De nacht van de pauw speelt zich af binnen die driehoek: de vader Carl, de moeder Emma, en de nieuwe liefde van de moeder, Joanna. De nieuwe liefde van Carl (Laura, helder gespeeld door Mijs Heesen) en haar vader (Leopold, Kees Coolen, die fraai het personage neerzet van de eeuwige schoonvader die altijd op het verkeerde moment met foute teksten komt aandragen), ze zijn voornamelijk aangevers. De klassieke tragedie die De nacht van de pauw is, speelt zich af tussen het zwijgen van Carl, het drammen van Emma en het stangen van Joanna. De daarbinnen aangesneden ‘kwesties’, waar een substantieel deel van de kritiek over schijnt te zijn gevallen (grenzen van het menselijk willen, accepteren dat sommige driften sterker zijn dan de mens zelf), vormen voor het centrale conflict slechts de functie van verbaal decor, een soort ruis, van dezelfde orde als het geloei in de open haard of het geschreeuw van pauwen dat we af en toe te horen krijgen.
De tragische driehoek (Carl, Emma, Joanna) is magistraal geënsceneerd en wordt geweldig gespeeld. Rik van Uffelen toont de man die elk verdriet altijd bekwaam onder het tapijt heeft geveegd, en die daar nu opeens keihard op wordt afgerekend. Hij moet zich verantwoorden voor zijn weglopen en voor zijn eindeloze zwijgen.
Het mooie in het spel van Rik van Uffelen is dat hij duidelijk maakt dat hij, elke keer wanneer de vliezen van Carls emotionele geheugen breken, niets anders kan dan losbarsten in monologen die van kruin tot tenen doen huiveren. Van Uffelen speelt een onhandige hark die laat zien hoe klein en kwetsbaar zijn hart is. Geert de Jong speelt een takkewijf dat een en al hart is. Ze komt verhaal halen. Ze wil de onderste steen boven, dat voel je aan álles in haar spel. Emma wil nu eindelijk weten of Carl beseft waarom zijn zoon uit het leven is gestapt. Het spel tussen De Jong en Van Uffelen gaf mij het gevoel dat ik langs een huis in mijn buurt wandelde, een gruwelijke ruzie hoorde en door de ramen ging kijken wat er aan de hand was. Rik van Uffelen en Geert de Jong maakten me van toeschouwer tot voyeur. En tot medestander van hen beiden. Ik was het hardgrondig eens met Emma: ik wíl het weten, en wel nu! Mijn compassie met Carl was ook groot: ik kán het niet hebben, ik kan er niet tegen, zeker niet nú!
De rol van Joanna (Antoinette Jelgersma, op de scènefoto’s nog met lege open ogen, in de voorstelling die ik zag godzijdank met een donkere bril), is die van de aanjager. Zij stelt de vragen die Emma niet durft te stellen, en die Carl zijn leven lang al niet meer wíl stellen. Zij zet het conflict over de dood van Tim op scherp. Dat leidt uiteindelijk tot het onvermijdelijke: Carl gaat te biecht. Hij biecht op dat zijn zoon hem heeft gemist, en dat hij het heeft geweten. De auteur schrijft voor dat daarna op een geluidsband de stem van een kind is te horen. Dat kind roept: ‘Papa? Papa? Papa?’ Gelukkig heeft de regisseur besloten die aanwijzing van de auteur te negeren. De voorstelling eindigt nu in een bekentenis. En die is op zichzelf al pijnlijk genoeg.