Opa’s geklieder

Zelfs m'n grootste vijand zou ik niet toewensen dat hij na een dag hard werken thuiskomt en zijn zeventienjarige zoon aantreft met een pistool tegen de slaap.

‘Dag pa, over dertig seconden ben ik er niet meer’, zei het kind.
Ik ben geen grote prater, ik denk voornamelijk in cijfers. Maar toch zei ik: 'Vind je het goed, zoon, je naar de badkamer te verplaatsen? Ten eerste: dat Perzisch tapijt waar wij op staan, heeft een behoorlijke duit gekost. Ten tweede: dat schilderij achter je zou ik graag heel willen houden. Kijk me niet zo aan! Goed dan, wat kan het me eigenlijk verdommen? Jij je zin! Geld is niet alles in het leven. Je bent tenslotte m'n enige zoon. Doe dus wat je wil, desnoods in de zitkamer. Maar ja, dat schilderij… Weet je wel wie dat heeft gemaakt? Opa! Die heeft z'n hele leven lang niets anders uitgevreten dan dit soort spul bij elkaar te kliederen. Duizenden heb ik er naar de vuilverbranding gebracht, nadat hij zo tragisch aan zijn einde was gekomen. Dit is de enige die ik nog over heb. Dat ding irriteert me wat minder, omdat opa geen tijd meer had weer zo'n rare titel te bedenken.’
Toen gebeurde het wonder. M'n zoon ging voor het kunstwerk staan en verzonk in gedachten. Z'n lippen vormden een zin. 'De zin van het leven…’ hoorde ik hem mompelen. Ik zag hoe hij het pistool liet zakken en uiteindelijk op de grond liet tuimelen. Hij draaide zich plotseling om en vroeg me: 'Vader, denk je dat ik genoeg talent heb om kunstenaar te worden?’