Opbouw naar het breekmoment

Al lezende in Mensje van Keulens verhalenbundel Ik moet u echt iets zeggen anticipeer je steeds meer op dat ogenblik waarop er iets onherroepelijks gebeurt.

Mensje van Keulen, Amsterdam. 2018 © Maartje Geels / HH

Halverwege Ik moet u echt iets zeggen, de nieuwe verhalenbundel van Mensje van Keulen, moest ik even aan Louis C.K. denken, de Amerikaanse comedian die een paar jaar geleden door een groep vrouwen van seksueel wangedrag werd beschuldigd. In het verhaal De toneelmeester heeft cabaretier Pol Albers, een hufter van middelbare leeftijd, net de clou van een tenenkrommende schetengrap verteld. Al de hele voorstelling heeft een vrouw in het publiek met schamper gelach haar ongenoegen kenbaar gemaakt, maar nu kan ze zich niet meer inhouden en ze staat op: ‘Hij kleineert iedereen, dat vindt hij leuk, daar komt hij gewoon klaar van, de vuile viezerik. Hij zegt tegen vrouwen dat ze een paardenreet hebben, hij zei tegen mij dat ik een paardenreet had en weet je wat hij deed? De lolbroek trok zijn broek omlaag en slingerde zijn miezerige lul voor mijn gezicht.’

Elk van de negen verhalen uit Ik moet u echt iets zeggen draait om de momenten waarop er een grens is bereikt: die van het incasseringsvermogen, van het taboe, van seksuele ervaringen, van leven en dood. Het zijn verhalen over ogenschijnlijk realistische situaties die geladen zijn met een vreemde dreiging, scenisch bouwen ze op naar het breekmoment of omslagpunt. Naarmate de bundel vordert, anticipeer je al lezende steeds meer op dat niet te voorspellen ogenblik waarop er iets onherroepelijks zou kunnen gebeuren, en in elk verhaal gaat dat toch anders dan je denkt – ik moet me hier beheersen om sommige spectaculaire wendingen niet te verklappen.

Al sinds de jaren zeventig is Van Keulen de koningin van het leed dat huwelijk heet. Ook in Ik moet u echt iets zeggen raken de relaties tussen mannen en vrouwen langzaam zo vergiftigd dat het nog het verstandigst lijkt om principieel vrijgezel te blijven of te worden. Of om met een van haar personages te spreken: ‘Ik wou dat ik het klooster in was gegaan.’ En toch lijkt daar nu iets veranderd: was de liefde in haar vorige verzamelbundel Huwelijksverhalen nog iets wat je samen uit moest zitten, in deze nieuwe verhalen bereiken de vrouwen – steeds de vrouwen – het punt dat ze uit dat verstikkende keurslijf willen breken.

Ik moet me hier beheersen om sommige spectaculaire wendingen niet te verklappen

Het meest pregnant gebeurt dat in ‘De ring’. Op een ochtend is Simone haar trouwring kwijt. Beneden zit haar man Patrick aan de ontbijttafel te wachten, maar zonder ring durft ze niet aan te schuiven. Met haar meticuleuze gevoel voor karakterisering maakt Van Keulen duidelijk waarom Simone stiekem een andere ring om doet: ‘De kleinste dingen vielen hem op. Een krasje in de verf, een korreltje naast de kattenbak, een mussenpoepje op het terras, een druppel op zijn schone bord.’ Net als in eerder werk komen de mannen er bij Van Keulen weer bekaaid vanaf. Ze zijn egocentrisch, larmoyant of overspelig, en in dit geval een tikje compulsief. Na het ontbijt stelt Patrick voor ergens koffie te gaan drinken: ‘De nodige stappen voor vandaag halen we er nog niet mee, maar dan hebben we in ieder geval een loopje.’ Een bedaagde persoonlijkheid in één woord, dat loopje. Simone voelt zich klein bij haar man, die haar Siempje noemt en een arm om haar schouders legt tot ze onder het gewicht lijkt te krimpen. Wanneer duidelijk wordt wat hij haar met die ring heeft geflikt, snap je het verzet dat in haar oprijst.

De vertellers van Van Keulen doen niet aan psychologisering en overmatige reflectie, de kracht van de verhalen schuilt juist in de precisie van de interacties en de afstand die personages daarin nemen. In het sterke titelverhaal komt Annie aan haar buurman David vragen of hij op zijn laptop een brief voor haar wil tikken, ze zal hem uit haar hoofd citeren. Het relaas over haar psychopathische zoon is gruwelijk, en juist daarom kan ze het alleen maar onderkoeld vertellen. Na elke meelevend bedoelde onderbreking van David wil Annie zo snel mogelijk door met haar verhaal. De kleinste details hebben daarin de grootste betekenis; net als je je afvraagt of haar uitweidingen over opgezette dieren en geschenkpakketten nodig zijn, blijken ze noodzakelijk om duidelijk te maken hoe een moeder ertoe gebracht wordt om zulke hartverscheurende bekentenissen te doen over haar kind.

Het verhaal dat het langst blijft na-ijlen is het verontrustende ‘Angela’. Een jonge, ambitieuze vrouw gaat een zelfverkozen seksuele grens over die niets met seks te maken heeft en alles met psychologische bewapening: ‘Als ze dit kan, kan ze alles.’ Van Keulen zou hier het exces kunnen beschrijven, maar laat juist zien hoe ook Angela zich beheerst door afstandelijke registratie: ‘Ze buigt zich voorover en leunt op haar ellebogen tussen haar kleren en de gootsteen. Vanhier kijkt ze op de kleine moestuin onder het raam. De kolen zijn over hun groei heen, de prei en uien doen het goed.’ Het proza houdt bij Mensje van Keulen altijd een zekere lichtheid, door haar veelgeprezen humor, maar in deze bundel ook door de vrouwen, nuchter en oersterk: ze kunnen alles dragen.

Hoe macaber de sfeer bij Van Keulen ook kan zijn, Ik moet u echt iets zeggen is nergens cynisch. Misschien is deze bundel zelfs haar meest vertrouwenwekkende werk tot nu toe. Vooral aan de verhalen met personages die duidelijk stammen uit het pre-digitale tijdperk merk je dat ook de tijd een grens over is gegaan. Figuren als Simone en Annie herinneren je eraan dat voor jezelf opkomen, geloven in de mogelijkheid van een beter leven, niet altijd een vanzelfsprekendheid was, maar een verworvenheid van onze tijd – nu ook voor de personages van Mensje van Keulen.