Open wond

Onlangs verscheen ‘Lijken op liefde’, deel twee van Astrid Roemers romantrilogie over Suriname, het land van haar geboorte. In dat boek gaat de schrijfster ook in op de decembermoorden. Zonder iemand te sparen. ‘Je kunt schoonmaken wat je wilt, herinneringen blijven bij je.’
Astrid Roemer, Lijken op liefde, 256 blz., 329,90; Gewaagd leven, 240 blz., 329,90. Beide boeken verschenen bij de Arbeiderspers.
OP HET OMSLAG van je vorige roman, Gewaagd leven, staat een foto van een ingewikkeld verstrengelde boom. Toen ik dat zag, dacht ik: zo schrijf je eigenlijk ook.

‘Iedere keer als ik een roman maak, duurt het bij mij ongelooflijk lang voor ik weet welk taalgebruik ik mijn personages mee zal geven. Ik maak mij helemaal los van het taalgebruik van de personages in mijn vorige boeken en ik bedenk een nieuwe taal. Dus ik kan heel moeilijk zeggen dat ik zo en zo schrijf. De brieven die ik aan vrienden schrijf, of de dagboeken die ik bijhoud, daar zit een heel andere taal in.’
Dus je komt in opstand tegen het beeld dat een boek van je vanzelf, als een boom, zou groeien.
'Exact. Het enige wat groeit bij mij is de vaardigheid om taalsoorten te onderscheiden. Iedere keer een ander taalspel te kunnen kiezen. Bijvoorbeeld in Gewaagd leven. Het belangrijkste personage is een jongen, Onno, die in het boek vanuit de buik, de baarmoeder, en de ballen van zijn vader oprijst. Hij komt veel dingen tegen die hij niet begrijpt. Tegelijkertijd heeft hij de ambitie om met intellectuele dingen bezig te zijn. Ik heb voor Gewaagd leven drie soorten teksten gemaakt. Teksten over dingen waar hij helemaal geen invloed op heeft maar die hem wel beïnvloeden. Teksten die hij uitspreekt, die heel persoonlijk zijn. En teksten voor de stem die vertelt.
Lijken op liefde heeft een heel ander soort taalgebruik. Korte zinnen. Het hoofdpersonage, Cora, is een dienstvrouw. De taal is dan ook schoon, helder. Bij Onno was het juist ondoorzichtig. Onno wilde door het zwarte gat gaan zoeken naar het licht. Daarom wilde hij astronaut worden. In Lijken op liefde zijn er twee soorten teksten. De ene tekst is die van Cora naar haar man toe. Die is rechttoe rechtaan. Daarnaast is er een vertellende stem. Ik heb het boek met die twee taalsoorten zo gestructureerd dat het ging werken als een eeuwig durende gebeurtenis. Het is merkwaardig dat recensenten nu zeggen: “Astrid Roemer gaat beter schrijven.” Want het jargon is echt gekozen voor dit personage. Cora kan nooit spreken zoals Onno. Cora zoekt naar antwoorden. Onno stelt vragen.’
CORA IS IN Lijken op liefde heel precies op zoek naar de vraag: wie heeft twee specifieke moorden gepleegd.
'Exact. Dat betekent dat de weg die ze opgaat een feitelijke, concrete weg is. Cora zoekt naar feiten. Onno stelt vragen in termen van: “Waarom is het huwelijk van mijn ouders niet oké?” en “Hoe kun je liefde delen met iemand?” Ik bedoel, de energie die Onno nodig heeft om die vragen te stellen, maakt dat de vraag al bijna het eind is van de arbeid.’
Schrijf je in zekere zin steeds hetzelfde boek?
'Wat steeds hetzelfde is gebleven bij mij is het mezelf als mens geruststellen. Doorlopend probeer ik mezelf te bewijzen dat ik het leven wel begrijp. Kijk, ik kan het herscheppen. Maar ik zal ongelooflijk blij zijn als ik klaar ben met Suriname in de periode 1965-2000. Want er zijn andere boeken die ik heel graag wil schrijven. Over heel andere dingen. Ik heb me deze trilogie als opdracht gesteld. De auteurs die nu in Suriname zitten, waar ongelooflijk veel aan de hand is, die kunnen niet genoeg afstand nemen om een bepaalde periode schrijvenderwijs te beheersen. Dus ik dacht: ik ga het doen. Ik ben al in 1982 begonnen. Het werd ooit aangekondigd als Op scherven lopen. Brokstukken en scherven van de persoonlijke geschiedenis van het land. Maar ik ben toen weggezogen in mijn persoonlijke leven. Een liefdesrelatie waar ik me helemaal aan heb gegeven, tien jaar lang. Ik heb me vier jaar uit die relatie gevochten om weer bij mijn romans te komen.’
Je hebt voor je boek Lijken op liefde een tribunaal bedacht, waarin recht gesproken zou kunnen worden over de decembermoorden. Midden in het land. De grenzen moeten worden gesloten. Ze mogen pas het tribunaal afsluiten als ze er echt uit zijn. Alsof het mogelijk zou zijn om van binnenuit tot een soort schoonmaak te komen.
'Het tribunaal is een westers ritueel. Door het zo te plaatsen, midden in de stad, en alles af te sluiten, heb ik het gecombineerd met de tradities van de volkeren die in Suriname bij elkaar gebracht zijn.Tegelijkertijd klopt het tribunaal ook ongelooflijk goed als beeld bij Cora zelf, die alleen maar met schoonmaken bezig is. Er wordt ondertussen in de werkelijkheid doorlopend recht gesproken in Suriname, in relatie tot het bloedbad. Maar informeel. Ik heb in mijn boek onderzocht of bij zo'n tribunaal niet misschien andere thema’s zouden kunnen opspelen die in Suriname onder water zijn geraakt. Het is natuurlijk een uiterst mannelijke gelegenheid. Mannen hebben mannen omgebracht. Hoe zit het met andere vormen van geweld in die samenleving, die nooit een stem hebben gehad, omdat het geweld is dat vrouwen doormaken? Dat geweld laat ik in het boek langzaam naar boven komen.’
Dat het beeld van een tribunaal je als schrijver boeit, kan ik me voorstellen. Maar ik kan me niets voorstellen bij een land dat zich aan de eigen haren omhoog trekt.
'Juist omdat de Neurenberg-processen van buitenaf zijn gevoerd, kunnen Duitsers zich nog steeds niet helemaal vinden in wat men over het Duitse volk heeft geoordeeld. Er zijn nog steeds groepen Duitsers die zeggen: er is toch niets gebeurd. Er zijn een heleboel Duitsers die hun verhaal nooit hebben kunnen vertellen.’
Maar het is toch duidelijk: in Suriname zit iedereen er tot z'n oksels in.
'Oké. Dat is nu de waarheid van het tribunaal dat ik heb onderzocht in het boek: iedereen is min of meer schuldig aan het bloedbad. Als mensen echt tot dat inzicht zijn gekomen, heb je kans dat dat iets in hen verschuift. Er is een haat die door de staat geproduceerd wordt en die heel destructief in relaties doorwerkt. Die haal je dan weg. Het tribunaal is een metafoor, absoluut, maar ik heb het wel zo gemaakt dat het een hoge werkelijkheidswaarde heeft. Deze twee boeken zijn gevaarlijker dan alle boeken die ik heb geschreven. De Surinaamse mensen die daar wonen, weten hoe gevaarlijk die zijn.’
HEB JE REACTIES gekregen van mensen uit Suriname?
'Ja. Heel blij. Dankbaar. Pijnlijk, confronterend. Maar dankbaar. In termen van: mijn kinderen moeten het boek lezen. Het is ook niet aangenaam geweest om in het diepste diepe van een gemeenschap te gaan en deze zaken aan de orde te stellen. Vooral als een land zo kwetsbaar is. Zich schaamt.’
Is het voor jou mogelijk daarheen te gaan?
'Ik ga er volgende maand heen. Ook bij het uitkomen van Gewaagd leven ben ik erheen gegaan. Maar ik moet eerlijk zeggen: ik ga met schroom. Met schaamte. Dus wat ik dit keer niet doe, is een hoop publiciteit. Vroeger waren er veel televisiedingen, veel radiodingen, feesten met andere schrijvers als ik ging. Nu ga ik in stilte. Ik vind de thema’s in het boek geen aanleiding voor dergelijke zaken. Stilte. Laat de mensen lezen en laat ze, als ze willen, erover praten, erover nadenken. Meer niet. Ik houd ook geen presentaties bij het verschijnen van dit boek. Normaal houd ik van presentaties. Zestig, honderd mensen die komen, champagne drinken, een stuk voorlezen enzo. Maar ik kan het niet opbrengen om een stukje voor te lezen uit deze laatste twee boeken. Ik was bij de Ikon en een journalist verraste me met de vraag of ik een bepaald stuk wilde voorlezen. Ik zei ja. Iedereen zat, ik begon te lezen. En ik begon te trillen. Ik kon niet doorlezen. Terwijl ik iemand ben die gewend is voor te lezen.’
Trillen van woede?
'Nou… de boeken leggen iets open wat nooit op deze manier opengelegd is. Het meest persoonlijke van Surinamers. Het ligt als een rode wond allemaal open. Daarom vind ik dat ik er uiterst zorgvuldig mee moet omgaan. Dat ik niet de agressie over me heen krijg.’
Kun je zeggen dat je er zelf ook van geschrokken bent? Op een gegeven moment is een boek een ding van zichzelf geworden dat je als schrijver tegemoet kan komen.
'Als ik de waarheid moet zeggen… ja. Toen de eerste exemplaren binnenkwamen en mijn omgeving het boek begon te lezen, merkte ik dat. Niemand, geen partner, geen broer, geen zuster weet wat ik doe. Maar zij krijgen de boeken wel als eerste. Ik werd door een familielid opgebeld… huilen! “Hoe kon je zo'n boek schrijven! Hoe kon je zo'n boek schrijven!” Echt helemaal overstuur. Het ging ook om mij. Die persoon wist dat ik naar Suriname ging. “Ze gaan je doden als je naar Suriname komt! Je moet nergens eten, nergens drinken!” Ook eigen woede. “Hoe kon je ons dit aandoen bij die Hollanders!” Toen ik in Suriname was, had ik een aantal exemplaren meegenomen van Gewaagd leven en ik heb mijn exemplaren pas toen ik vertrok aan vrienden gegeven. Toen ik het boek daar begon te lezen, dacht ik: Jezus Mina. Toen schrok ik ervan, van de kracht.’
HET BLOEDBAD vond plaats in 1982 en al die tijd blijft het maar in de Surinaamse samenleving dooretteren.
'De wond is nooit gedicht. Daarom is het tijd dat iemand hem eens helemaal echt goed openlegt. Als je er niet over praat, heb je kans dat mensen spastisch reageren omdat ze pijn hebben. Iedereen doet alsof er geen wond is. Hier in Nederland zie je ook hoe men na vijftig jaar nog steeds niet helemaal klaar is met wat er met de joden is gebeurd. Iedere keer is er een stuk verwaarloosd gebleven en zijn de wonden blijven bloeden. Mijn trilogie is de verwerking van een tijd. Je moet het kunnen facen. Want nu is het zo; iemand hoeft op een feest maar een opmerking te maken en er ontstaat chaos. Onmiddellijk.’
Heb je in deze trilogie vaak voor de vraag gestaan hoe letterlijk je kunt worden? Als je die en die een baardje geeft, dan weet iedereen wie er bedoeld wordt.
'Absoluut. Helemaal waar. Met Gewaagd leven waren er mensen die zeiden; volgens mij is het die. Een vrouw belde op en zei: het gaat over mijn man, over ons gezin. Daar was helemaal niks van waar. En tegelijkertijd waren dit soort dingen een compliment voor me, want het betekende dat ik iets had aangeraakt, een wond.’
IN HOEVERRE is het schrijven over Suriname veranderd sinds je er niet meer woont? Ik zou me kunnen voorstellen dat het alleen maar mogelijk is over een land te schrijven als je er niet zit.
'Ik denk dat die stelling in het algemeen wel waar is. Afstand nemen is belangrijk om te kunnen verbeelden. Suriname is een taalgebied geworden, getransformeerd tot verhalen, verhalen, verhalen. Toestanden in de pers. Brieven van huis. Telefoongesprekken. Af en toe daarheen gaan. Een aantal Surinamers die hier wonen heeft tegen me gezegd: je geeft ons Suriname terug. Maar toen dacht ik: ik geef jullie Suriname niet terug, ik voeg met deze twee boeken nieuwe taalstukken toe aan het verhaal dat Suriname voor ons is geworden.’
Je maakt jouw Suriname.
'Exact. Als ik in Suriname ben, dan schaam ik me ook. Alsof ik de mensen iets heb aangedaan. Wie ben ik om tweehonderdvijftig pagina’s verbeelding te projecteren op hun naakte werkelijkheid. Dan ben ik ook geneigd om iets te doen met mijn royalty’s. Van: dit is voor jullie. Daar heb ik geen recht op.’
Dat is wel afkopen.
'Ja, dat is een onzuiver gevoel, daar gaat het niet om. Maar ik voel het wel. Ik schaam me dood. Ik zou er niet tegen kunnen als ik ergens ben en iemand zou een van die boeken van me opslaan. Afschuwelijk, ik zou weglopen. Ik ben grof geweest, ik ben bespieder geweest. Kijk wat ik jullie aandoe, nu denken mensen door mijn boeken op een bepaalde manier over jullie.’
Begint het Suriname waar jij over schrijft los te weken van het Suriname dat je ziet als je er weer bent?
'We kunnen het zo gek niet bedenken of het is in het leven nog erger gebeurd. Nog mooier. Of nog wreder. Of nog gepassioneerder. Dat maakt ook deel uit van mijn schaamte, als ik daar kom. Dat ik die verschuiving tussen verbeelding en werkelijkheid zo beleef. Daarom wil ik in Suriname ook niet geïnterviewd worden over die boeken. Moet ik daar antwoord gaan geven op vragen als: “Wat denkt u van Suriname nu?” Ik heb niks te denken. Vertellen jullie me hoe Suriname nu is.’
Maar het is niet alleen een kunstprodukt, het is ook een statement dat je maakt. Anderen hebben in principe het recht om jou erover aan te spreken.
'Absoluut. Maar het is een relatief ding. Als ik Over de gekte van een vrouw lees, bijvoorbeeld. Dan denk ik: mijn hemelse goedheid zeg, hoe heb ik dat boek kunnen schrijven? Dan word ik ook vreselijk vervuld van schaamte. Mijn familie zei toen: we worden aangesproken op straat alsof het over ons gaat. Nu snap ik hun verdriet en hun pijn daarover. Dan denk ik: wat heb ik die mensen aangedaan.’
Je hebt een scherpe pen. Je kunt dingen zo brengen dat ze voor een Surinamer heel kwetsend kunnen zijn.
'Rakend, zullen we maar zeggen, om mezelf te sparen. In plaats van kwetsend.’
Maar als je schrijft spaar je niets en niemand.
'Nee, maar zo ben ik. Als ik schrijf, dan weet ik ook gewoon: misschien kan ik nooit meer naar Suriname, na dit boek. Het is als in een liefdesrelatie. Ik kan boos zijn, me gekwetst voelen. En ik zeg het toch. Even scherp als ik het schrijf. En ik weet dat ik, door het zo scherp te stellen, die ander kwijt kan raken. Ik doe het. Omdat ik vind: er is al zoveel kunstmatigheid in het leven. Er wordt al zoveel over Suriname gezegd en geschreven waarvan ik denk: ik herken mijn Suriname daarin niet.’
Zijn Surinamers over het algemeen indirecter dan Nederlanders?
'Ik denk dat Surinamers over het algemeen meer moeite hebben met het in directe taal formuleren van intimiteiten. Ook uit angst om anderen te kwetsen. Surinamers kiezen rituelen. Bijvoorbeeld: mensen krijgen winti. Dan laten ze een winti zeggen wat ze eigenlijk allang zelf willen zeggen. Winti is een metafoor, net als bij literatuur. Ik hoef niet tegen mijn vader te zeggen “Jij bent een schoft”, nee, want mijn grootvader heeft het gezegd in een winti. Of mensen kiezen omstandigheden. Zoals een vreselijk grote ruzie. In die vreselijk grote ruzie zeggen ze de vreselijkste dingen. Dat mag dan, want dan is het ruzie. Nederlanders kunnen in een gewone, zakelijke relatie diezelfde dingen direct zeggen. Daar schrikken Surinamers van, daar komen ook veel conflicten door.
Het is heel interessant om te zien dat verschillende etniciteiten daar hun eigen rituelen voor hebben. Creolen zijn vreselijk indirect. Winti is een extreme vorm daarvan. Daarnaast hebben ze de zogenaamde odo’s. Dat zijn snedige opmerkingen. Je zou ze kunnen vergelijken met scherpe spreekwoorden, waarvoor geldt; wie de schoen past, trekt hem aan. De Indonesiërs in Suriname zijn flegmatischer, maar bij een feest wordt alles losgegooid. Familievetes, alles komt dan aan de orde. Alsof men alles heeft opgespaard tot dat ritueel. Dat is ook weer een soort tribunaal. Daarna gaat men verschoond en rustig verder. De Chinezen hebben hun manier, de hindoes, de moslims enzovoort. De Nederlandse boeren in Suriname, dat is weer een gesloten gemeenschap, net als de joodse en de Portugese.’
'IN LIJKEN OP LIEFDE heb ik die Hollandse gemeenschap in Suriname opengemaakt. Ik heb gezegd: jullie zijn er altijd geweest. Jullie hebben ons melk gegeven. We weten dat jullie er zijn, we hebben ook een liefdesrelatie met jullie gehad. En het is een liefdesrelatie waar heel veel pijn in zit. Een liefdesrelatie die in Suriname weinig kans heeft gehad om vrucht te dragen. Daarom laat ik in mijn boek ook het volgende gebeuren: An Andijk, een Hollandse, wordt zwanger van een Creool. En het kind wordt gedood. Andijk staat voor de boerengemeenschap. De beide gemeenschappen hebben elkaar nooit op een politieke manier bevrucht, waardoor er iets uitkwam dat voor de hele gemeenschap van nut was. De boeren hebben de Creolen hun ding laten doen en wij hebben de boeren hun ding laten doen. Ik heb ook boerenvriendinnetjes gehad. Maar aan het einde van de dag, na schooltijd, gingen ze apart naar huis.’
Aan liefdesrelaties tussen blanke en zwarte mensen kleeft in je boeken altijd iets pijnlijks. Je hebt een talent om juist het pijnlijke element te zien.
'Misschien heb je gelijk. Misschien is een van mijn grondhoudingen in het leven dat je moet weten waar de sterke en de zwakke kanten zitten in alles wat je doet. Ik zie om me heen dat men iedere keer de neiging heeft om dat wat pijn doet met mooie gebloemde doeken te bedekken. Mijn grondhouding is: Face it! Ik houd van duurzaamheid, maar het kan alleen maar duurzaam zijn als je juist de zwakke kanten naar boven haalt. De kracht van een multi-etnische relatie staat voor mij buiten kijf. Dat maakt een nieuwe soort mensen die geen gepreoccupeerde, etnisch destructieve relaties kunnen hebben. Maar je moet het wel goed doen. Anders bouw je juist een stereotype op.’
Het lijkt alsof het kleurbewustzijn onder Surinamers in Suriname zelf veel groter is dan in Nederland.
'Weet je, migratie heeft iets heroïsch en iets tragisch. Tragisch omdat je vreselijk ontworteld raakt. En het kan je ieder moment vloeren. Maar het heroïsche is dat alle soorten Surinamers hier geconfronteerd werden met iets wat in Suriname in politieke zin altijd een ramp is geweest; de nog ergere herhaling van de koloniale werkelijkheid.
Je zou denken dat de mensen in Suriname het stereotype “blank is goed” hadden verworpen toen de kolonisator weg was. Maar dat gebeurde juist niet. Want de mensen die halfbloed waren, waren zo bang voor wat er zou kunnen gebeuren in Suriname, dat ze meteen hebben geclaimd: alles wat dicht tegen blank aan zit, is goed. Vanuit die situatie hebben ze een machtsmonopolie opgebouwd. Wat gebeurt er: al deze mensen, van blank via halfblank en lichtzwart tot blauwzwart, komen naar Nederland toe en de Nederlanders zeggen: jullie zijn voor ons allemaal gelijk. Dat is van een geweldige waarde geweest voor de hele Surinaamse gemeenschap. Het heeft gemaakt dat Surinamers verplicht waren naar zichzelf te kijken en de schotten uit die vreselijk gefixeerde hiërarchie weg te halen. En dat was ontnuchterend en vreselijk gezond.
Sommigen zijn teruggegaan naar Suriname omdat ze dat niet konden verdragen. Er zijn ook families naar Amerika gegaan. Daar konden ze bijvoorbeeld zeggen; kijk, ik ben jood, en konden ze zich bij een andere groep aansluiten, met meer status. In Suriname was een Chinees een Chinees. Hier zijn Chinezen andere mensen. De hindoestanen zijn drie keer omhoog gestoten hier. Want het waren ineens niet meer de koelies van de polders. Het waren hindoestanen, met een geweldige filosofische geschiedenis achter zich. De Creolen vielen achterover van schrik, want ze hadden niets te bieden op dat vlak.
Dat is de ontschotting van de wereldgemeenschap. Alle transacties krijgen juist hier in het Westen dynamiek. Je wordt verplicht te kijken wat de Marokkanen en Turken voor waarde hebben voor ons, Surinamers. Noodgedwongen word je bondgenoten van elkaar. Maar je wordt ook bondgenoot van Nederlanders zelf. Want als ik in Amerika ben en ik hoor Nederlands praten, dan is mijn oerreflex: “Ik ben niet alleen.”’
Ben je wel eens in Afrika geweest?
'Nee. Op een of andere manier wil ik dat niet. Ik lees veel over Afrika, ik kijk veel naar Afrikaanse dingen, enzovoort. Maar ik denk dat het heel erg confronterend zal zijn. Ik ben nog erg bezig met mijn Europese zelf. Met wat het kolonialisme hier heeft veroorzaakt. Want als ik niet zou kunnen weten waar dat stuk van mezelf zat, zou ik me nooit kunnen openstellen voor het leven in zijn algemeenheid. Ik zou me kunnen gaan schamen voor het feit dat ik het heerlijk vind om te gaan fietsen in Drenthe. Ik zou niet kunnen begrijpen waarom ik het zo heerlijk vind om gedichten te lezen van bepaalde Nederlandse dichters. Of waarom ik in het buitenland cassettes meeneem met liederen van Herman van Veen. En Afrika… behalve mijn huidskleur en mijn historische wortels, kon ik nog geen vitale punten vinden om dat te onderzoeken. Ik ben wel van plan om te gaan kijken. Naar hoe het licht daar is. Ruiken. Hoe het is als zwarte om te zijn in een continent dat oorspronkelijk zwart is.’
JE TWEE LAATSTE romans beginnen met twee apart geplaatste teksten, waarin twee zinnen meteen opvielen: 'Ik vermoed dat ik ben herboren als een volwassen Creool.’ En: 'Maar wanneer zij het waagt naar de daghemel op te kijken wordt zij voldragen bezwangerd door de vraag of Herman en zij inderdaad genoeg tijd van leven hebben om elkaar opnieuw te leren beminnen.’
'Transformeren, dat is iets wat we elke dag doen. Als we ons wassen, kleden, het huis schoonmaken, verhuizen, nieuwe banen kiezen, kinderen maken, opnieuw verliefd worden, andere kapsels kiezen. Maar met herinneringen werkt dat niet. Je kunt schoonmaken wat je wilt, ze blijven bij je. Wat me heel erg intrigeert, is: hoe kunnen mensen met een geschonden ziel daar toch op een constructieve manier mee verdergaan? Ik denk dat dat alleen kan door transformatie. Dat je nieuw genoeg bent om het leven aan te kunnen. Anders zou je na een vreselijke clash met je man of je vrouw nooit meer verder kunnen.
Dat speelt ook op het niveau van landen: Nederland en Suriname, hoe gaan ze verder met elkaar? Ik heb het geluk nu vijftig te zijn. In de twintig of vijfentwintig jaar dat ik nog gezond en goed van verstand te leven heb, zal ik nog gewoon verkeren in de spelen Nederland-Suriname. En wat daarna gebeurt… mijn visie kan alleen maar binnen dit tijdsbestek bestaan. Mijn neefjes en nichtjes, zowel in Nederland als in Suriname, zijn al heel andere mensen dan ik. Als ik naar de jonge mensen in Suriname kijk, dan denk ik: mijn hemel, wat ben ik blij dat ik in het andere Suriname jong was. Ik zou dat niet kunnen doorstaan, ik ben van ander materiaal gemaakt. Die inflatie, al dat geweld. Ik zou doodgaan of zo.’
Ondertussen verandert ook Nederland. Het ontwestert.
'Heerlijk. Als ik in de States ben, onder zwarte mensen, verlang ik naar dat ontwesterde westen hier. Alsof ze daar honderd jaar achter lopen. Alsof Nederland vreselijk hard vooruitsnelt. Dat is een goed gevoel.’