Open het grootboek

AFGELOPEN dinsdagmorgen 16 december. In Amsterdam vergadert de leiding van het Agentschap van Financiën met het Centraal Joods Overleg (CJO). Namens het CJO zitten R. Naftaniel en J. Sanders rond de tafel. Het Agentschap is vertegenwoordigd door directeur L. Verwoerd en de heer P. Bolkestein, chef Grootboeken. Onderwerp van gesprek: de al dan niet ‘slapende’ joodse tegoeden die nog altijd openstaan bij de Nederlandse Staat.

Na afloop van het gesprek toont Ronny Naftaniel zich tamelijk tevreden. Hem is te verstaan gegeven dat er inderdaad nog een aantal inschrijvingen van joodse stichtingen in de Grootboeken der Nationale Schuld bestaat waarvan sinds de oorlog de rente niet meer is opgehaald. Naftaniel: ‘Wij krijgen zo spoedig mogelijk inzicht in het archief en kunnen dan zelf gaan naspeuren of er nog rechthebbenden op die inschrijvingen zijn. Financiën is bereid om de rente te betalen vanaf het moment dat die niet meer geïnd werd. Volgens het Agentschap gaat het om een paar honderdduizend gulden.’
Van alle andere inschrijvingen is de rente keurig uitgekeerd.
Naftaniel heeft die ochtend van het Agentschap vernomen dat de Grootboekinschrijvingen tijdens de oorlog grotendeels intact zijn gebleven en niet en masse werden afgekocht door de Duitsers c.q. de Liro-roofbank. Immers, alleen de inschrijver zelf kon de inschrijvingen omzetten in andere, niet persoonsgebonden waardepapieren.
Maar is dat wel zo?
En ging het er in de jaren '40-'45 niet wat minder formeel toe?
De Groene Amsterdammer stelt Naftaniel op de hoogte van een interne notitie van de Liro-bank die anders doet vrezen. De notitie dateert van 20 juli 1942. 'Wij zijn het er over eens’, schrijft de Liro-bank, 'dat Grootboekinschrijvingen zooveel mogelijk in staatsobligatieën moeten worden ingeruild, die dan bij ons ingeleverd dienen te worden.’ De notitie eindigt als volgt: 'De Directie der Grootboekinschrijvingen moet echter uitdrukkelijk er op attent gemaakt worden, dat het beschikkingsrecht over alle aan joden verleende vingen (…) uitsluitend aan ons is toegekend.’
Ronny Naftaniel reageert verbaasd en geërgerd. 'Als er wel veel van dit geld op de Liro-bank is gestort, dan is er wel degelijk sprake van het gedwongen afkopen. Bolkestein hield vol dat het omzetten van een inschrijving in een schuldbekentenis niet mogelijk was anders dan door de persoon zelf. Volgens hem zouden de Grootboekinschrijvingen niet net als de verzekeringspolissen gedwongen zijn omgezet.’
Naftaniel belt onmiddellijk directeur Verwoerd, die hij die ochtend nog ontmoet heeft. Hij vertelt hem wat hij zojuist vernam. Volgens Naftaniel heeft Verwoerd daarop geantwoord dat het op het schap niet voor zeker bekend is of er tijdens de oorlog massaal grootboekinschrijvingen zijn omgewisseld en bij de Liro-bank terechtgekomen. Het zou mogelijk zijn. Verwoerd achtte de zaak dermate ernstig dat hij een diepgaand onderzoek zal instellen.
WAAR GAAT het precies om? Grootboekinschrijvingen zijn op naam gestelde vorderingen op de Nederlandse staat met een vaste rente van tweeëneenhalf, drie of drieëneenhalf procent. De inschrijvingen zijn voor onbepaalde tijd. Er vindt geen aflossing plaats. Desgewenst kan de op naam gestelde inschrijving worden omgezet in een schuldbewijs aan toonder: boekobligaties. Voor de oorlog werd een storting bij de Staat der Nederlanden nog beschouwd als een veilige belegging.
Nederland telde toen meer dan duizend joodse stichtingen die zich bezighielden met maatschappelijk werk. Isaac Lipschits beschrijft enkele daarvan in zijn boek Tsedaka. In 1941 bestaan er 230 religieuze verenigingen voor studie van de Thora, voor de synagoges en voor het begrafeniswezen; er zijn 109 culturele en 409 sociale verenigingen voor onder meer de jeugd, zieken en verzekeringen; 83 verenigingen houden zich bezig met het zionistische en Palestina-gerichte streven, 110 zijn er voor beroepsopleiding en 29 voor ontspanning. Ze zijn terug te vinden op een lijst van de Duitsers, die ze allemaal willen ontbinden. De Joodsche Raad voegt er eigenhandig nog 34 namen aan toe.
De vermogens van al deze stichtingen worden overgeheveld naar de Lippmann-Rosenthalbank. Althans: het deel dat bij de Duitsers bekend is. De meeste van deze joodse stichtingen hadden een groot deel van hun geld belegd in inschrijvingen in de Grootboeken der Nationale Schuld.
Nu zijn er twee mogelijkheden. Of die joodse Grootboektegoeden zijn wél bij de Liro-bank terecht gekomen. In dat geval zijn ze, precies als de polisgelden, te beschouwen als door de Duitsers gestolen en dus te compenseren gelden. Vandaar Naftaniels ergernis.
Of ze zijn niet bij de Liro-bank gekomen. En dus bij de Nederlandse Staat gebleven. In dat geval zouden er slechts enkele, natuurlijk al lang niet meer bestaande stichtingen zijn die nog recht hebben op een halve eeuw rentebetaling.
JAAP SOESAN, erkend speurder naar verdwenen joodse tegoeden, gaat er, evenals P. Bolkestein, van uit dat de joodse stichtingsgelden merendeels niet bij de Liro terecht zijn gekomen. Maar hij gelooft niet dat er sprake is van slechts enkele 'slapende’ fondsen. Soesan: 'Ik schat dat nog zo'n vijftig tot honderd miljoen gulden van ingeslapen joodse stichtingen en verenigingen bij de overheid zit. Juist bij de inschrijvingen in de Grootboeken der Nationale Schuld.’
Tijdens hun speurtocht werden Soesan en de zijnen ernstig gehinderd door het ontbreken van voldoende archiefmateriaal uit de Lippmann-Rosenthal-bank. Veel blijkt vernietigd. Enkele jaren geleden stuitte Soesan echter op een 'vergeten’ onderzoek uit 1942, in opdracht van de Joodsche Raad. Daarin staan 124 joodse stichtingen, verenigingen en fondsen vermeld, alle gesitueerd in Amsterdam. Mét vermelding van Grootboekinschrijvingen. Wat hem verbaasde was de hoogte van de inschrijvingen: niet zelden vele tienduizenden guldens. Het is niet duidelijk wat tijdens en na de oorlog met dat geld gebeurde. Soesan: 'Dat geld kan niet in rook zijn opgegaan. Het moet nog ergens zijn. We hebben aanwijzingen dat we het bij de Nederlandse overheid moeten zoeken.’
Financiën werd in 1988 ook al eens door Soesan gealarmeerd. Naar aanleiding van zijn naspeuringen stuurde het Nederlands Israelietisch Kerkgenootschap toen een brief met en verzoek om informatie over mogelijke slapende Grootboekinschrijvingen bij het Agentschap.
Namens het Agentschap antwoordde P. Bolkestein op 26 september 1989 dat hij 'een onderzoek ingesteld heeft naar inschrijvingen in de Grootboeken der Nationale Schuld op naam van Joodse Instellingen, ten aanzien waarvan sedert geruime tijd geen rente meer wordt geïnd’. Hij erkende dat die inschrijvingen er zijn en hij noemde de nummers, de namen en de inlegbedragen van zeven joodse instellingen. In totaal bezat de staat van hen nog â36.700 aan nooit opgevraagde tegoeden. Een praktisch vervolg wordt aan deze brief niet gegeven.
Jaap Soesan heeft altijd vermoed dat het bericht van het Agentschap slechts het topje van een immense geldberg onthulde. Uit Soesans materiaal is af te leiden dat van vele vooroorlogse joodse Grootboekinschrijvingen niet zeker is of het kapitaal ooit van de staat is teruggevorderd. Het gaat daarbij niet louter om kleine bedragen, zoals het Agentschap het doet voorkomen, maar soms om flinke vermogens. De Bisschofsheim Stichting en de Vereniging Mazon Habonoth, bijvoorbeeld, stonden in 1942 elk nog ingeschreven voor een ton. Het Carla Bonnist-Beek Fonds had aan effecten en Grootboekinschrijvingen maar liefst drie ton uitstaan. Het Bisschofsheim Fonds is na de oorlog herleefd. Of ooit de Grootboekinleg plus rente is teruggevorderd, wordt nu onderzocht.
EEN VERKENNEND onderzoek aan de hand van Soesans gegevens levert het volgende beeld op: van honderd willekeurige joodse instellingen blijken er in 1942 22 in de Grootboeken ingeschreven te hebben gestaan; 18 van die 22 instellingen zijn op dit moment niet meer actief. Hun inschrijving in de Grootboeken bedroeg in 1942 in totaal meer dan zeshonderdduizend gulden. Geëxtrapoleerd naar het totaal van duizend vooroorlogse joodse instellingen zou dat betekenen dat nog ongeveer zes miljoen gulden ergens in de Grootboeken zweeft. Gerekend naar het huidige prijsniveau gaat het volgens Soesan om zo'n zestig miloen gulden. Exclusief rente.
Waar het geld van deze instellingen is gebleven, is onduidelijk. Staat het ergens in de Grootboeken stilletjes rente te trekken? Zijn de inschrijvingen tijdens de oorlog verdwenen in de kas van de Liro-bank? In beide gevallen zou terugbetaling in de geldswaarde van nu vele tientallen miljoenen kunnen betreffen.
Het is de vraag of de Grootboeken uit de oorlogstijd wel grondig zijn doorgespit door het Agentschap. Jaap Soesan denkt van niet: 'Volgens mij hebben hoge ambtenaren er belang bij dat de zaak niet wordt uitgezocht. Geen aandacht aan besteden, dan slaapt iedereen weer in. Dát is wat ze willen.’
Toen Soesan onlangs voorafgaand aan een uitzending van het tv-programma Buitenhof de brief van het Agentschap aan minister Zalm en diens woordvoerder toonde, reageerden deze stomverbaasd. Soesan: 'Zalm zei dat hij absoluut niet wist van het bestaan van de brief. Terwijl het Agentschap daarin toegeeft dat er nog geld van slapende joodse fondsen bij de overheid is. Dat zou toch zo langzamerhand tot de top van het ministerie moeten zijn doorgedrongen? Die brief stamt nota bene uit 1988!’
Dat het Agentschap niet erg secuur omspringt met belangrijk onderzoeksmateriaal, blijkt uit de vondst door De Groene Amsterdammer van twee boeken met een administratie van rentebewijzen, behorend bij het Grootboek 3 procent. Ze lagen achter een door het Agentschap in haast opengebroken archiefkast, in dezelfde ruimte waar zij het Liro-archief onbeheerd achterliet.
Soesan: 'De overheid had uit zichzelf tegen ons moeten zeggen: hier hebben we nog wat. Maar net als direct na de oorlog moesten we er weer zelf om vragen. Het wordt tijd dat de overheid alles toont wat ze nog van de joden bezit.’