Open wond

Walter van der Kooi ziet veel meer dan hij in zijn wekelijkse kroniek kan bespreken. Deze week: de vierde reeks Teledoc Campus, halfuur-films, geeft beginnende makers kans een stap op weg naar de lange documentaire als filmische kunstvorm te doen.

Becky Bulldozer © Van Osch Films

Geopend wordt met De vertolker van Renée van der Ven (KRO-NCRV). Een simpel maar raak idee: film een beëdigd tolk-vertaler Arabisch bij zijn werk. Dat hij telefonisch doet, vanuit de zolderverdieping van zijn Hollandse huis in een nette nieuwbouwwijk. We zien, als we met hem het raam uit kijken, de buurman druk bezig met tuin en auto, of zwaaiende buurkinderen. Maar we horen hem vooral in verbinding met overheidsdiensten en hun Arabische cliënten, in gesprekken waar voor die laatsten, overwegend vluchtelingen, veel, soms alles van afhangt. En waarin hun vaak traumatische ervaringen werelden af staan van aangeharkt Nederland en de overdag doodstille Vinex. Waarbij extra spanning schuilt in het feit dat deze Fadil Al Abd zelf met zijn gezin uit Irak is gevlucht. Hij heeft het dus ver geschopt met zijn voortreffelijke nieuw verworven taalbeheersing, maar zijn zeker bestaan staat in sterk contrast met dat van nieuwkomers bij IND, in azc, bij arts of in rechtbank. En tegelijk weet en voelt hij veel meer en beter wat er speelt, niet alleen in de vluchtgeschiedenissen maar ook in de vaak immense tegenstelling tussen Arabische en West-Europese cultuur.

Als de ambtenaar de mannelijke klant vertelt dat nu zijn vrouw zelf haar verhaal moet doen, omdat in Nederland vrouw en man gelijkwaardig zijn en letterlijk en figuurlijk een stem hebben, dan is hij, vertalend, de vertegenwoordiger van de Verlichting. Ongeacht wat hij zelf vindt. Grote delen van dat soort gesprekken blijken niet alleen om het controleren van vluchtverhalen te gaan maar ook om het overdragen van waarden. Fadil is tolk, maar dus ook vertolker van opvattingen. Hij lijkt heel geschikt voor de functie, in zijn wat strakke, ambtelijke houding en toon. Maar onder het plaveisel ligt het moeras en soms schemert dat er doorheen in stem en gelaatsuitdrukking. Hij heeft het soms zwaar onder het leed, dat hem bekend voorkomt en dat hij uiteraard nog meedraagt, ver van het oude huis: de condition réfugiante. Al krijg je soms ook de indruk dat hij zich kan ergeren aan de houding van sommige taalgenoten, dat hij zich enigszins geneert voor hun toon. En dat ook hij niet elk vluchtverhaal overtuigend vindt.

Wat ik hier beweer wordt niet op een presenteerblad aangeboden. Als ergens de kijker zelf moet denken en duiden, dan hier en misschien zit ik er vaak naast. De openingsscène is frappant. Daar zit Al Abd aan de keukentafel samen met zijn drie dochtertjes. Hij voert, privé, een gesprek met een man in Iraaks Nasiriya waar hevig gevochten is: vier doden, horen we op de luidspreker. ‘God hebbe hun ziel’. De kinderen luisteren ademloos en het middelste dochtertje vraagt wat er gebeurd is. ‘Het is daar oorlog’, zegt hij streng. Mijn pedagogisch hart breekt: waarom moeten de kinderen dat horen? Maar het is wel een proloog die echt exposé is: dit zijn de situatie en de wereld van deze nieuwe Nederlanders. Daarna gaan we dus naar die keurige zolder en blijft het gezin verder onzichtbaar.

Bij film twee, Becky Bulldozer (BNNVARA), van Steffie Storms, past een bekentenis. Ik keek naar een film over een jonge vrouw die aan de teamsport rollerderby doet. Het gaat er daar stevig aan toe en de hoofdpersoon hoopt haar onzekerheden erdoor te overwinnen. Goed gekozen personage, want angst en twijfel volop; en goed gekozen arena want een curieuze sport. Maar ergens onderweg bekeek ik (uit eigen onzekerheid) het persbericht en zag dat de voornaam van de maakster identiek was aan die van de hoofdpersoon. Zelfs de huilende vraag bij de opening ‘waarom wou ik deze film?’ had me niet op het juiste spoor gezet: dat van zelfportret. Mijn fout. Ik dacht dat de hoofdpersoon zich afvroeg: waarom moest ik me zo nodig door de maakster laten filmen? We hebben dus van doen met een dubbele therapie: middels de sport, middels zelfportret. En dat levert een schrijnende film op over en van een jonge vrouw die vervuld is van diepe onzekerheid, mede door een pestverleden. Gebrek aan zelfvertrouwen, het gevoel nergens bij te horen, faalangst, you name it.

In de openingscrisis huilt ze dat haar voornaamste angst is dat mensen met deze film hun tijd verdoen. Ik kan haar gerust stellen: ik heb met belangstelling gekeken, zowel naar de zoektocht naar erkenning en herkenning via interviews met teamgenoten, als naar trainings- en wedstrijdbeelden. Al had er van dat laatste meer in mogen zitten want de sport zelf is spectaculair en blijft tegelijk tamelijk onbegrijpelijk. De producent of de omroep bewondert in een opgenomen telefoongesprek haar moed de film te maken: ‘ik ben trots op je’, die mantra die aan de lopende band gebruikt wordt en die in gevallen van existentiële onzekerheid onvoldoende tot nooit helpt. Maar die waarschijnlijk toch gebruikt moet worden als verzachtende balsem. Het is een film als een open wond, van iemand die stoerheid zoekt als pantser. Niet helemaal geslaagd, daarvoor blijft het te veel in de eigen cirkel. Al is die cirkel natuurlijk wel het probleem.

In de buurt van meesterproef komt de derde: Tijd en tij (EO) van Marleen van der Werf. Beelden van Noord-Hollandse duinen en strand door het jaar heen. Gaap, gaap. Nee: beeldschoon zonder dat het Schönfilmerei wordt. Geen mens in beeld. De enige die poseert is een eenzame Schotse hooglander die langdurig van verre naar de camera kijkt. Van luchten en zeegezichten in weidsheid tot close opnamen van insecten en een waaiend dood helmgrasje dat een cirkel tekent in het zand – langdurig, geduldig en precies. Zo fraai als de titel, zo fraai de cinematografie en het ritme van de montage. Die weer recht doet aan het ritme van de natuur, in seizoen en afwisseling van weersomstandigheden. Geen mens te horen ook: wat een verademing – een natuurfilm zonder verteller. Allemachtig, wat kan ze kijken en wat kunnen wij dankzij haar kijken. Dat op de aftiteling ook de naam Menno Otten verschijnt, grootmeester van de documentaire beeldpoëzie, toont een wijze mentorkeus aan.

Nummer vier heet Maar je achternaam is toch Marokkaans (VPRO). Het is de verbaasde vraag van een Marokkaanse douanier die vaststelt dat filmer Aiman Hassani alleen maar een Nederlands paspoort bezit. Dat kan kennelijk niet. Ook niet volgens Aimans moeder en vader en volgens de meeste Marokkanen: eens Marokkaan altijd Marokkaan. Sterker, volgens de wet kan hij nu niet in Marokko trouwen, niet erven en niet in het familiegraf, want hij wil ook niet ingeschreven in het Marokkaanse familieboekje. Aiman groeide op in Vianen in een modern gezin in een witte straat waar ze even enthousiast Sinterklaas als Offerfeest vierden. Maar tijden en ouders veranderden. Niet alleen zijn die laatsten gescheiden en woont vader met zijn nieuwe vrouw in Marokko, op Aimans zeventiende veranderde de prettige, open band die hij met zijn moeder had doordat die steeds geloviger werd. Daardoor misschien gelukkiger vanwege troostgevende islam, maar tegelijk ongelukkiger omdat zeker twee van haar drie kinderen niet in haar ontwikkeling mee gingen. Aiman gelooft niet. Voor moeder telt zijn ongeloof (waar ze niet aan wil) het zwaarst. Plus het feit dat hij, dertig, nog niet getrouwd is (hij gelooft ook niet in het huwelijk). Ze laat de film lang, noch in Vianen, noch in Eindhoven waar hij werkt, noch in Marokko waar ze op vakantie zijn, af hem te overtuigen van zijn tekorten en haar verdriet daarover. Kortom, een problematische band.

Die met de vader is afstandelijker. Die verwijt hem niet een religieus tekort (desgevraagd geeft hij toe dat hij alleen maar praktiserend is vanwege een belofte aan zijn tweede vrouw – of hij gelooft weet hij zelf niet), maar een familie- en nationalistisch tekort. Waarom geen Marokkaans ID? Denk je soms dan meer geaccepteerd te worden door die kaaskoppen, vraagt hij spottend. Nee, zegt Aiman, maar maak ik het makkelijker om een tweede nationaliteit aan te nemen van mensen die me ook niet accepteren omdat ik voor hen toerist, vreemdeling ben? Zo koppig als zijn moeder is, zo koppig lijkt ook Aiman. Hij heeft principes en gaat niet voor de lieve vrede met de stroom mee. Aiman wil in en door zijn film onderzoeken waar hij precies staat en wat hij moet doen.

Ik vind het een fascinerende film. Wie denkt dat de moeder onmogelijk is moet vooral toch kijken want ze is tegelijk verrukkelijk, geestig en van een bijna onvoorwaardelijke liefde. En dat ‘bijna’ bevalt Prinzipienreiter Aiman dus niet. Ik begrijp zijn calvinistische houding al te goed, maar het verdriet van een gelovige vrouw over wat zij ziet als de teloorgang van haar beminde kinderen, die neem ik ook serieus. En Aiman door zijn film toch ook. In een roerende scène staan ze bij het graf van haar vader, die wijs was en al zijn kinderen liet studeren. En die als opa ooit haar zorgen om de kleine astmatische Aiman wegwuifde: die wordt een grote, sterke man. En inderdaad. Moeder bidt en huilt. Aiman droogt zijn eigen tranen aan haar hoofddoek af. En nee, niks sentimenteels.

Film vijf, Sinterklaas bestaat (NTR), is een herhaling van vorig jaar, waar ik toen al over heb geschreven.


Alle films op zondagen, *NPO 3, rond 23.20 uur onder de noemer* 3Lab:

De vertolker, 4 november
Becky Bulldozer, 11 november
Tijd en tij, 18 november
Maar je achternaam is toch Marokkaans, 25 november
Sinterklaas bestaat, 2 december