Open de oude doos

Het blijft tobben met de vaderlandse geschiedenis. Een maand geleden publiceerde _de Volkskrant _foto’s die kort tevoren in een vuilnisbak waren gevonden. Op een daarvan staan drie Indonesiërs die door Nederlandse soldaten worden doodgeschoten. Dat veroorzaakte opschudding.

De discussie over het Nederlandse doen en laten in Indonesië tussen 1945 en 1949 herleefde en weer werd de vraag gesteld of onze soldaten zich toen schuldig hebben gemaakt aan oorlogsmisdaden of ‘excessen’. Zelfs over de terminologie kunnen we het nog niet eens worden. Vier jaar hebben we met een leger van 150.000 man aan de andere kant van de wereld een oorlog gevoerd, officieel nog altijd ‘de twee politionele acties’.

Een van de eerste onthullingen werd gedaan door De Groene Amsterdammer, op 26 februari 1949, een maand of tien voor de soevereiniteitsoverdracht. Onder de kop Een officier schrijft aan zijn vrienden verscheen van de reserveluitenant Ko Zweeres een genuanceerd artikel waarin werd erkend dat de Nederlandse regering een eind moest maken aan een ‘zo langzamerhand onhoudbaar wordende toestand’, maar tegelijkertijd vergelijkt hij onze inlichtingendienst de IVG met ‘de Gestapo, Sicherheitsdienst, SS of welke andere schofterige Duitse organisatie je er maar voor in de plaats wilt stellen’. Het artikel veroorzaakte een onbeschrijfelijk kabaal en daarna werd het weer stil.

Twintig jaar gingen voorbij. Toen kwam Joop Hueting met zijn onthullingen op de televisie, daarna volgden de officiële Excessennota en Ontsporing van geweld van J.A.A. van Doorn en W.J. Hendrix (dat al eerder was voltooid), nog een paar onthullingen, allemaal met min of meer dezelfde gevolgen. In 1988 verschenen de laatste twee delen van de Geschiedenis van het Koninkrijk door dr. L. de Jong. Terecht zag hij de dekolonisatie als een uitvloeisel van de Tweede Wereldoorlog. Hij is nog altijd een van de weinigen die het geheel van de oorlog, waartoe ook ‘de kwestie Nieuw Guinea’, in een context van internationale politiek plaatst. Indonesië en Nederland waren niet alleen op de wereld. De grote bewegingen waren toen de Koude Oorlog en de dekolonisatie, die elkaar weer onderling beïnvloedden. Ook de visie van De Jong veroorzaakte opschudding en wat marginale razernij.

En nu dus opnieuw foto’s in de Volkskrant, en afgelopen maandag het nieuws over de Nijmeegse historicus Fredrik Willems. Hij werkt aan een biografie van Raymond Westerling, berucht om zijn schrikbewind op Zuid-Celebes. In 1950, een maand na de soevereiniteitsoverdracht, deed hij een poging tot een staatsgreep tegen president Soekarno. Willems onthult dat hij daarbij de steun kreeg van een paar hoge Nederlandse officieren. Op het ogenblik dat ik dit schrijf, zijn daarop nog geen reacties. Maar na de publicatie van de foto’s roepen historici weer op tot een wetenschappelijk onderzoek. Waarom niet. Over Westerlings doen en laten zal nog niet alles bekend zijn. Maar over de foto’s van de ‘excessen’ zijn we langzamerhand uitvoerig ingelicht. Naar aanleiding van de nieuwste publicatie heb ik een column in NRC Handelsblad geschreven met de conclusie dat dit oud nieuws is. In 1949 draaide ik als huzaar films af op het troepenschip Kota Inten; op de terugvaart voor tweeduizend veteranen. Mij zijn toen tientallen gruwelijke kiekjes vertoond.

In De Groene Amsterdammer van vorige week staat een artikel van de jurist Egbert Dommering. Hij is het eens met James Kennedy, die in het Historisch Nieuwsblad een typisch Nederlands verschijnsel constateert. Eerst een probleem decennia negeren, ‘en als het geen kwaad meer kan, moet er op basis van “definitief” onderzoek een consensus worden gecreëerd.’ Dommering en Kennedy vergissen zich. Iedereen die het weten wil, kan zich uitvoerig van de misdadige kanten van onze oorlog in Indonesië op de hoogte stellen. Maar niet iedereen wil dat. Nog altijd bijt een deel van onze publieke opinie zich vast in een blind patriottisme dat Nederland het absolute gelijk toekent en Soekarno en zijn volgelingen als heulers met de Japanners ziet. In deze opvatting is de oorlog een strijd tussen goed en kwaad, waarbij ‘wij’ onverdiend de nederlaag hebben geleden.

Voor deze zienswijze zijn niet de militairen van destijds maar de politici en de opiniemakers in de media verantwoordelijk. De politieke elite van toen is er verantwoordelijk voor dat er tienduizenden naar het front zijn gestuurd om een oorlog te vechten die zich binnen een jaar tot een uitzichtloze onderneming had ontwikkeld. Maar op dat fatale pad zijn de heren toen fanatiek begeleid door de rechtse pers, Elseviers Weekblad, Burgerrecht en na de herverschijning in 1949 De Telegraaf en in mindere mate het Algemeen Handelsblad. Een objectieve geschiedschrijving wordt pas bereikt als daarbij uitvoerig uit de pers van toen wordt geciteerd, uit de krijgshaftige hoofdartikelen van Lunshof in Elseviers bijvoorbeeld.

Er is een onthullend document in de literatuur, de roman Ik heb altijd gelijk (1951) van W.F. Hermans. De held, Lodewijk Stegman, keert aan boord van een troepenschip terug uit Indonesië. In het zicht van de Nederlandse kust wordt hij bevangen door woede. ‘Wij hebben een grote mond over de kranten van Hitler, van Stalin, maar onze eigen kranten laten we zó maken, dat wat werkelijk van belang is, er helemaal niet in komt! Wij weten het ook zó wel! Wij doen onze eigen zin! Wij gaan Soekarno laten halen! Geheel langs democratische weg! Soekarno, die collaborateur, die halve Japanner! (…) De waarheid was, dat Amerika ons in ons hemd zou zetten! De waarheid was dat Amerika ons zou laten stikken.(…) Dat was de waarheid die ze ons drie keer per dag over de radio hadden moeten vertellen! Dan hadden de Nederlanders er misschien iets van begrepen!’

Stegman beledigt en passant ook nog het katholieke volksdeel en richt dan in de loop van het verhaal met de zakenman Key een politieke partij op, die ze Voetbal Europa noemen. Zou een voorloper van de LPF kunnen zijn. Het boek werd in Elseviers bloeddorstig besproken, waarop Hermans in Podium antwoordde met Polemisch mengelwerk, dat er ook niet om loog. Dat is literatuurgeschiedenis. Hier gaat het om het einde van het Nederlandse imperium. Dat heeft tien jaar later in Nieuw-Guinea nog een moeizaam vervolg gekregen. Ik kom erop terug.