Bezorgde ouders #2: Het grootouderschap

Opa en oma passen op de kleintjes

Grootouders zijn terug in hun rol als plaatsvervangende opvoeders. Maar van het gedelegeerd ouderlijk gezag dat ze vroeger konden uitoefenen, is niet zo veel meer over. Babyboom-opa en -oma hebben nog maar één eigenschap: ze zijn lief…

‘Kleine kinderen worden groot/ En dan schijnen ze voor altijd verloren/ Maar het geluk komt weer terug/ Als er een kleinkind wordt geboren.’ Dat zong Tante Leen in 1967. Kleinkinderen brengen de generaties tot elkaar, dat was altijd al zo. Maar vroeger duurde het meestal niet lang, dat grootoudergeluk. Al die liedjes over vergrijsde opa’s en oma’s waren in mineur… Grootvaders klok ging steeds langzamer tikken en ‘opeens bleef hij staan om nooit weer te gaan/ Want het doodsuur voor de oude brak aan’.

Veel weten we dan ook niet over de relaties tussen grootouders en hun nageslacht. Tot eind vorige eeuw werden ze stiefmoederlijk bedeeld in de sociale wetenschappen. Pas nu de gouden generatie van de babyboomers het grootouderschap bereikt – en daarvan door de toegenomen levensverwachting lang kan genieten – raken ze ‘in’.

Daarmee ontstaat ook hernieuwde belangstelling voor de ‘grootmoederhypothese’, die oma in een glanzend evolutionair daglicht plaatst. Bijna alle gewervelde dieren sterven als ze niet meer vruchtbaar zijn, maar mensenvrouwen leven na de menopauze steeds langer door. Daardoor kunnen zij assisteren bij het grootbrengen van kleinkinderen, brengen ze wijsheid en ervaring over en vergroten ze de ‘fitness’ van het nageslacht. Een evolutionair voordeel dat het succes van de mens ten opzichte van andere diersoorten kan helpen verklaren.

Inderdaad is er een samenhang aangetoond tussen grootouderschap en kindertal, zegt socioloog Pearl Dykstra. De beslissing om kinderen te krijgen, wordt eerder genomen als steun van grootouders beschikbaar is. Traditioneel fungeerden opa’s en oma’s, als ze nog leefden en niet al te krakkemikkig waren, als een soort inval-ouders. Vooral oma werd vaak te hulp geroepen als moeder werkte of ziek was. Als kind had je haar dan maar te gehoorzamen.

In de tweede helft van de vorige eeuw, tijdens de jonge jaren van de babyboom, veranderde dat. Steeds minder vrouwen werkten buitenshuis; in de jaren zestig was de grote meerderheid van de getrouwde vrouwen ‘huisvrouw’. Familieleden gingen verder uit elkaar wonen en de gedachte groeide dat mensen zo min mogelijk afhankelijk van elkaar moeten zijn. Bij ziekte of andere moeilijkheden was het de overheid die te hulp schoot. Opa en oma werden nu mensen die af en toe op bezoek kwamen en bij wie je wel eens ging ‘logeren’. Omdat het leuk was – niet uit noodzaak.

Ook toen de babyboomers zelf kinderen kregen, en steeds meer vrouwen weer aan het werk gingen, hoefden grootouders niet op te draven om op te passen. De crèche was nog betaalbaar en in de buurt of de familie was altijd wel een betrouwbaar iemand te vinden om op te passen.

Bij de meeste babyboomers die we voor dit verhaal spraken, kwam het simpelweg niet in hun hoofd op om hun ouders als kinderoppas te vragen. ‘Mijn moeder zou het vast wel gedaan hebben’, zegt een 72-jarige oma. ‘Als ik het haar gevraagd had! Maar ik heb het niet in mijn hoofd gehaald haar daarmee lastig te vallen. En het kwam al helemaal niet bij me op haar naar me toe te laten komen. We vonden het onze eigen verantwoordelijkheid. De afstand tussen ouders en kinderen was veel groter dan nu en, trouwens, die afstand wílde je ook. Ze moesten niet te dichtbij komen, en zeker je schoonmoeder niet!’

Zo werden opa en oma verre vrienden voor hun kleinkinderen. Niet meer ineengekrompen en versleten maar vaak nog gezond en vitaal, met een comfortabel huis en genoeg tijd en geld, gingen ze vooral van hun kleinkinderen ‘genieten’. En hun kleinkinderen van hen, want na het vervluchtigen van hun rol als substituut-opvoeders zijn opa en oma vooral de grote verwenners geworden.

‘Verwennen deden ze altijd al’, zegt socioloog Carlo van Praag, ‘maar die verwennerij was vroeger wel op rantsoen. Het Nidi heeft uitgezocht dat wie geboren was in 1865 op zijn zestigste gemiddeld zestien kleinkinderen had. Ben je geboren in 1965, dan kom je niet verder dan gemiddeld drie stuks. Omgekeerd hebben kinderen steeds meer levende opa’s en oma’s. De marktverhoudingen zijn omgeslagen: er is een ruim aanbod van grootouders, maar kleinkinderen zijn schaars geworden.’

Voor de ouders van nu heeft het ruime grootouderaanbod een belangrijk voordeel: het vormt een groot en gewillig arbeidspotentieel. Want de tijden zijn snel en ingrijpend veranderd: voor steeds meer jonge gezinnen vormen opa en oma opnieuw onmisbare hulpkrachten.

Recent Nederlands onderzoek laat zien dat grootouders sinds de jaren negentig vaker bijspringen als oppas voor de kleinkinderen. De helft van de opa’s en oma’s met een kleinkind onder de drie jaar zorgt daar vaak voor.

‘Die kleinkinderen komen als geroepen’, zegt Carlo van Praag. ‘Ze bieden de grootouders een nieuwe rol in het leven, een rol die de tweeverdienende tussengeneratie hun graag gunt. En ze kunnen er nog lang van genieten ook! Want in Nederland treedt het grootouderschap weliswaar pas laat in, zo tussen de 55 en zestig jaar, maar bij de huidige levensverwachting hebben mensen dan nog zo’n 25 jaar te goed.’

Grootouders zijn dus terug in hun rol als plaatsvervangende opvoeders, maar van het gedelegeerd ouderlijk gezag dat ze vroeger konden uitoefenen, is weinig meer over. Opa en oma hebben nog maar één eigenschap: ze zijn lief… In Ja zuster, nee zuster was Leen Jongewaard de liefste opa van heel Europa. Vader Abraham was nog liever in een duet met Wilma Landkroon. ‘Zou het erg zijn, lieve opa, als je gauw dood zou gaan’, zong zij, en Vader Abraham antwoordde zonder zich een moment te bedenken: ‘Nee, m’n kleine meisje, als jij maar van me houdt.’

Ook uiterlijk heeft opa een ingrijpende gedaanteverandering ondergaan. Geen vest meer, geen vadermoorder (niemand weet meer wat dat was), geen zilveren klok aan een kettinkje of andere parafernalia van grootvaderlijke autoriteit. Als opa je van school komt halen, doet-ie dat in polo en op sneakers. ‘Ik haal hem uit school, hij stormt naar buiten, handje in handje, wie begroet je nog zo?’ glundert een vaste afhaal- en oppasopa. ‘En dan altijd een ijsje en naar de dierenwinkel om naar de vissen te kijken.’ Wat wil je nog meer als oude man?

Maar die gelukzalige familieband verklaart nog niet waarom het aandeel oppas-grootouders de laatste tijd zo is toegenomen. ‘Opa’s en oma’s zijn er niet meer alleen voor de fun’, schrijft socioloog Ali de Regt. ‘Ze hebben een structurele rol gekregen als “achterwacht” of als vaste oppas.’ Als redenen noemt zij dat kinderopvang te duur of te ver is, maar ook dat ouders veel banger zijn dan vroeger om onbekenden bij hun kinderen te laten. Opa en oma zijn vertrouwd en veilig. Ze zijn, citeert zij Britse onderzoekers, the next best thing.

Daarnaast is de toename van het aantal echtscheidingen van belang, schrijft De Regt. Alleenstaande moeders doen vaker een beroep op hun ouders voor hulp en steun. Ook daardoor gaat de familie weer meer als vangnet functioneren. Verder speelt de toegenomen arbeidsdeelname van vrouwen een rol. Twee van de drie moeders met kinderen onder de twaalf jaar hebben nu een baan. Bovendien vergt arbeid steeds meer inspanning en toewijding: de werkdruk stijgt. En dan is er natuurlijk de toegenomen werkloosheid en de financiële krapte in veel gezinnen.

Mag je je eigen agenda vullen met leuke dingen voor de oude mensen als je (klein)kinderen steun behoeven?

‘Ik weet dat ze het financieel niet breed hebben en dat ze een dag extra naar het kinderdagverblijf gewoon niet kunnen betalen’, zegt een oppasoma. ‘En ik vind het ook zielig voor de kleinkinderen om meer dan drie dagen op de crèche te moeten doorbrengen.’

We hebben geen ‘Zuid-Europese toestanden’, zoals in Italië en Griekenland, waar je volgens socioloog Pearl Dykstra ‘hele cirkels van grootouders’ hebt die dagelijks voor kleinkinderen zorgen. ‘In Nederland gebeurt dat weinig, ook doordat we hier naar verhouding weinig voltijds werkende moeders hebben. Maar wij scoren juist weer heel hoog op het aandeel grootouders dat het afgelopen jaar heeft opgepast. Ze fungeren hier dus eerder als achterwacht dan als vaste kracht.’

Toch kan die kleinkindzorg behoorlijk intensief zijn. ‘Ik kook eenmaal per week bij mijn dochter, en mijn vrouw eveneens’, vertelt een vader van een alleenstaande moeder. ‘Dan is ze die dagen in ieder geval uit de zorg. We helpen ook in natura, want de ingrediënten nemen we zelf mee. Verder doe ik veel reparaties aan het huis en betalen we gezamenlijke vakanties. Onze dochter beschouwt ons bijna als een soort medeouders. We werden ook meegevraagd om scholen voor onze kleindochter te bezoeken, als grootouders mochten we samen met de ouders de proeflessen bijwonen.’ Nu is hij Grieks en Latijn aan het leren om haar op school te helpen.

Zwaar? Dat valt wel mee. ‘We genieten er zelf het meest van’, zegt hij. Een van de jongvolwassen ouders die we spreken, valt hem bij: ‘Onze kinderen gaan twee dagen naar de crèche, om de week komt mijn moeder een dag uit Amersfoort en mijn schoonouders uit Nijmegen komen ook vaak oppassen. Ze wonen een eind weg, maar dat lijkt niet te deren. Amersfoort en Nijmegen zijn bijna bestelbaar. Het is echt ongelooflijk wat ze voor ons doen. Los van de tijd gaat het ook om de aandacht, de energie die mijn moeder kan opbrengen. Zo mooi om te zien, dat je zó met een kind kunt praten. Dat kunnen alleen oma’s en opa’s. Ons kind is helemaal uitgerust als zij geweest zijn. En je ziet dus dat die generatie het goed kan, vergeleken met mijn oma.’

Dat laatste geldt in ieder geval voor jonge en vitale babyboom-grootouders, zegt socioloog Matthijs Kalmijn. ‘Die zullen er geen moeite mee hebben, ook al omdat dat oppassen maar gedurende een korte duur speelt. Het is heel geconcentreerd in de tijd, als de kinderen klein zijn.’

Niet alle jongbejaarde grootouders die we spreken, zijn daar zo gerust op. ‘Ik pas regelmatig op bij de kleinkinderen van mijn vrouw uit een vorig huwelijk’, zegt een nog niet zo oude opa. ‘Ik heb het haar zelf aangeboden, omdat ik merkte dat het te zwaar voor haar werd om twee dagen op te passen. Aan het eind van zo’n dag is ze kapot. Voor mij geldt dat trouwens ook, je bent 71. Hoe leuk ik het ook vind, ik ben altijd blij als ze weer naar huis gaan. En doodmoe.’

En dat is misschien pas het begin. Nu kunnen we het nog wel aan, horen we van verschillende kanten, maar straks? Moeten we bij volgende kleinkinderen, als we zelf nog weer ouder en minder gezond zijn, opnieuw opdraven?

Die kans is niet denkbeeldig. Doordat Nederlandse vrouwen laat zijn met het krijgen van hun eerste kind, is er een grote leeftijdsafstand tussen generaties, zegt Carlo van Praag. ‘Je krijgt daardoor ook wel een categorie hoogbejaarde grootouders die als mantelzorger vaak minder te bieden hebben en daar juist zelf van afhankelijk worden.’

Dat opa’s en oma’s nogal eens doorgaan met zorgen terwijl ze dat eigenlijk niet meer kunnen, heeft volgens Beatrijs Ritsema ook een andere oorzaak: ‘Ze willen voor zichzelf niet weten dat ze ouder worden, dat ze dingen niet meer zo makkelijk onder controle hebben. Je wilt niet bij die oudjes horen.’

Sommige grootouders moeten ook in overdrachtelijke zin op de kleintjes passen. Niet alle babyboomers zijn rijk. Door crisis en bezuinigingen kunnen ook zij op straat komen te staan, kunnen pensioenuitkeringen tegenvallen en zorgkosten hoger uitvallen dan verwacht. Het financieel bijstaan van kinderen en kleinkinderen kan dan een hoofdpijnkwestie worden.

Ook hier geldt dat we nog ver verwijderd zijn van het schrikbeeld van Zuid-Europa, waar ouders op hun dagelijkse uitgaven beknibbelen om hun werkloze kinderen bij te staan. Maar wel spreken we bijvoorbeeld een oma die zich afvraagt of ze al haar spaargeld moet gebruiken om haar kinderen te helpen. Bijna verontschuldigend zegt ze: ‘Ik wil toch graag af en toe nog een reisje maken.’ Mag dat wel? Mag je wel je eigen agenda vullen met leuke dingen voor de oude mensen als je (klein)kinderen steun nodig hebben?

In de verhalen die we van opa’s en oma’s te horen krijgen, is het geven van hulp of geld nooit een probleem. Integendeel – de bezorgdheid om de kinderen en de bereidheid om ze waar nodig bij te staan, is waarschijnlijk groter dan ooit. Twijfels en klachten gaan over iets anders, iets nieuws: onzekerheid over de vraag hoe ver die hulp moet gaan en hoe daarover het gesprek moet worden aangegaan.

Een bijzondere combinatie van maatschappelijke ontwikkelingen heeft die onzekerheid in de hand gewerkt. Eerst ‘emancipeerden’ kinderen jegens hun ouders doordat opgelegde plichtmatige verhoudingen plaatsmaakten voor onafhankelijkheid en een streven naar intieme, warme familierelaties. Daarna maakten economische ontwikkelingen (jeugdwerkloosheid, minder vaste banen, minder uitkeringen) en sociaal-culturele veranderingen (meer echtscheiding) een hernieuwde zorginspanning van de oudere generatie nodig. Maar nu zonder dat die daarbij kan terugvallen op traditionele gezagsverhoudingen; het onafhankelijkheidsideaal laat zich niet zomaar terugdraaien.

Het grootouderschap is een belangrijk schouwtoneel van de hieruit voortkomende ambivalenties. In onze samenleving zijn er geen vaste rechten en plichten aan verbonden; er bestaan geen algemeen onderschreven regels om op terug te vallen. Is grootouder zijn een levensvervulling of één enkel attribuut van een vol bestaan? Veel babyboom-opa’s en -oma’s hebben het gewoon drúk. Met werk, vanwege de opschuivende pensioenleeftijd, met reizen of met dingen waarmee ze het altijd al druk hadden. Tekenend is de verzuchting van een van de sociologen die we interviewden: ‘Wilden we eindelijk een keer bij ze op bezoek, hadden we ons daar eindelijk toe gezet… kónden ze niet!’

Over bezoek, oppassen en andere contacten moet dus worden overlegd en overeenstemming worden bereikt, schrijft Ali de Regt, maar uit het schaarse onderzoek dat hiernaar is gedaan, blijkt dat dit maar zelden gebeurt. Expliciete afspraken worden maar in heel beperkte mate gemaakt en irritaties worden lang niet altijd uitgesproken. Beide partijen zwijgen, omdat ze de goede verstandhouding niet in de waagschaal willen stellen, ook in het belang van de kleinkinderen. Vooral grootouders kiezen voor terughoudendheid.

‘Je kinderen kunnen verontwaardigd reageren als je zegt: ik wil wel oppassen, maar niet op regelmatige basis’

Als grootouders niet willen oppassen, moeten ze dus tóch oppassen… op hun woorden. ‘Het is absoluut waar dat kinderen van hun ouders veel meer vragen aan zorg, aandacht en oplossingen dan wij vroeger deden’, zegt psychotherapeute Annette Heffels, zelf een babyboomer. ‘Er is een soort verwachting van onvoorwaardelijke aandacht en liefde en dat je onmiddellijk te hulp schiet op het moment dat ze problemen hebben.’

Een hele reeks oma’s beaamt het. De een na de ander vertelt hoe ze ‘alles uit haar handen laat vallen’, afspraken afzegt en vakanties bekort of zelfs annuleert om toch maar geen oppasdag te missen. Een oma met al wat oudere kleinkinderen zegt: ‘Ik deed het omdat zij het fijn vonden en nu die eerste jaren voorbij zijn, kijk ik er met veel plezier op terug. Hard naar de deur rennen en heel blij “oma!” roepen doen ze al lang niet meer, maar we hebben een uitstekende en liefdevolle verstandhouding.’

‘Maar’, gaat zij door, ‘een andere belangrijke reden dat ik altijd klaarsta, is dat ik geen nee kan zeggen als mijn kinderen om hulp vragen. Ik hoor het vaak van vriendinnen: bijna allemaal doen ze het óók omdat ze zich verplicht voelen. Je kunt die kinderen toch niet laten zitten.’

Een andere oma beschrijft hoe ze dagenlang aan het werk was in het huis van haar zoon, samen met zijn schoonmoeder: ‘Ik was aan het schilderen, zij zat op haar knieën de vloer te boenen. Wij zouden ook wel veel reizen willen maken, zegt ze. Maar ja… de kinderen.’

Oudere grootouders kunnen zich soms niet ontworstelen aan een soort ‘verworven rechten’ van hun kinderen en kleinkinderen, gegroeid toen die laatsten nog klein en zij zelf nog fit waren. Toen kookte oma bijvoorbeeld na het oppassen voor de hele familie. Tien jaar later begint dat een belasting te worden, maar het grootoudergevoel dicteert: doorgaan! Nou ja, in feite gaat het daarbij vaak om het grootmóedergevoel. In de trein naar het oppasadres kan het er heftig aan toe gaan tussen bejaarde echtelieden, vertelt een van hen. ‘Mijn man vindt het belachelijk dat we zo veel oppassen. Je laat over je lopen, roept hij dan, het lijkt wel of je een weerloze dame bent. Dat ben ik helemaal niet, maar in dit geval wel.’

‘De vanzelfsprekendheid dat je als moeder altijd zorgt en beschikbaar bent, weegt zwaar’, zegt Annette Heffels. ‘Terwijl je dat in deze fase van je leven niet altijd meer wilt. Maar je zegt het niet, terwijl je kinderen wél alles zeggen. Ze kunnen heel verontwaardigd reageren als je zegt: ik wil wel oppassen, maar niet op regelmatige basis. Wij nemen dan onze toevlucht tot omzeilende strategieën. We zeggen: het kan niet vanwege m’n gezondheid, maar we zeggen niet: ik heb er geen zin in.’

Zelfs ‘assertieve’ grootouders worstelen met dit probleem. Een 65-jarige oma vertelt hoe haar dochter op een avond langskwam met haar twee kindjes. ‘Ik dacht dat ze gezellig met z’n drieën op bezoek kwamen, maar wat bleek? Ze wilde de kinderen bij mij droppen en zelf doorgaan naar een feestje. Die kindjes bleven dus slapen. Ik dacht: wat krijgen we nu? Ze had er geen moment over nagedacht hoe ík dat zou vinden. Oma’s vinden kleinkinderen leuk… ja, ja, dat is ook zo, maar voor mij is het niet vanzelfsprekend. Ik wil het best doen, maar in overleg.’

‘En?’ vragen wij. ‘Heb je daar iets van gezegd, of het later besproken?’

‘Eeeeh, eigenlijk hebben we dat niet goed uitgepraat. Voor een gesprek zijn er twee nodig. Ik hoop wel op een gesprek, maar ik weet niet of dat gaat gebeuren.’

Een andere oma, 74 jaar oud, nam drastische maatregelen toen haar vierde kleinkind zich aankondigde. ‘Ik heb intussen langer in de kleinkinderen gezeten dan in m’n eigen kinderen en ik moet er niet aan denken dat ik nog eens vier jaar voor de boeg zou hebben. Ik heb na de derde het kinderbedje uit elkaar gehaald en aan de buren gegeven. Ik wil geen baby meer op mijn slaapkamer, daar ben ik te oud voor. Dat hij ’s nachts wakker wordt en dat ik hem zit te wiegen, daar heb ik geen zin meer in.’

Ook hier de vraag: ‘Is er al over gesproken?’

‘Nee, dat moet ik echt gaan doen, daar moet ik een afspraak over gaan maken, want dat gaat niet vanzelf. Sommige vriendinnen zeggen: als je er niet over gesproken hebt, gaan ze ervan uit dat je het blijft doen.’

‘Nou’, zegt Beatrijs Ritsema, ‘als deze oma mij zou schrijven, dan wist ik het wel. Ik zou haar aanraden te zeggen: luister, ik heb het vijftien jaar gedaan, ik doe het niet meer, ga zelf maar iemand zoeken.’

Bij haar adviesrubriek in Trouw komen veel vragen binnen over de kwestie-oppassen en haar antwoord is steevast: het moet volstrekt vrijwillig zijn. Eigenlijk vindt zij dat kinderen het niet horen te vragen aan hun ouders. ‘Die hebben hun eigen leven. Sommigen staan te trappelen om het te doen en zullen dat dus zelf aanbieden. Anderen zeggen: ik doe het als de nood aan de man is, maar niet structureel. Als er iets is met hun kind zullen ouders altijd helpen. Maar bij oppassen vind ik dat anders liggen. Dat hoort bij het ouderschap, je moet daar je eigen verantwoordelijkheid voor nemen. Als kinderen volwassen zijn, is de taak van ouders afgelopen, dan zijn die verplichtingen er niet meer.’

Dat ouders dat niet hardop durven zeggen, bevestigt voor Ritsema de holheid van de gedachte dat ze vrienden met hun kinderen zouden kunnen zijn. ‘Als je werkelijk zo bevriend bent, durf je elkaar de waarheid te zeggen.’

Dat is de kwetsbaarheid van babyboom- opa’s en -opa’s. Het was hun opvoedings‘project’ om de afgemeten en afstandelijke omgangsvormen met hun eigen ouders te overwinnen. Ze zetten alles op alles om hun kinderen beter te leren kennen, vertrouwder met ze te zijn. En zijn daarin wonderwel geslaagd. Wie heeft het nog over het ‘generatieconflict’ dat in de jaren vijftig en zestig hun eigen opvoeding beheerste?

De tijden zijn gunstig voor die toenadering tussen generaties. De veranderingen van de jaren zestig en zeventig, de toegenomen welvaart en het gestegen onderwijsniveau hebben de verschillen verkleind. ‘De afstand tussen het leven van mijn ouders en mij was veel groter dan die tussen mijn leven en dat van mijn dochters’, zegt Annette Heffels. ‘Mijn leven en dat van mijn dochters zitten veel meer op één lijn dan dat van mij en mijn moeder destijds. Onze kinderen hebben zich ook veel minder tegen ons afgezet dan wij deden.’

Maar die reuzensprongen voorwaarts hebben ook nieuwe twijfels en frustraties met zich meegebracht. Waar babyboomers hoopten alle belemmeringen te hebben overwonnen en zowel opvoeder als vriendje te kunnen zijn, worden ze door hun kinderen met de neus op de feiten gedrukt. Kinderen, ook volwassen kinderen, schromen aan de ene kant niet een beroep op hun ouders te doen, maar trekken aan de andere kant ook grenzen. Niet te dichtbij komen. Ouders blijven ouders.


Bronnen: Pearl A. Dykstra, Families: in alle staten?, oratie EUR, 2012/M. Kalmijn, Verklaringen van intergenerationele solidariteit, Mens & Maatschappij, 2010/1/Janneke Oppelaar en Pearl A. Dykstra, ‘Contacten tussen grootouders en kleinkinderen’, Mens en Maatschappij, 2004/3/Ali de Regt, ‘Grootouders van nu’, Ouderschap & ouderbegeleiding, 2008/3