4 juli 1953 Door lucebert 4 juli 1953

Open brief aan Bertus Aafjes

U heeft zich met uw drie artikelen over de experimentele poëzie in Elsevier ten doel gesteld deze poëzie van binnenuit te benaderen, d.w.z. met uw eigen innerlijk te herkennen en te begrijpen datgene van het wezen dier poëzie, dat binnen het bereik van uw herkennings- en begripsvermogen ligt. Ik ben zo vrij mij af te vragen, hoe het met uw innerlijk, zoals dat zich in uw artikelen uitspreekt, vandaagdedag gesteld is en in hoeverre dat innerlijk het wezen der experimentele poëzie recht kan doen wedervaren.

Om te beginnen mag ik dan uit uw schrijven opmaken, dat u zich thans volwassen voelt en de tijd rijp genoeg acht u op te werpen tot kampioen van het gezond verstand. Met de begrippen: geest, ziel en intellekt, weet u wel handig te goochelen, maar zij blijven bij u zinledig en middels deze categorieën kunt u ons toch niet verhelen dat u, tuk op een bepaald soort klare taal, het u liever niet moeilijk maakt en met het botte ontleedmes van het gezond verstand het snelst en het doeltreffendst verschillende waarden en waarheden denkt te kunnen verminken. Dat was juist gedacht.

Nog nooit heeft het gezond verstand in dienst van een waarheid gestaan, wel heeft het steeds in dienst van leugen en bedrog gestaan, waarheden verdraaid waar het maar kon, omdat het wel beseft dat er waarheden zijn die niet gezond, maar ziek maken, ja, zelfs waarheden die met de dood het lichaam naderen, de geest geen andere keuze latend dan deze: het lichaam de dood aan te doen. Nee, het gezond verstand houdt niet van de gevaarlijke waarheid, noch bekommert het zich om geest en ziel, want dat zijn zaken die niet zeker gesteld zijn in deze wereld. Het gaat dan ook het gezond verstand niet aan, dat zekere waarheden de onzekere geest plaatsen tussen de beleefde en de toekomende tijd hem wijzend op de poorten van geboorte en dood, van goed en van kwaad, niet ophoudend de geest te vragen om een oordeel. Zo is de geest wel eens zo zeer gemarteld en verward geraakt door dit niet aflatend vragen, dat hij meer dan weemoedig, dat hij wanhopig wordt en wanhopig zoekt naar de toverformule waarmee alleen deze poorten aan de uiterste duisternis, geopend kunnen worden. Maar heeft de geest het sesam sesam open u gevonden, wat baat hem deze vondst, want voor welke poort zal hij zich plaatsen daar zij zo zeer aan elkaar gelijk zijn, dat die, welke zich schijnbaar opent op geboorte en goedheid, wel eens bij nader inzien die des doods en des kwaads zou kunnen blijken te zijn. Deze, aan de uiterste duisternis gestelde poorten, dragen als opschrift niet zulke klare taal als die, waarnaar u, mijnheer Aafjes, thans zoekt.

Wanneer u beweert een reële bewondering, gemengd met deernis (tussen twee haakjes) te hebben met mij, de man die een procédé tot de laatste konsekwenties doorvoert, doet u mij denken aan degenen die, gezeten voor de waarheid en zijn handen in onschuld wassend, met een oog gericht op de tekenen van macht en geweld, kwasi-filosofisch uitriep: ‘wat is waarheid’, en die aldus de geest verloochende. Het was dan ook deze, Pilatus, net zo min als u, te doen om het wezen der dingen en de daaruit voortkomende nood van het bestaan, doch alleen om een procédé voor welks konsekwente doorvoering hij nog wel een reële (zakelijke) bewondering gemengd met de ‘gelukkig dat ze mij niet te pakken hebben’-deernis, kon gevoelen. Doch zulk een ‘bewondering’ en ‘medelijden’ vertroebelen geenszins de klare taal, waarin zijn en uw vragen gesteld zijn en waarin Pilatus-Aafjes de antwoorden eigendunkelijk vertaalt. Als vertaalmethoden gebruikt u ten eerste: het aloude foefje van onnauwkeurig citeren en citaten uit hun verband rukken; ten tweede: het zoeken naar woorden en zinnen die voor twee uitleggingen vatbaar zijn om dan de juiste, maar de eigen vooroordelen weerleggende uitlegging, te verzwijgen; ten derde: het zoeken naar de schaarse uitlatingen die schijnbaar een bevestiging zijn van de eigen vooroordelen. (Het antwoord ‘Gij zegt het’ op de vraag ‘Zijt gij de koning der joden?’) Van deze drie vertaal(verdraai)methoden is de laatste de meest speculatieve doch tevens de meest spectaculaire, alhoewel die soms jammerlijk kan falen, hetgeen wij zullen zien.

Een blind toeval namelijk bracht de stellingen van de heer Aafjes en de methode waarmee hij hen verdedigde ten val. Door een fout van de drukker van Atonaal kregen twee verschillende gedichten, het proefondervindelijk gedicht en het gedicht met als aanhef de woorden VROLIJK BABYLON (die in Atonaal in plaats van in kapitalen in onderkast gedrukt zijn) er de schijn van één gedicht te zijn. Het gezond verstand, afkerig als dit is van het wezen, van de geest der woorden, verdiepte zich in de schijn die in dit geval verre van schoon was. Er is namelijk geen sprake van primitieve ongeestelijke verrukking over de experimentele situatie in het vrolijk Babylon, want dat ‘vrolijk teder’ Babylon waarin ik en ook u woont, mijnheer Aafjes, is niet door mij gesticht, maar door bepaalde vertegenwoordigers van kerk en staat, de moderne Pilatussen en Kajafassen. En u, die wilt vermoeden dat de SS mijn poëzie binnen marcheerde, zou als u dichter was weten, dat nog nimmer op de hartslag der poëzie een knecht van haat, macht en onrecht marcheerde en dat dit ook nimmer geschieden zal, maar u, die nu blijkbaar liever de mammon dan de muze dient, wilt wel graag verzwijgen dat het zwarte gevaar niet met ironie, zwarte humor, toorn en kreten van angst en vertwijfeling, maar steeds met zoetgevooisde lente- en liefdesliedjes en zalvende stichtelijke spreuken over voorzienigheid, vrijheid, cultuur etc. op de lippen het lichaam en de ziel onder deze laars vol rozen vertrapt.

Waar is dat ik woon in een Babylon dat ‘vrolijk’ en ‘teder’ is ten koste van de geest- en zielskrachten, maar ik besta er niet als heer en meester, noch als een der knechten van de meester. Wel besef ik dat met veel van wat ik ben en doe dat Babylon in stand wordt gehouden en voortdurend voel ik mij en verklaar ik mij medeschuldig aan de gang van zaken aldaar. Is soms daarom een paar van mijn credo’s u niet welgevallig?

Enige jaren geleden, in de tijd dat ik Apocrief en De Analphabetische Naam schreef, was ik minder dan een lompenproletariër, was ik een onderproletariër, eenzaam, verfomfaaid en hongerig, slapend op de bankjes in het Vondelpark en op de ponten van het IJ met alleen maar mijn stem als onderdak. Toen heb ik geleerd wat mijn plaats was in het moderne Babylon en wie er vrolijk en teder hun verrukkingen uit kunnen zingen en wat er in dat gezang aan de grootse woorden en namen die de dichter en de engel ontstolen zijn, misdaan wordt. Ik prefereerde de analphabetische naam, de naam bijvoorbeeld van de naamloze die met lorren om de voeten gewonden in het park op het bankje tegenover mij sliep, boven de namen die de bezeten zwijnen hebben verkracht, opgevreten en die zij voortdurend door hun mulle microfonen voor ons uitkotsen. Overigens een daad, die als de tweede de babylonische zondeval, die niet alleen aan de dichterlijke stem het lichaam, zijnde de levenwekkende en bevestigende adem, onttrok, maar waardoor ook de stem van de engel zo ijl werd dat wij, sterflijken, het lichaam van die stem niet meer kunnen waarnemen, dat de adem der engelen door ons heen is gaan waaien zonder ons nog te beleven en te bewegen.

En ja, het is waar dat ik konsekwenties getrokken heb, doch niet alleen die, welke uit een bepaald literair procédé voortkomen, maar ook en voor alles die, welke uit de gang van zaken in de huidige maatschappij, zijnde een snelle en grondige nivellering en infantilisering, voortvloeien. Maar daar ik in dichterlijke eenzaamheid dit proces, dat mij ter harte gaat, verstaat ge!, voltrokken heb, is de uitslag een andere dan die, waartoe de collectiviteit allengs zal geraken, vermits zij niet zal worden opgehouden en terecht gewezen door de wanhoop, de opstandigheid en de verwondering. Deze, mijn uitkomst luidt: de persoonlijke geboorte, de persoonlijke dood.

Is het u soms ontgaan dat de wieg een grote overeenkomst vertoont met het graf en dat het gekwelde vlees, uitroepende ‘mij dorst’, de spons met edik als een speen ontvangt? Dat dan deze speenspons wordt gestoken op de dodelijke lanspunt en dat dus wel eens aan de rammelaar zich het wonder der poëzie heeft kunnen voltrekken die de rammelaar tot een kris maakte? Maar u vreest en haat dat vreselijke wonder dat mij eens overkwam. Eens koesterde ik de waan, dat de analphabetische naam de naamloze in mij, alleen en uitsluitend het geboorterecht zou verlenen. Maar steeds als ik voor hem de poort van het leven opende, opende zich tevens het graf. Het was mijn schuld dat dit geschiedde. Wellicht heb ik voldoende verorberd van het naamloze (het ding, de plant, het dier, de mens), alles wat verleden tijd is, maar zeker niet genoeg van het naamgevende, de toekomende tijd (alle weerkerende goden en engelen der drie maal drie tronen en koren) zodat ik leven slechts oordeele, in plaats van leven mede te delen. Maar wilt u, mijnheer Aafjes, mij daarvan een verwijt maken? Heeft u zich reeds gezuiverd tot Orphuis, spreekt u reeds het woord dat de stenen doet vliegen en de dieren laat spreken? Misschien heeft u het eens geprobeerd te worden de Orphuis, waarin ik geloof en waarnaar ik in mijzelf uitzie, maar u bent na de eerste probeersels er gauw mee opgehouden omdat het offer u afschrok, omdat de waarheid in de geest u te gevaarlijk was. Nu houdt u het met het gezond verstand en hoont mij omdat ik animaal stamel, omdat ik in mijn nood en benauwenis het ons dienende dier opzocht. Maar waagt u het ook hem te honen die als een lam ter slachting werd geleid en die genoemd wordt het lam gods? Waarom zou u dat niet durven? De hoogmoed van uw gezond verstand is wel zo groot, dat uw geweten, uw hart, in deze vesting voor het weekworden behoed kan worden, als het plengoffer eens over u wordt uitgestort.

Want naarstig verhardt u uw hart, nu u zijn vijand geworden bent, nu u uw slapen en verblinding voor het eeuwige leven houdend, alle angst en deernis buitensluit opdat u niet zult horen, opdat u niet in verwarring zult geraken over het feit dat niet alleen het lichaam, maar óók de logos aan het kruis is genageld en bloedt en het uitschreeuwt: mijn god, mijn god, waarom hebt gij mij verlaten. •