Open straat

Onze straat ligt al weken open. Grote zandbak waarin vlonders zijn gelegd om de voetganger enigszins mobiel te houden. Bejaarden en kinderwagens hebben het zwaar, maar voor het overige hangt er een verrassend soort lichtheid die zich ook voordoet na zware sneeuwval of bij ijzel. Het uitzonderlijke maakt barsten in het stadse pantser van anonimiteit.

We worstelen met de omstandigheden en grijnzen om onszelf en anderen. Als ik van het plankier in de woestijn stap om vrij baan te maken voor een verre buurvrouw met boodschappentassen lacht ze: ‘We hadden er anders best allebei op gepast.’ Ik bedoel, we zien elkaar zo'n achttien jaar en dit zijn de eerste (en waarschijnlijk laatste) woorden die we wisselen. En zo praktisch en eenduidig als ze bedoeld zijn, voor de dromer zit er een zweem van pikanterie in. Zei ik trouwens 'woorden wisselen’? Ik had niet meer terug dan een wel erg domme grijns die net zo langzaam wegsterft als haar voetstappen die hol en hout tegen de huizen weerkaatsen.
Toevallig liep ik dezer dagen met mijn dochter een tweepersoonsmatras naar haar huis te zeulen, want kleine kinderen worden groot. Ook dat is een uitzonderlijke situatie, al is de relatie tot de overige straatgebruikers niet gelijkwaardig. Dus word je object van commentaar: 'Die meneer gaat lekker slape’, zegt een oude vrouw. Wat een oude vrouw in onze buurt trouwens niet zou zeggen, ook niet met slot-n. Door onze trage gang valt mijn oog op twee glas-in-loodruitjes die aan een metalen kettinkje hangen voor het venster van een benedenhuis: spelende kinderen die ik sinds mijn zesde ken. Precies: het Ot-en-Sien-gevoel, dat is wat onze opengebroken straat oplevert. Het allerkleinste avontuur van afgewaaide takken na de storm, de komst van de timmerman of de orgelman met het aapje. Het zijn niet voor niks kinderen die de nieuwe situatie als ontdekkingsreizigers te lijf gaan: er wordt geschept en geschapen dat het een lust heeft. De ouders kijken met gemengde gevoelens toe want het vuilste strand is schoner, maar zoals ze bij ijs moeilijk het schaatsen kunnen verbieden, staan ze ook hier uiteindelijk machteloos. Wanneer ik extra hard stap op die losliggende vlonder omdat die zo lekker veert, vermoed ik toch ook een jochie aan het werk dat ik sinds lang overleden waande. Maar het is geen idylle: de zaak ging open omdat Alles Nieuw moet. Daar zijn de mannen voor de gasleiding. Ik wijs de weg en wil naar mijn werk. Of ik even kom kijken: er zit ergens een lek. En omdat het bij ons binnen zit zullen ze, als de buitenleiding klaar is, niet aansluiten voor ik het heb laten repareren. Het is koud, er dient gedronken en gegeten en ziekte woont al jaren bij ons in. Dus bel ik mijn werk en reeksen loodgieters. Eindelijk arriveert er een: een Grote Vriendelijke Reus. Hij kijkt zuinig naar vaste vloerbedekking en tegelvloeren. Samen besluiten we dat die maar niet gesloopt moeten. En hij belt om versterking: 'Die man ze vrouw is ziek, het moet vandaag klaar.’ Aankomst van nog Grotere Vriendelijke Reus plus jongmaatje. Aan het eind van de dag loopt er een koperen leiding door ons huis als ware het een machinekamer. En is mijn vrouw ten dans gevraagd door de grootste, die van schrik eerst bekans zijn shaggie inslikte toen ze, frele, plots in haar ochtendjas naast hem stond. Ook zij een avontuur.