Boek van de maandVerbaal geweld in Portugees gezinsverband

Open gezwel

Jacq Vogelaar bespreekt zes boeken uit het aanbod van vertaalde literatuur. Als Boek van de maand kiest hij ditmaal Dans der verdoemden van de Portugese schrijver António Lobo Antunes, over een familie van grootgrondbezitters waarin iedereen elkaar het leven zuur maakte.

Het mooiste is natuurlijk wanneer je de gangen van een schrijver kunt nagaan door het ene boek na het andere te lezen, in volgorde van ontstaan. Elk boek is immers gedateerd. Helemaal ideaal is het om een boek meteen als het uitkomt te lezen. Bij schrijvers uit minder toegankelijke taalgebieden is dat uiteraard een vrome wens. Met acht vertalingen – en een trouwe vertaler en uitgever – komt het werk van de Portugees António Lobo Antunes er trouwens niet slecht van af: na De judaskus in 1991 is er de afgelopen tien jaar een hele serie vertaald. De sterk politiek geladen cyclus van vier romans die in 1996 begon met Handboek van de inquisiteurs is in de juiste volgorde vertaald, vrij snel na verschijnen van het oorspronkelijke werk.
Van de eerdere, veel meer op Portugal ten tijde van de revolutie van 1974 gerichte cyclus van vier, zijn er nu drie vertaald: Vogelvlucht (in 2004, het boek was van 1981), twee jaar geleden de grandioze roman Fado Alexandrino uit 1983 en nu Dans der verdoemden uit 1985.
Lobo Antunes schrijft niet direct of uitsluitend over politieke onderwerpen; zijn boeken zijn wel van politiek en (koloniale) oorlog doordesemd. Maar de dosering van het een en ander is moeilijk te doorzien als we nu de romans uit de jaren tachtig over de puinhoopjaren van midden jaren zeventig te lezen krijgen, terwijl latere boeken waarin de Portugese geschiedenis in een veel bredere optiek gevat wordt al weer uit het zicht (en de boekhandel) verdwenen zijn.
Sinds Verdwijn niet zo snel in die donkere nacht (van 2000, vertaald in 2003) heeft Lobo Antunes nog eens een stuk of vijf romans en mengelwerk gepubliceerd. Het is voor de geïnteresseerde lezer maar afwachten hoe het verder is gegaan, wat niet wil zeggen dat de inhaalmanoeuvre van de boeken uit de jaren tachtig niet de moeite waard zou zijn. Het tegendeel is waar. Lobo Antunes is een groot schrijver, en ook nog eens een onverbeterlijke experimenteel en voor wie zijn sarcasme kan waarderen een geducht humorist. Misschien wordt het werk geholpen door een internationale faam, maar zo’n soort schrijven, barok in alles, woest en tegelijk zeer beheerst, is in Nederland doorgaans weinig in trek: dikke, met volzinnen en gewaagde beelden afgeladen volle boeken. Hij heeft iets weg van de vroege Claus, wat geen wonder is omdat beiden bij Faulkner in de leer zijn geweest.
Aan Harrie Lemmens, de vertaler, ligt het niet, die heeft behalve zijn uitbreiding van het Nederlands taalvermogen het nodige aan de inburgering van de Portugees bijgedragen. Zo schreef hij bij verschijnen van Fado Alexandrino een informatief boekje bij de roman. Ik klaag ook niet, geef alleen de beperkingen aan van een recensent die het moet doen met wat hij krijgt aangeboden. Ik begrijp ook wel dat een uitgever van werk dat ook van de lezer werk vraagt, probeert het verkoop stollende woord ‘moeilijk’ te vermijden, maar dat doe je niet met superlatieven, het noemen van prijzen en oplagen. En door vereenvoudigende samenvattingen wordt een complex boek er ook niet gemakkelijker op.
Voordat je aan de roman begonnen bent, heb je al drie keer kunnen lezen dat ‘bijna anderhalf jaar na de Anjerrevolutie, wanneer de macht van de communisten op zijn hoogtepunt is, een familie van grootgrondbezitters zich rond het sterfbed van een oude patriarch schaart. Om de beurt vertellen ze het verhaal van hun aftakeling en ondergang. Als een reidans, een dans der verdoemden.’ Dat is niet onwaar. Maar communisten komen in het verhaal alleen voor als een soort menseneters en rancuneus gespuis – de familie bestaat dan ook uit communistenvreters, al sinds tijden. Er scharen zich ook geen familieleden om een sterfbed, wat een vreedzame bedoening lijkt. Er komen lijkenpikkers aangesneld; iedereen aast op het testament, hoewel de oude man alleen maar schulden bezit; in het huis heerst chaos, de zwakzinnigen gedragen zich normaal, de normalen zijn buiten zinnen. Terwijl de patriarch het loodje legt, is zijn ook al niet meer zo jonge zoon met treintjes aan het spelen, terwijl de andere kinderen en hun kroost het huis onttakelen, en een oom-beheerder de dochter al meteen na binnenkomst te pakken neemt. Nee, reidans is dan niet het woord dat bij mij op zou komen.
O, zal een enigszins geroutineerde lezer denken als hij leest dat een aantal gezinsleden om beurten z’n zegje doet, daar heb je het bekende schema: een gebeurtenis of persoon vanuit verschillende oogpunten bezien en beleefd, met als resultaat een meerkantig beeld van het lijdend voorwerp. Een beproefde methode met overigens vaak een averechts effect, namelijk dat de omcirkelde persoon niet genuanceerder, minder eendimensionaal en dus completer wordt, maar juist vager. Een gisse schrijver maakt daar gebruik van.
Lobo Antunes is het om iets anders te doen dan een legkaart samengesteld uit diverse getuigenissen en waarnemingen. Ook in andere boeken lijkt dat maar zo: als in Fado Alexandrino vijf militairen de laatste tien jaar voor de Anjerrevolutie nog eens doornemen, doen ze de crisis in één Walpurgisnacht nog eens over. Er ontstaat geen beeld, hooguit een vergruisd beeld van onmacht, kwaadaardigheid, woede, wrok en ontreddering. In de paar dagen van Dans der verdoemden wordt er ook niets geconstrueerd, eerder wordt wat is finaal afgebroken. En wat is er? Wat was er? Een respectabele familie of een met man en macht overeind gehouden façade? Een familiaal gezwel barst open. Hier betekent een crisis nu eens niet het opflakkeren van een ziekte als aankondiging van herstel, maar luidt de crisis – niet van de grootgrondbezitters, van de oude orde, niet eens van de opgeblazen grootvader die op sterven ligt, de huistiran – de ondergang in van alle huisgenoten, alle betrokkenen, van allen die in een grandioze verkleedpartij van jaren een rol hebben gespeeld. Iedereen heeft elkaar het leven zuur gemaakt. De mannen waren bruut en sadistisch en leken onbeperkt de baas te kunnen spelen, de vrouwen komen er uiteindelijk net iets beter van af – van hun slachtofferschap maakten ze door vol te houden, door hun onverschillige overspel en de hanigheid van de mannen, hun sterkte.
Wat interesseert het of dit verval eventueel overdrachtelijk geïnterpreteerd kan worden als teloorgang van een sociale laag, een land of zelfs van een heel tijdperk – zo kun je het lezen, maar dan moet je het hele werk en de totaalstrategie van Lobo Antunes erbij betrekken. Ik zou het niet kunnen, en denk daarom dat met de neus in het boek vooral belangrijk is dat niemand ontkomt en dat het zelfs geen vraag is wie dat alles veroorzaakt of in de hand gewerkt heeft, actief of passief. Het gaat om een collectief verval en dat ‘verhaal van hun aftakeling en ondergang’ wordt niet om beurten, het rijtje af, verteld. Voor een groot deel is het helemaal geen ooggetuigenverhaal maar worden grote stukken ervan een jaar of zeven later verteld, door betrokkenen die het kennelijk kunnen navertellen. En geen van hen heeft er ook maar iets van begrepen. Dus nogmaals: geen uiteenlopende versies van hetzelfde, zoals de al te verkorte samenvatting suggereert, maar een maalstroom.
Die stroom is een collectieve monoloog. Hier wordt een uitzinnige taal uitgeslagen, het is meer spuwen en braken dan dat er iets gezegd wordt met de bedoeling gedachten te verduidelijken of contact te maken. Dit is puur verbaal geweld: het gezin bestaat uit losgeslagen zinnen.
Dat het een stroom is wordt pas gaandeweg duidelijk. Het begint met de innerlijke monoloog van Nuno, tandarts, man van de hem hatende Ana, de dochter van grootvader Diogo, de Ingenieur die helemaal geen ingenieur is maar vooral bullebak. Nuno heeft een hekel aan iedereen, zichzelf incluis. De grap is dat hij vanaf een bepaald moment helemaal niet meer meedoet. Zijn verhaal is bijna een roman apart. Nadat hij, met zijn gezin op weg naar het verfoeide sterfgeval, boos de auto heeft verlaten en voor de nacht in een pensionnetje is getrokken, vernemen we niets meer van de cynische kankeraar, behalve dat hij een enkele keer als zwerver op straat wordt gesignaleerd. De blaaskaak is van het vuilnisbakkenras.
Een stroom, dat is het, waarom zouden de zinnen anders zo lang zijn en zó verstrengeld dat in een en dezelfde zin verschillende personen aan het woord kunnen zijn die ‘ik’ zeggen. Het zou al tegen de geest van het boek zijn om zelfs maar te proberen de personen te typeren die in bepaalde episodes het hoogste woord voeren, hoe binnensmonds ze ook praten, zoals de oude treintjesgek, diens mongoloïde zus of de verbannen dochter van deze, de doodgezwegen nicht, of de stervende zelf, en niet te vergeten de man van de andere dochter, de oom die zowat alle vrouwen besprongen heeft. De stier op het omslag doet ook nog mee, en als het kon zou ook hij zijn zegje gedaan hebben. De overeenstemming gaat in elk geval zo ver dat het eenzame ten dode opgeschreven stuk slachtvee de gelijke wordt van de stervende patriarch maar ook van de dokter die op weg is naar het sterfbed. Wat voor feest het is waarop de gebeurtenissen van de verhaalde twee dagen uitlopen, blijkt uit de titel, Dans der verdoemden, zoals de vertaler vertelt een verwijzing naar het laatmiddeleeuwse genre van de autos, toneelstukken met een religieuze inhoud waarin de auteur de mores van zijn landgenoten bekritiseerde. Het zou een verwijzing zijn naar een van die moraliteiten: ‘Moraliteit van de markt’. Alleen is het nu september 1975.