Voor mijn huis in Amsterdam ligt een Stolperstein. In mijn kleine Amsterdamse woning heeft een joods gezin gewoond dat is vermoord in de oorlog. De stapsteen ligt er opdat we niet vergeten. Opdat een genocide zoals de holocaust zich niet herhaalt.

Het koperen steentje herinnert mij aan de geruchten die in mijn familie circuleren over joodse voorouders. Om te kijken of dat klopt, besluit ik een dna-test te doen bij een van de commerciële bedrijven die ze aanbieden. Die kent me 0,3 procent Cypriotisch bloed toe, maar geen joodse wortels. Net zomin als de andere vier testen die ik in de loop van een jaar doe. Ik ben Europees, Scandinavisch, Brits, Duits. Maar volgens de overlevering in mijn familie zit er aan mijn vaders kant joods bloed. Waar is dat dan?

In Facebook-groepen zitten joden uit de hele wereld die onderzoek doen naar hun wortels en ze delen hier de problemen waarop ze stuiten. Een nieuwe wereld gaat voor me open, met amateur-genealogen, stambomen en dna-matches die daarmee verbonden kunnen worden. Voor mijn eigen stamboom vind ik informatie uit archieven over de hele wereld die dankzij het internet toegankelijk zijn, en speur naar de joodse wortels van mensen die met me verwant zijn. De boom gaat inmiddels terug tot 1400, en mijn eerste voorouders aan mijn moederskant zijn Fries. Aan vaderszijde stuit ik op een Duitse voorouder die joods kan zijn, Mewis Bartholomaus Aretz uit 1605, maar zijn nazaten zijn, anders dan hij, Duits-evangelisch gedoopt. Zijn het misschien bekeerlingen vanwege het antisemitisme in het Duitsland van de zeventiende eeuw? De archieven geven geen uitsluitsel.

Ik verbaas ik me erover hoe actief joden zijn in het zoeken naar die wortels. Al zijn ze ook deel van een grotere beweging in de Verenigde Staten, waar veel Amerikanen dna gebruiken om uit te vinden waar hun voorouders vandaan kwamen. Maar was het niet de registratie van het joodszijn die de Duitsers zo behulpzaam is geweest bij de holocaust? Waarom dan jezelf toch registreren en opnieuw zo’n risico lopen?

Ik tref bij mijn stamboomonderzoek de oudoom van mijn moeder aan, die op 59-jarige leeftijd in Kamp Westerbork is overleden. Hij heette Abraham Boom, en heel even denk ik dat hij de gezochte joodse link is. Maar hij stierf daar in juli 1948. Toen was het geen joods kamp meer. Een bezoek aan Beilen, waar de archieven van het kamp zijn opgeslagen, maakt duidelijk dat hij een nsb’er was die daar na de oorlog was geïnterneerd. Hij moest in Almelo worden berecht, maar overleed voordat hij kon worden getransporteerd.

Hij blijkt in de doofpot te zijn gestopt. De 89-jarige broer van mijn overleden moeder weet niets over deze oudoom, maar wel over een aangetrouwde oom Pieter, die in 1943 in Enschede door het verzet is omgebracht. Twee nsb’ers in de familie, en ik zoek mijn joodse wortels. Geen wonder dat daar alleen over gefluisterd werd.

Joden vormen een belangrijke groep onder de klanten van testbureaus als Ancestry, MyHeritage, 23andMe en FamilyTree. Die spelen erop in door als herkomst Asjkenazi joods, Sefardisch joods en Mizrachi joods aan te bieden. Dat zijn de drie belangrijkste groepen binnen het jodendom, de eerste afkomstig vooral uit Oost-Europa, de tweede in de Middeleeuwen verjaagd uit Spanje en de derde afkomstig uit islamitische landen.

Veel mensen doen meerdere testen en laden de uitkomsten van het ene bedrijf in bij het andere om meer dna-matches te hebben. Dat zijn mensen met wie je dna deelt en de hoeveelheid is een indicatie hoe dichtbij of veraf ze van je staan. Het zijn die matches die de gaten kunnen opvullen die bij het maken van een stamboom op basis van archiefonderzoek zijn gevallen.

Want ‘een familie zonder de kennis van haar geschiedenis, herkomst en cultuur is als een boom zonder wortels’, zoals het motto is van de wekelijkse nieuwsbrief van JewishGen.org. Dit is een Amerikaanse organisatie die zich inzet om de joodse familiegeschiedenis en het erfgoed te bewaren voor toekomstige generaties. Ze heeft archieven overal ter wereld online beschikbaar gemaakt om verloren takken van die boom te vinden. En dat gebeurt in toenemende mate in combinatie met dna-onderzoek.

Want het gaat erom niet te vergeten, legt de Amerikaanse auteur Lori Escalera uit. Ze beschrijft zichzelf als een product ‘van Asjkenazi wortels zowel als Sefardische van Rhodos, en opgegroeid in Los Angeles’. Ze vertelt over de ruim tweeduizend joden die begin jaren veertig op dat Griekse eiland woonden, van wie er hooguit 175 de holocaust overleefden. Haar grootouders ontkwamen doordat ze al eerder naar de VS waren vertrokken. Alle joden op Rhodos waren verwant, realiseerde ze zich toen zij zelf dna-onderzoek deed. ‘Dan ontdek je dat ook jouw bloedverwanten zijn vermoord in de holocaust. En door je familieherkomst aan hen te verbinden, heb je een manier om hen nooit te vergeten. Het is een mitzvah, een goede daad. Het is een manier om degenen die we verloren levend te houden.’

Daarom ook werkt ze aan een groot project waarbij ze alle joden van Rhodos in een stamboom wil vatten, teruggaand naar de families die in 1522 naar het eiland kwamen, oorspronkelijk gevlucht vanwege de Spaanse Inquisitie. ‘Ze trouwden allemaal met elkaar, gaven dezelfde genetische informatie door en dat leidt tot mutaties. Die dragen ze allemaal.’

Dat heeft ook gevolgen voor de gezondheid. In Escalera’s familie komen geestesziekten voor (bij haar grootvader, oudtante, vader, tante en zoon), naast veel lactose-intolerantie.

Amerikaanse joden in de jaren zeventig waren getraumatiseerd door de holocaust en waren bezig met hun Amerikaanse identiteit

Ze probeert via dna-onderzoek ook familieleden te vinden, want die heeft ze nauwelijks. Zo ontmoette ze door haar dna-match Kevin, die haar achterneef bleek te zijn. ‘Hij kwam vorig jaar zomer op bezoek. Het is grappig om te zien dat we duidelijk geen vreemden waren. Hij heeft de leeftijd van mijn zoon. Het voelde als familie toen we samen waren.’

Ik spreek via Zoom mensen uit de Facebook-groepen die via dna-onderzoek familieleden hebben gevonden. Zoals Sandy Lanman, een Amerikaanse schrijver en PR-professional uit East Brunswick, New Jersey. ‘Voor 1997 had ik een lege stamboom’, vertelt ze. Ze deed journalistiek onderzoek en later ook dna-onderzoek om een hele lijst van familieleden te vinden, te beginnen met haar moeders biologische moeder, eindigend met haar vaders verloren neven.

‘Toen mijn moeder zich in 1950 in de VS liet naturaliseren, ontdekte ze tot haar ontzetting dat ze geadopteerd was’, vertelt Lanman. Marion Buchwalter Hahn was in 1928 in Duitsland geboren, in 1932 geadopteerd en in 1939 met haar adoptiefouders naar de VS gevlucht. Haar moeder Elsie Gabel was een ongetrouwde moeder, zo bleek uit de geboorteakte. Ze wilde meer weten over haar grootmoeder, maar kon pas na de dood van haar moeder op zoek gaan. ‘Want mijn moeder wilde niet nog een keer afgewezen worden.’

Met hulp van een vrijwilliger in Duitsland ontdekte Lanman dat haar Poolse overgrootouders en hun negen kinderen, onder wie Elsie, begin vorige eeuw naar Duitsland waren geëmigreerd. Van een van die kinderen vond ze het latere overlijdensbericht in de VS. Deze oudoom bleek lang bij haar in de buurt te hebben gewoond. Via dat bericht vond ze zijn dochter Barbara. ‘Zij introduceerde me aan de rest van de familie. Die hebben me verwelkomd als een lang verloren nicht en de kleindochter van hun tante Elsie.’ De oudere generatie had het geheim over Elsie’s buitenechtelijke kind zeventig jaar lang bewaard. Ze hadden zich wel afgevraagd wat er van haar was geworden, maar waren nooit op zoek gegaan.

De ontdekking leidde tot de zoektocht naar haar biologische grootvader. ‘Mijn moeder zei dat hij Amerikaans was en ze had me zijn achternaam verteld, Altstedter.’ Aanwijzingen die haar leidden naar zijn familie in de VS kreeg ze toen ze in Israël op bezoek was bij nieuwgevonden familie van haar moeder. ‘Zijn familie zei tegen me: wij denken dat onze grootvader je moeders vader was.’ Dat was een joods-Amerikaanse zakenman van Oekraïense herkomst, Moritz Altstedter. ‘Twintig jaar lang dachten we dat, tot we in 2017 dna-testen konden doen.’ Daaruit bleek dat ze zich vergist hadden, en na verder onderzoek van haar dna-matches ontdekte Lanman dat niet Moritz, maar zijn neef Irving haar grootvader is.

Voor die kant van de familie heeft ze een stamboom gemaakt die ze nog regelmatig aanvult, en ze reist de wereld over om familieleden te ontmoeten. ‘Dat is echt geweldig’, zegt ze. Toen wilde ze ook haar vaders achtergrond weten. Hij verloor een groot deel van zijn familie in de holocaust. ‘Hij sprak er liever niet over. Het was te pijnlijk. Na vijf of tien minuten zei hij dan: ik wil er niet meer over praten.’

Hij had de oorlog overleefd omdat hij naar Engeland was gestuurd, maar zijn grootouders, ouders en broers en zussen waren vermoord. Lanman ontdekte echter dat er ook overlevenden waren: twee jongere nichten en een neef die tijdens de oorlog in Frankrijk door nonnen waren verstopt en in 1941 door Quakers naar de VS waren gebracht. Ook hun ouders en een broertje waren in de kampen vermoord. Lanman vond de nichten terug en herenigde hen met haar verheugde vader. Doordat hij in 2017, vlak voor zijn overlijden, een dna-test had gedaan, vond ze later ook nog enkele achterneven.

Voor Sandy Lanman blijft echter het papieren spoor belangrijker dan het dna-onderzoek. ‘Als je het kunt vinden, is documentatie het belangrijkste. Dat is nog steeds de gouden standaard van de genealogie. dna kan helpen, het kan bevestigen als je denkt dat je familie hebt gevonden.’

Tegelijkertijd wijst ook zij op het belang van de dna-testen voor het tijdig opsporen van aangeboren ziekten. Zo blijkt de familie van haar biologische vader een kankergen te dragen dat veel voorkomt bij Asjkenazi joden, en ze betreurt dat ze het pas ontdekte na het overlijden van haar dochter aan borstkanker.

Zo hebben beide zoons van Ruth James de ziekte van Crohn, een darmziekte die veel voorkomt onder Asjkenazi joden. Voor haar was dit een indirecte bevestiging van haar joodse afkomst. Vanuit Michigan vertelt ze dat ze opgroeide met een christelijke moeder die ‘blauwe ogen en blond haar’ had besteld toen ze een kind adopteerde. Ze kreeg de donkere Ruth die ze niets vertelde over haar joodse herkomst. Pas op haar 45ste vond James haar biologische familie, die (alweer) niet ver van haar bleek te wonen: broers en een zus die van haar bestaan wisten, maar zelf nooit op zoek waren gegaan. ‘Ik had niet verwacht dat ik erom zou rouwen, maar toch. Ik was al in de veertig en had niet geweten dat ze bestonden.’

Onder de joden in Europa, en vooral in Nederland, zijn ook veel mensen die zich niet door de succesverhalen laten overtuigen

James werd geloviger nadat ze had ontdekt joods te zijn. ‘Ik identificeer me met mijn biologische familie. Ik bekeerde me. Ben nu orthodox-joods. Ik houd me aan de sabbat, maar het is moeilijk om hier koosjer voedsel te kopen. Ik ben trots dat mijn kinderen zeggen dat ze Asjkenazi zijn, ook al zijn ze atheïst. Het was zo cool toen mijn zoon voor het eerst zei: ik ben joods.’

Vanuit Australië vertelt Didi Gilson over de verbondenheid die ze met andere joden voelt als gevolg van haar dna-test. Dat ze ‘een band voelt met de stam. Het effect van de dna-test was enorm. Het gaf me wortels. Ik realiseerde me dat ik onderdeel ben van een continuüm. Dat had ik niet eerder gevoeld.’

Gilson ontdekte dankzij dna dat haar biologische moeder een verborgen joods kind was in Frankrijk, en dat ze na immigratie naar New York haar dochter voor adoptie afstond omdat ze een ongetrouwde moeder was. Na een groot deel van haar leven zonder veel familie, heeft Gilson nu zeker dertig verwanten weten te traceren in de VS, Israël, Frankrijk en Engeland. Haar beide overgrootouders overleefden de oorlog niet, net als een groot deel van hun kinderen. Sommigen zaten in het Franse verzet. ‘Er zijn momenten dat ik me realiseer dat mijn hele familie naar de gaskamers is gestuurd, en dat er geen garantie is dat het niet opnieuw gebeurt’, zegt ze. ‘Ik heb nachtmerries die te maken hebben met wat daarvan in mijn genen terecht is gekomen. Ik heb ook problemen met het weggooien van dingen. Ik realiseer me dat veel van mijn verwanten alles hebben verloren.’

De Nederlandse Elaine Toes, die dankzij een dna-test bevestigd zag dat ze een biologische vader heeft die de oorlog overleefde door uit een Oost-Europees getto te vluchten, vertelt tijdens een gesprek in Arnhem dat ze zich toen realiseerde ‘dat de oorlog ook deel is van mijn persoonlijke geschiedenis. Die zit in mij. Ik was ontdaan en boos over wat mijn voorouders is aangedaan. En verdrietig over wat mij is afgepakt. Mijn verleden, nog voordat ik geboren was.’

Ze kwam erachter dat haar grootvader opperrabbijn was – ‘dat verklaart mijn zoeken naar waarheid en juistheid’. Ze sprak met een rabbijn over het jodendom en woonde een online sabbatviering bij. ‘Daar werd gezongen en dit resoneerde sterk in me. Ook al verstond ik er niets van, alleen het woord barucha.’ Dat betekent zegening. ‘Dankzij mijn biologische vader die vluchtte, besta ik. Dat heeft mijn perspectief veranderd, maar verwart me ook.’

Genealogie geeft je een idee van je plek in de wereld, zegt Dan Rottenberg, de ‘vader’ van de joodse amateurgenealogie in de VS met zijn boek Finding Our Fathers uit 1977. ‘Het gaat erom te ontdekken wie we zijn en waar we vandaan kwamen, en om onze levens te passen in de grotere context van de wereldgeschiedenis.’

In zijn boek nam hij een lijst op met achtduizend joodse familienamen, met aanwijzingen waar er meer over te vinden was. Opdat mensen zin zouden krijgen om hun wortels te onthullen, zegt hij. ‘En als ze er dan mee bezig waren, wisten ze niet van ophouden. Helemaal terug naar Rusland, naar de twaalfde eeuw, nee de elfde! Het traceren van je voorouders is verslavend. Het is als drijfzand, als je erin zit kom er je niet meer uit.’

Amerikaanse joden in de jaren zeventig waren getraumatiseerd door de holocaust en waren bezig met hun Amerikaanse identiteit, zegt Rottenberg. Ze gingen ervan uit dat ze hun herkomst niet meer dan twee of drie generaties terug konden traceren. ‘De documenten waren vernietigd, begraafplaatsen vernield en mensen waren van land naar land verhuisd.’ Hij meende echter dat er veel meer te vinden was en dat archieven die toen achter het IJzeren Gordijn zaten, ooit beschikbaar zouden komen omdat de Sovjet-Unie zou verdwijnen. Hij lacht: ‘Ja, in sommige aspecten was ik visionair.’

Rottenbergs boek werd een succes omdat ‘de tweede en derde generatie Amerikaanse joden de waarde begonnen te bewijzen van Marcus Hansens wet van immigrantenfamilies: wat de zoon wenst te vergeten, wenst de kleinzoon te herinneren’, zegt hij, refererend aan Marcus Lee Hansen, die een standaardwerk schreef over de Amerikaanse migratie.

‘Mijn theorie is dat er maar zoveel joden zijn, en dat we allemaal verbonden zijn’, vertelt hij. In 1700 waren dat er zo’n miljoen en alle huidige veertien miljoen joden stammen van hen af, tenminste als het gaat om Asjkenazi joden. ‘En mijn idee was dat als we al die stambomen samenvoegen ik dus ook meer over mijn familie zou ontdekken.’

Toen Dan Rottenberg het boek schreef was hij al twintig jaar aan het zoeken naar zijn voorouders. ‘Ja, dat was een eenzame speurtocht.’ Nu zijn er wereldwijd zo’n tachtig joodse genealogische verenigingen en tal van publicaties en academische programma’s. En bovendien ook dna-testen. Toen hij er zelf een deed, was hij bang dat hij toch zou afstammen van de Cohens, de rabbijnen die teruggaan tot Aaron, de broer van Mozes. Dat zijn stamboom, die totaal gebaseerd was op documenten, onjuist zou zijn. ‘Over de eeuwen zijn er joden geweest die zeiden dat ze Cohen waren, maar het niet waren. Ik ben blij dat ik je kan vertellen dat ik een echte Cohen ben.’

‘Toen mijn moeder zich in 1950 in de VS liet naturaliseren, ontdekte ze tot haar ontzetting dat ze geadopteerd was’

Hoewel Rottenberg indertijd de amateurs wilde aanzetten tot genealogisch onderzoek, waarschuwt hij nu juist voor hun beperkingen. ‘Het zijn geen professionals, en het internet is geweldig gereedschap voor het verspreiden van informatie, maar ook van desinformatie.’ Hij ziet dan ook als volgende stap de ontwikkeling van een sterk korps van professionele genealogen. ‘In de toekomst kunnen die de levens van miljarden individuen reconstrueren. Slachtoffers van oorlogen, genocides, plagen en kruistochten die anoniem waren, komen dan weer tot leven. We staan nog maar aan het begin.’

Zo’n professional is Jennifer Mendelsohn. De journalist heeft zichzelf gespecialiseerd in het uitvoeren van genealogisch onderzoek voor anderen. De verliezen die families leden door de holocaust zijn daarbij een belangrijke motivatie. ‘De joodse familiegeschiedenis is onnodig gehuld in mysterie, waarmee een gemeenschap die haar verleden juist zo snel mogelijk moet begrijpen en terugpakken nog verder achterop wordt gezet’, schrijft ze in een opiniestuk in The Washington Post. ‘Ik voel een verantwoordelijkheid om wijder bekend te maken dat er een concrete manier is om gedeeltelijk te herstellen wat ons afgenomen is: familie.’

Voor haar begon het toen ze tien jaar geleden ontdekte dat de 85-jarige Poolse grootmoeder van haar man, die als enige van haar grootfamilie de holocaust overleefde, drie levende Amerikaanse nichten had van wier bestaan ze geen idee had. ‘Het veranderde de hele familie, in de goede zin’, vertelt ze vanuit Baltimore. ‘Het is allemaal bitterzoet, maar het bracht haar zo’n rust. Ze leefde nog vier jaar en wist een relatie met haar nichten op te bouwen. En dat had ook een geweldig effect op de hele familie.’

Ze hielp ook Sarit, die na de oorlog uit een weeshuis in Polen was gered en opgroeide in een kibboets in Israël zonder dat ze wist wie ze precies was. Tot ze een dna-test deed en Mendelsohn inschakelde. Die wist haar stamboom te reconstrueren. Ze kwam tot de conclusie dat Sarit als baby in de chaos van de oorlog van haar ouders gescheiden was en dat die nog jarenlang naar haar op zoek zijn geweest tot ze (in 1977 en 1995) in Israël overleden. Mendelsohn wist haar wel in contact te brengen met een tante en tal van neven en nichten.

Ze assisteerde ook de tachtigjarige Brit Jackie Young, die als wees Theresienstadt overleefde en dacht dat hij daarom wel het kind van een nazi moest zijn geweest die hem had beschermd. Dankzij Mendelsohns onderzoek kent hij nu de namen van zijn beide joodse ouders die in concentratiekampen omkwamen, en weet hij dat hij aan zijn vaderszijde nog levende familieleden heeft in Engeland, Frankrijk, Israël, de VS en Hongarije.

Voor mijn eigen onderzoek kom ik terecht bij Wim Penninx, een dna-specialist met een wereldwijd netwerk, die naast zijn werk bij de TU Delft als een van de vele vrijwilligers werkt aan het zogenaamde Avotaynu Project. Daarin wordt via dna gezocht naar de joodse geschiedenis in de wereld: waar is het eerste joodse dna gevonden en hoe hebben de joden zich over de wereld verspreid? Aan de hand van mijn joodse dna-matches komt hij helaas tot de conclusie dat er geen enkele aanwijzing is dat ik een dna-segment bezit dat ik deel met Asjkenazi joden.

Daarop besluit ik tot een laatste stap: zit het dan toch gewoon verder weg in mijn papieren stamboom verborgen? Ik zoek een genealogisch deskundige, want op een van de Facebookgroepen lees ik dat er inderdaad soms al na acht generaties geen sporen meer te vinden zijn in het dna als het gaat om één joodse voorouder.

‘We gaan zoeken naar een speld in de hooiberg’, zegt de deskundige vrolijk. Want inmiddels herken ik wat Dan Rottenberg zo treffend omschreef: ook ik ben terechtgekomen in het drijfzand van een verslavende zoektocht.

Toch zijn er onder joden in Europa, en vooral ook in Nederland, veel mensen die zich niet door de succesverhalen laten overtuigen. Mendelsohn zegt dat ze de terughoudendheid om dna-testen te gebruiken om familie terug te vinden begrijpt, ‘vanwege de privacy en het overhandigen van je dna aan een commercieel bedrijf. Maar de voordelen zijn veel groter dan de nadelen. Ik ben geen evangelist en wil het niemand opdringen, maar voor mensen die de holocaust overleefden, voor verborgen kinderen en kinderen die geboren zijn in concentratiekampen is dit een door God gezonden oplossing.’

Daarom heeft ze het initiatief genomen voor het DNA Reunion Project, waarbij dna-testen gratis beschikbaar worden gesteld aan holocaust-overlevenden en hun kinderen die familieleden zoeken. Ze wist daarvoor interesse (en geld) te vinden bij het Centre for Jewish History in New York, waar overlevenden met complexe verhalen bovendien gratis consulten kunnen krijgen van genealogische experts. Want er is haast bij, zegt ze. ‘Ik voel een urgentie om mensen duidelijk te maken dat dna dit soort reünies mogelijk maakt, omdat holocaust-slachtoffers uitsterven. En in een gemeenschap die zeventig tot tachtig jaar geleden zo uitgedund is, zijn die connecties belangrijk, voor individuen maar vooral voor onze gemeenschap.’

In haar eigen familie kende ze tien jaar geleden nog maar zes holocaustslachtoffers, inmiddels zijn het er zestig en de lijst groeit nog mee met haar stamboom. Zeker in een tijd waarin het antisemitisme weer toeneemt, moet er wat gedaan worden voor joden die niets weten over hun omgekomen familie, vindt Mendelsohn. Ze haalt Oscar Hammerstein uit de musical Carousel aan: ‘Zolang er nog een persoon op aarde is die zich je herinnert, is het niet voorbij.’

‘Het is onze collectieve verantwoordelijkheid om deze informatie te proberen te vinden’, zegt Mendelsohn. ‘Als een integraal onderdeel van het proces om ons verbrijzelde verleden terug te eisen van hen die ons probeerden uit te roeien.’ 

Deze publicatie is tot stand gekomen met steun van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten.