwel de goddelijke stem; het persoonlijke wereldbeeld, dat zich aanpast aan de politieke toestand; de retorische stijl. Pleegde Herodotus nu boerenbedrog als hij willens en wetens fictie door zijn verhalen weefde en nota bene Aeschylus’ toneelstuk Perzen als bron hanteerde? Nee, want het menselijk handelen en de goddelijke wil stonden op één lijn in zijn denkwereld. Homerus en Herodotus hadden meer gemeen en waren meer verwant dan dat zij van elkaar verschilden. Huizinga vroeg zich af of hetgeen Herodotus schreef 'ook niet een letterkundige vorm’ was.
Het verleden is een schouwspel waarin de toeschouwer onherroepelijk wordt meegesleept. Het is te simpel om te zeggen dat de literatuur met emotie en subjectiviteit te maken heeft en het historisch onderzoek met distantie en objectiviteit. Burckhardt roerde de kern van de zaak al aan toen hij vaststelde: 'Der Geist muss die Erinnerungen an sein Durchleben der verschiedenen Erdenseiten in seinen Besitz verwandeln. Was einst Jubel und Jammer war, muss nun Erkenntnis werden, wie eigentlich auch im Leben des Einzelnen.’
Het verleden doorleven, tot bezit maken en overzien. Dus de 'Jubel und Jammer’ kan getransformeerd worden tot rustige kennis van vroeger, nuchter inzicht in het verleden. Maar kan de historicus zich wel boven het gewoel en gekrakeel verheffen? Een 'bewogen objectiviteit’ is een paradox, maar daarom nog wel nastrevenswaardig. Het beeld van het verleden is zowel controleerbaar als oncontroleerbaar, als in een historische roman, waarin ook de mogelijkheden van het verleden - dat wat gebeurd had kunnen zijn; de gemiste kansen - worden beproefd.
Mijn favoriete mentaliteitshistorici zijn: Le Goff, Marc Bloch, Ginzburg, Simon Schama, Le Roy Ladurie en Johan Huizinga. Het was Huizinga die in zijn literaire meesterwerk Herfsttij der middeleeuwen schreef dat de kunst ons naar het leven leidt en dat we met onze kennis van het leven weer terugkeren naar de kunst. Het was Huizinga die in De taak der cultuurgeschiedenis niet de afbeelding van het verleden propageerde 'maar altijd een verbeelding of voorstelling van het verleden’. In zijn hart rekende hij de geschiedenis tot de letterkunde. Kunst is passie en vervoering en geeft uitdrukking aan sterke gemoedsbewegingen, maar ook de geschiedenis heeft dat vermogen. De historicus van Huizinga moet iemand zijn die 'in het verleden ook de zon kan zien schijnen’.
DE VRAAG OF HUIZINGA nu een briljant historicus is geweest of een mislukte kunstenaar, vind ik niet zo belangrijk. Zijn impressionistische gave, beïnvloed door Tachtigers als Lodewijk van Deyssel, en zijn associatiedrift, hebben onze gevoeligheid voor én ons inzicht in, bijvoorbeeld, de middeleeuwen vergroot. Huizinga de historicus en Huizinga de schrijver konden niet zonder elkaar.
De mentaliteitshistoricus is op zoek naar mensenvlees, om een pregnant beeld van Mark Bloch te gebruiken. Hij bestudeert minder de materiële kant van het menselijk leven, de zogenaamde buitenkant, alswel de psychische en culturele bovenbouw van het historisch proces. Zij vertellen liever verhalen dan dat ze verslagen maken. Er is maar één weg om je met het verleden te kunnen vereenzelvigen en die weg heet 'verbeelding’. Niet de statistieken of de documenten brengen mensen tot leven, nee, individuen krijgen contouren in beeldrijke verhalen. Een welgekozen metafoor, schrijft Ian Buruma in Het loon van de schuld, 'kan de verbeelding meer treffen’ dan een regelrechte beschrijving. Ginzburg, een liefhebber van Tolstojs Oorlog en vrede, noemt deze literaire werkwijze 'de omweg als methode’. Via de mentaliteit en de blik van de boer tot en met de edelman wist Tolstoj de oorlog tegen Napoleon inzichtelijk te maken.
FEITEN EN BEELDEN, misschien heb ik die twee woorden te gemakzuchtig gehanteerd. Want wat is een historisch feit? Een jaartal gekoppeld aan een gebeurtenis? De stoelgang van een koning waarvan oorlog en vrede afhangen? Is een historisch feit niet ook een psychologisch-sociologisch feit, dat wil zeggen, geeft het geen beeld van wat mensen van zichzelf en hun omgeving vinden, een beeld dat hen richting en een levensdoel geeft? En wat is een beeld?
De Amerikaanse schrijfster Cynthia Ozick omschrijft in haar bundel Metaphor and Memory de metafoor als 'Frivoliteit. Trivialiteit. Geestelijke luchtigheid. Irrationele immaterialiteit’. Een verhaal kan nooit een credo zijn maar blijft altijd een mogelijkheid of experiment. Romanciers schrijven geen ideeënromans, ze steunen bij het schrijven op een verraderlijke vervlechting van waarnemingen en fantasieën - 'of noem het geheugen en suggestie’. De metafoor heeft minder met inspiratie dan met geheugen te maken. Ozick noemt de vergelijkende trope - de figuurlijke uitdrukking, overdrachtelijke zegswijze of voorstelling - de spreekbuis van het menselijke medelijden.
Dit behoeft uitleg. Ozick laat zich in haar overdenkingen over beeldspraak inspireren door de negentiende-eeuwse filosofische dichter en essayist Ralph Waldo Emerson. In zijn verhandeling History legt Emerson het verleden uit als een onderdeel van het heden: 'History is now.’ De historische roman zag hij als een autobiografie. Als schrijvers zouden wij Grieken, Romeinen, priesters, heersers, martelaren én beulen dienen te zijn. Die verbeeldingen, die identificaties, die verplaatsingen in anderen moeten worden verbonden met de eigen, min of meer verborgen, ervaringswereld. Op die manier geformuleerd bestaat de wereldgeschiedenis uit een schat aan autobiografisch materiaal.
Ozick komt in Metaphor and Memory tot een boeiende conclusie: 'Zonder de metafoor van het geheugen en de geschiedenis kunnen we ons het leven van de Ander niet voorstellen. We kunnen ons niet voorstellen wat het is om iemand anders te zijn. De metafoor is de bemiddelaar, de algemeen makende kracht; dat maakt het mogelijk het hart van de vreemde te doorgronden.’ Ozick heeft het over de taal, over het werk van de metafoor die het vreemde naar iets vertrouwds kan transformeren. Alles en iedereen vermengt zich: verleden en heden, de ander en het zelf.
In den beginne is het beeld. Ik zie nog die huilende vrouw staan, aan de rand van een bomkrater in een buitenwijk van Bagdad. Ze zwaait met haar machteloos gebalde vuist naar de camera en schreeuwt: 'Dit hebben jullie gedaan, dit is jullie schuld!’ Wat bedoelt ze? Dat die camera, die gerichte blik, schuldig is aan de Golfoorlog; dat de westerse televisiekijker zich woestijnzand in de ogen laat strooien door de alomtegenwoordige razende reporters van CNN; dat ons zogenaamde venster op de wereld in feite een reusachtige oogklep is; dat de informatie die mijn huiskamer binnenstroomt deel uitmaakt van de oorlogvoering; dat het permanente beeldenbombardement de actualiteit op een voetstuk plaatst ten koste van het verleden?
In Die Zeit van 21 juni 1991 schreef Andreas Isenschmid een essay over de Duitse vertaling van Claude Simons anti-oorlogsroman De acacia, onder de intrigerende titel Bagdad, Proust, Simon und der Krieg. In het slotdeel van Marcel Prousts romancyclus Op zoek naar de verloren tijd vindt Isenschmid een passage waarmee hij zijn waarneming ondersteunt dat CNN alle verdriet in de Golfoorlog abstract heeft gehouden. Om de menselijke kant te kunnen begrijpen, zou men de oorlog moeten 'schilderen zoals Elstir de zee heeft geschilderd’. In het tweede deel van Op zoek naar de verloren tijd, getiteld In de schaduw van de bloeiende meisjes, zit een passage waarin de verteller het atelier van Elstir bezoekt om te zien hoe hij de zee heeft geschilderd. Hoe kan een kunstwerk de oorlog schetsen zoals Elstir de zee schildert? Zou zo'n werk de verdwenen menselijke kant van de oorlog - het verdriet - voelbaarder en inzichtelijker kunnen maken?
Voor Isenschmid vormt De acacia het antwoord. De roman gaat over de oorlogstijd van een zoon en een vader en Simons thema is het verdwijnen van het menselijke in een oorlog. Het woord guerre valt slechts enkele malen, maar 'wat geen kennis over de oorlog ons kan zeggen (…), dat biedt, voor zover de literatuur daartoe in staat is, deze roman aan. Ze verbeeldt niet de realiteit van de oorlog, ze zet ons er middenin en omsingelt ons zo nadrukkelijk en op zo'n zinnelijke directheid met de oorlog, dat de recensentenfrase “onbeschrijflijk” letterlijk wordt gehonoreerd.’
Beeldvorming, we worden er het slachtoffer van maar we kunnen er ook niet buiten, omdat we alles om ons heen permanent willen ordenen om er verhalen over te kunnen vertellen. Want de geschiedenis is, in de woorden van Walter Benjamin, 'een opeenhoping van puin’. En wij proberen steeds opnieuw onder dat puin vandaan te kruipen, op zoek naar mensenvlees.