Opeens hoor ik de dood

Met vriend Q. de laatste tijd tamelijk veel over de dood gepraat alsof ik een omgekeerde neef was van Cyrano: zijn vader is aangezegd dat die nog maar een paar maanden te leven heeft en Q. vraagt mij waar de gesprekken tusen hem en zijn vader over moeten gaan.

Ik weet het eigenlijk niet. Ik adviseer met zijn vader vooral niet over de dood te spreken, maar voortdurend te doen alsof het een mooie dag in 1970 is, toen alles nog goed was.
Van de weeromstuit praten Q. en ik over de dood.
‘Volgens mij’, zegt hij, 'loop jij er de hele dag aan te denken. Je weet er zo veel van.’
Hij bedoelt het als een compliment.
'Het is angst’, zeg ik, 'zoals alles in mijn leven angst is. En het houdt niet op. Ik vraag me wel eens af, of ik me een voorstelling kan maken van rust, maar dat kan ik niet, want overal loert die angst.’
Vriend Q. vindt zulke dingen gewichtig klinken, en ik zelf vind dat ook wel.
'De dood’, zei ik laatst, 'kan ik me soms voorstellen. Ik zie hem in sommige gezichten op straat, ik zie hem soms in een kledingstuk, en soms hoor ik hem in een paar maten muziek.’
'Net poezie’, zegt Q.
Ik knik dan maar - toch is het zo.
Er zijn momenten dat ik half bewust (of half onbewust, dat mag ook) naar de radio luister en opeens de dood hoor; of de gedachte aan de dood meen te beluisteren in een paar intervallen. Het zijn maten die mijn dag verpesten, want de muziek graaft vervolgens allerlei angsten op die zich dan in mijn kop gaan nestelen en rotten tot ik migraine krijg.
Onlangs zag ik bij de vuilniszakken in de Westerstraat een jas waarin de dood zat; het was een jas die waarschijnlijk van een jongen was geweest. Ik kon er nauwelijks naar kijken.
'Wat is er?’ vroeg mijn dochter die ik terugbracht naar mijn Ex.
Ik zei: 'Niets… Ik bedacht me alleen… Je bent nu zo oud… Eigenlijk kan je best alleen terug naar mamma. Al dertien jaar breng ik je naar je moeder, maar…’
'Het is toch ook leuk om me thuis te brengen’, zei m'n dochter toen.
Ik knikte en we liepen door, maar de jas verdween niet uit mijn gedachten.
'Zit in het gezicht van mijn vader de dood?’ vraagt Q.
Ik schud mijn hoofd als een orakel.
'Nee, jouw vader is nog levendig. Eigenlijk.’
'Nog maar een paar maanden’, zegt Q.
Vorige week gingen Q. en ik zijn vader bezoeken, omdat zijn vader dat wilde.
Als een mooie dag in 1970: we spraken over de oorlog; er was een merkwaardig verhaal over voedselbonnen, verborgen wapens en een moeder die huilde en van verduisteringspapier een hoed had gemaakt voor een bruiloft in mei 1945.
Nooit geweten dat er toen getrouwd werd.
Opeens werd Q’s vader moe, en toen dacht ik: nou is de dood hier ergens. Maar ik herkende hem niet, terwijl hij vlakbij was.
Die dag kon ik eerst niet slapen. Na een slaappil droomde ik over mijn eigen moeder, die op het ogenblik griep heeft.
En tegen de ochtend droomde ik dat ik op een kinderfietsje reed. Ik kwam mijn vader tegen, smoezelig gekleed, zoals ik vaak na zijn dood over hem droom.
Hij duwde me.