Openbaar doodsvermaak

In zijn Kleine encyclopedie schetst Herman Vuijsje nieuwe inzichten over Nederland aan de hand van neologismen. Deze week: openbaar doodsvermaak. Leedvermaak om een sterfgeval is entertainment geworden.

In 1980 kwam Hans Wiegels eerste vrouw Pien om het leven bij een auto-ongeluk. De gebeurtenis leeft voort in het beeld van een schutterige Joop den Uyl die Wiegel probeert te troosten als die het voor de camera’s te kwaad krijgt. Een houterig armgebaar, een verlegen prevelement – zo deelt men in Holland in andermans leed. Tenminste, in de generatie waartoe Den Uyl behoorde. Elders waren de reacties minder ingehouden. Het Amsterdamse studentenblad Propria Cures kwam met een speciaal vvd-nummer, met op de voorpagina de leus Exclusief! Pien laat haar richtingaanwijzer zien en een stuk van Theodor Holman, met daarin grappen als ‘Pien klapt uit elkaar’ (mevrouw Wiegel had in De Telegraaf een rubriek ‘Pien klapt uit de keuken’).

Op het eerste gezicht zou je zeggen dat PC hiermee het spoor van de beschaving terug volgde. Openbare verkneukeling over andermans dood kennen we van de bespotting van Jezus aan het kruis, van de Romeinse arena, middeleeuwse terechtstellingen en de Franse Revolutie. De tricoteuses, die genoeglijk zaten te breien bij de guillotine, lieten de pennen rusten toen een beroemd acteur het schavot betrad om te applaudisseren en ‘bravo!’ te roepen.

Maar in feite was Propria Cures er weer eens vroeg bij. Openbaar doodsvermaak is sindsdien een trend geworden, met de ‘onthoofdingsfilmpjes’ van IS als voorlopig hoogtepunt. Net als die filmpjes bevatte dat speciale _PC-_nummer een in essentie politieke boodschap. Het doodsvermaak was weliswaar op Pien gericht, maar niet tégen haar. Het beoogde slachtoffer was Hans Wiegel; de verbale oorlog tegen zijn vermaledijde vvd werd hier voortgezet met de meest abjecte middelen.

Op dezelfde manier grapte Freek de Jonge na de ontvoering en mishandeling van de ex-echtgenote van Philips-directeur Boonstra: ‘Nu Boonstra om z’n loonstra komt…’ Moet je maar niet trouwen met een grootkapitalist. Na de moord op Pim Fortuyn deed cabaretier Vincent Bijlo een duit in het zakje met zijn uitspraak ‘Pief Paf Pim’.

Later werden ook uitingen van openbaar doodsvermaak gangbaar waarbij van een ideologische bedoeling geen sprake was. Op de voetbaltribunes bijvoorbeeld. ‘Solingen! Solingen!’ scandeerden Ajax-supporters toen hun club tegen het Turkse Besiktas speelde, kort nadat in Solingen vijf Turkse vrouwen om het leven waren gekomen door brandstichting. Feyenoorders imiteerden het geluid van vuurpijlen toen hun club daags na de Enschedese vuurwerkramp tegen FC Twente speelde en scandeerden ‘Van Gaal, waar is je kankerwijf’ nadat de Ajax-trainer zijn vrouw aan die ziekte had verloren. En dan was er het massaal sissen op de tribunes als de ‘jodenclub’ het veld betrad, met de bijbehorende kreet ‘De joden aan het gas!’ Racisme was het niet: de Ajax-ploeg telde geen enkele joodse speler meer en ‘de joden’ werden hier niet gediscrimineerd op grond van veronderstelde etnische eigenschappen, maar bespot vanwege hun ervaringen als lid van een etnische groep. Aanzetten tot geweld was het evenmin: openbaar doodsvermaak roept niet op tot geweld, het herinnert daaraan. Het gesis was ‘functioneel’: doel was de tegenstander te demoraliseren. Dat andere mensen – bejaarde joden thuis voor de tv – door dat gesis geraakt worden, is een vorm van collateral damage.

Ook in de media maakte openbaar doodsvermaak school. Zo schreven Theodor Holman en Theo van Gogh in de Nieuwe Revu een serie humoristische schetsen over de slokdarmkanker van Joop van Tijn, waarvan de eerste verscheen in de week waarin hij aan deze ziekte stierf. Toen het zoontje van Monique van de Ven was gestorven, publiceerde HP/De Tijd een tekening van een doodkistje met de tekst ‘Turks spruit’.

Theo van Gogh werd de grootmeester van het openbaar doodsvermaak. Hij bestookte joodse opponenten met een keur aan verwijzingen naar concentratiekampen en gaskamers, vaak gelardeerd met seksuele toespelingen. Had Van Gogh het nog voorzien op mensen die hij om politieke of persoonlijke redenen haatte, vanaf de jaren negentig was een politieke, functionele of persoonlijke aanleiding niet meer nodig. Het ging niet meer om het scoren van doelpunten of een politiek succesje, alleen nog om het scoren van hoge kijkcijfers.

Een greep: programmamaker Rob Muntz (die Antwerpse joden met een brallende Führer confronteerde), Paul de Leeuw en Beau van Erven Dorens (die het geinig vonden om de joodse professor Smalhout met Hitler te vergelijken) en Jan Jaap van der Wal, die zich verkneukelde over het feit dat Ayaan Hirsi Ali ‘geen clitoris meer heeft’. Waarop een zaal van tweehonderd man in donderend gelach uitbarstte en de studiogasten (onder wie Wouter Bos en stadsdeelwethouder Fatima Elatik) besmuikt meeproestten achter hun hand. Niemand die opstond en wegliep.

Zo groeide openbaar leed- en doodsvermaak allengs uit tot een vorm van ‘vermaak’ in de andere betekenis: entertainment. Binnen enkele decennia voltrok zich op dit gebied een complete omslag: leedvermaak, zelfs doodsvermaak, heeft iets vanzelfsprekends gekregen. Dat werkt letterlijk demoraliserend, op de slachtoffers, maar ook op een samenleving die daartegen geen bescherming biedt. Toch is het niet strafbaar, want openbaar doodsvermaak staat niet in de wet.