Essay: Publiek domien op internet

«Openbaar, gratis en voor iedereen toegankelijk»

Internet gaat in zijn functionaliteit en gebruikersmacht de kenmerken van klassieke massamedia ver te buiten. Het is een publiek domein geworden waarbinnen mensen zich sociaal kunnen bewegen en van alles kunnen kopen of krijgen.

De New York Times signaleerde het al in 1998: «The Latest Internet Buzzword: Community». En het is waar. Terwijl virtuele gemeenschappen de belichaming vormen van ouderwetse bottom-up-zelforganisatie, zijn zij tegenwoordig ook de lievelingen van e-commerce-marketeers. Vrijwel elke grote zoek- en indexsite heeft inmiddels een afdeling «communities», «clubs» of «your groups». «Create your own community!» Het is een aansporing die je alleen op internet kunt vinden.

En het werkt. Vooral ook omdat de sites gratis het gereedschap bieden waarmee mensen direct aan de slag kunnen: voorgestructureerde homepages, digitale fotoalbums, eenvoudig in te stellen webfora, mailinglists en chatrooms. Het resultaat is een waaier van duizenden groot- en kleinschalige gemeenschappen, die weer geïndexeerd en geordend worden aangeboden op de webportalen onder de gebruikelijke categorieën als Health, Lifestyle, Family, Work en Entertainment.

Zo'n e-commerce/community-strategie slaat een paar vliegen in een klap: het sluit aan bij de «do-it-yourself»-cultuur van het net, maar ook bij de instant-gemakscultuur. En vooral: het lost het hedendaagse marketingprobleem van de versplintering van doelgroepen op. Waar mensen de mogelijkheid hebben zichzelf onder een noemer te organiseren, tekenen zich vanzelf hun interesses af. Een doorlopend zelforganiserend marketingonderzoek. Ook bestaande «geobiografische» entiteiten als vrouwen, homo’s, ouderen, zwarten en reuma patiënten blijken daar goed in te passen en er worden gigantische sites voor deze groepen uit de grond gestampt.

Communities zijn hot business, potentieel elektronisch goud. De eerste verzilveringen worden binnengehaald met een beursgang. Ivillage (vrouwen) en Third Age (ouderen) zijn beursgenoteerde e-community-bedrijven, en hoewel sinds het einde van de dotcom-hype ook hier de koersen niet meer zijn wat ze waren, gaan de fusies, overnamen en beursnoteringen op het community-front nog altijd door.

Maar gaat het wel om «echte» gemeenschappen? Zijn het geen ordinaire marketingtrucs, gegoten in de vorm van pseudo-gemeenschappen? De socioloog Beniger schreef daarover het inmiddels klassieke artikel Personalization of Mass Media and the Growth of Pseudo-Community. Pseudo-communities zijn volgens Beniger door de massamedia geregisseerde, commercieel interessante publieksgroepen die zogenaamd persoonlijk worden aangesproken. Zoals het bekende geadresseerde drukwerk, compleet met een schijnbaar echte handtekening van de directeur van de loterij of boekenclub. Nu herkennen de meeste mensen deze pseudo-persoonlijke aansprekingen direct als nep, maar Beniger signaleert dat mensen, juist doordat zij zich daarvan bewust zijn, extra gevoelig worden voor massamediasterren met een authentieke uitstraling. Denk aan Mies Bouwmans Open het dorp.

Beniger schreef zijn artikel eind jaren tachtig. Sindsdien is er op het gebied van massamedia en personalisatie veel gebeurd. Het is de vraag of dat zijn punt onderstreept of juist ondermijnt. Zo zou je kunnen zeggen dat de tendens van personalisatie van mediaboodschappen zich sinds de jaren negentig heeft gedemocratiseerd: van professionele media sterren naar gewone mensen in talkshows en gluurprogramma’s als Big Brother. Met de opkomst van internet is daar nog iets bijgekomen. Voor het eerst in de geschiedenis van de massamedia communiceren de leden van de al dan niet geregisseerde publieksgroepen met elkaar. En daarin keren zij zich niet zelden tegen de massamediale regie en manipulatie.

Dat de jacht op digitaal goud de vorm aanneemt van community-marketing, getuigt hoe dan ook van begrip voor de sociale dynamiek van het net. Internet gaat in zijn functionaliteit en gebruikersmacht immers de kenmerken van klassieke massamedia ver te buiten. Het medium wordt hier een omgeving, een sociale plek waar mensen zich kunnen bewegen. Zo'n plek vertoont op zich veel gelijkenissen met een markt: een plek voor de realisatie van ruil en de bestendiging van relaties, voortgedreven door de dynamiek van vraag en aanbod c.q. antwoord, zo min mogelijk gehinderd door externe regulering, uitmondend in de overleving van wat het meest aanslaat en aansluit.

En het gaat om meer dan slechts een oppervlakkige gelijkenis met een markt. Elke reëel bestaande gemeenschap deelt materiële bronnen en producten waaromheen een vorm van economie ontstaat. In het klassieke dorp in Afrika gaat het letterlijk om de waterbron, in een stad of land gaat het om infrastructurele voorzieningen (elektriciteit, fietspaden, sociale zekerheid). Hoewel gedeelde bronnen die de vorm aannemen van geïnstitutionaliseerde voorzieningen vaak niet meer als gemeenschapsbezit worden ervaren, zijn het precies die dingen die ingezetenen tot een gemeenschap maken — vooral als er iets over te klagen is. Zo'n materiële infrastructuur is ook de basis van virtuele gemeenschappen. En o wee als de provider of de mailserver niet goed functioneert…

Maar verder lijken virtuele gemeenschappen vooral te draaien op immateriële uitwisseling. In feite gaat het precies om die immateriële goederen die tegenwoordig zo schaars lijken: tijd, aandacht, erkenning, saamhorigheid. Toch vormt ook dat een materiële economie, een economie van softwarematige gereedschappen en diensten. Diensten als het opzoeken, ordenen en beschikbaar stellen van informatie, het produceren en publiek beschikbaar stellen van scripts en software, het organiseren van real life bijeenkomsten, het beantwoorden van vragen, het wegwijs maken van newbies, het beheren van webfora, mailinglists of nieuwsgroepen. Er wordt nauwelijks geld verdiend op het net, maar er wordt des te meer werk verzet. Hier vinden arbeid, productie en consumptie plaats, in een eigen virtuele netwerkeconomie die zich onttrekt aan de wetten van de reguliere geldeconomie.

De sociale dynamiek van het net kun je echter even goed bekijken vanuit een andere metafoor dan die van de markt: die van het publieke domein. Publiek domein is te definiëren als een vorm van openbaar gebied met een maatschappelijke functie, waar geen enkel privaat of politiek belang prevaleert boven de sociale belangen van het collectief dat er gebruik van maakt. Internet vertoont daar vele gelijkenissen mee, zeker in zijn «tweede» oorsprong, die van netwerk voor de uitwisseling van academische kennis. De «eerste» oorsprong was militair en besloten, maar dat bleek historisch geen obstakel voor het ontstaan van een open publiek domein.

Historisch gezien is er trouwens veel te leren van de algemene dynamiek waaraan het publieke domein onderhevig kan zijn. Dat was er natuurlijk al ver vóór het internet- en massamediatijdperk. In agrarische samenlevingen was publiek domein primair een territoriumgebonden concept: de traditionele gemene gronden of commons, gemeenschappelijke stukken weidegrond waarop dorpelingen een beetje eigen vee konden laten grazen. Dit publieke domein was vrij ten behoeve van een collectief belang, een belang dat niet privaat of politiek werd georganiseerd. Het moest wel worden beheerd, want niemand was gediend bij overbegrazing en uitputting van de grond. Dat sociale beheer bestond uit onderlinge afspraken over gebruik, onderhoud en sancties voor free riders. Soms kwam het tot de teloorgang van het publieke domein door asociale free riders — sociologen noemen dat de «tragedy of the commons» — maar de grootste tragedies werden historisch gezien veroorzaakt door het opspelen van externe autoritaire machten. In de tijd van de zogeheten enclosures begonnen de feodale grootgrondbezitters het gemeenschappelijke land te omheinen om er hun eigen schapen te laten grazen ten behoeve van de opkomende wolindustrie. Met deze enclosures veranderde definitief de aard van de gemeenschap en de samenleving. De vraag naar de lotgevallen en de functie van het publieke domein hangt dus sterk samen met de vraag wie het er uiteindelijk voor het zeggen heeft.

De functie van het publieke domein bestaat uit de realisatie van maatschappelijke «goederen» die nodig zijn om de samenleving leefbaar en levend te houden. Die maatschappelijke goederen variëren naar plaats en tijd en kunnen bestaan uit voorzieningen als een waterput of dorpspomp, weidegrond, parken, speeltuinen, aanplakzuilen of tv-kanalen, maar ook uit onstoffelijke dingen als liedjes, literatuur of software. Deze voorzieningen bestaan ook in privaat bezit en beheer, maar bij publiek domein is er hooguit een «eigenaar-op-de-achtergond», die zich verder nergens mee bemoeit. Publiek domein is daarmee een plek waar het sociale regeert, datgene wat onderling wordt geregeld in samenwerking, interactie, traditie en confrontatie.

Hedendaags publiek domein betreft nauwelijks nog territoria, in de regel gaat het om andere maatschappelijke bronnen. Bronnen die niet kant en klaar door de staat of de markt geleverd kunnen worden aangezien ze bestaan bij de gratie van onderlinge sociale interactie: vrije recreatie, openbare ontmoetingsplekken, open informatie-, kennis- en ervaringsuitwisseling. Deze vitale maatschappelijke bronnen hebben een reproductieve functie (socialisatie, sociale cohesie, individuele ontspanning) maar ook een productieve (wetenschappelijke, culturele en sociale innovatie). Dit soort functies vergen vormen van publiek domein, ook en juist als die dingen daarnaast ook in private en politieke domeinen worden geregeld.

Ook digitaal publiek domein heeft deze maatschappelijke functies, maar digitaal publiek domein lijkt nog kwetsbaarder voor enclosures dan niet-digitaal publiek domein. Het digitale publieke domein is op veel manieren instrumenteel te gebruiken. Bijvoorbeeld als plek om «het publiek» te bereiken met een externe boodschap. Het publiek vormt hier geen onderlinge openbaarheid maar een audience voor mediaconglomeraten als Time Warner AOL, Excite-Chello en commerciële omroepen. De hele dotcom-economie draait in feite op die belofte: publiek = markt. «Going public» betekent niet toevallig hetzelfde als een beursgang. Publiek = geld.

Ook voor overheden kan «het publiek» een instrumenteel concept vormen, vaak eveneens in de vorm van publiek = markt. Met name beleidsnota’s op het gebied van «elektronische snelwegen» en telecommunicatie zijn onthullend in hun taalgebruik: publiek en burgers heten hier vrijwel standaard «consumenten». Daarnaast functioneert er in parlementaire democratieën natuurlijk ook de notie publiek = kiezers (op de verkiezingenmarkt) en in totalitaire staten de echt naargeestige notie publiek = totaal te controleren onderdanen.

Kortom, zowel de staat als de markt heeft de neiging het publieke domein te gebruiken voor hun eigen belangen. En dat kan zeker een bedreiging vormen voor de primaire sociale functies die daar worden vervuld.

Wellicht is het zinvol om hier wél een onderscheid te maken tussen «echt» en «pseudo-»publiek domein. Echt publiek domein wordt primair beheerd en gereguleerd door de gebruikers, zoals Usenet-groepen, IRC-kanalen en open-source-software. Pseudo-publiek domein daarentegen wordt instrumenteel gebruikt of beheerd door een macht buiten de gebruikers (een formele commerciële eigenaar, een sponsor, een politieke partij of een ander staatslichaam), zoals webfora op overheids- en bedrijvensites en al de netwerkplekken die worden aangeboden door commerciële community hosts.

Deze vormen van pseudo-publiek domein kunnen op zich wel degelijk de algemene sociale functie van «zuiver» publiek domein uitoefenen. En pseudo-publiek domein brengt ook niet per definitie slechts pseudo-gemeenschappen voort. Er zijn duizenden virtuele gemeenschappen op duizenden community- en clubafdelingen van duizenden dotcom-sites die daadwerkelijk een sociale betekenis hebben voor de deelnemers. Het pseudo-publieke karakter ervan doet daar niets aan af. Het probleem is wel dat er in pseudo-publiek domein een groot risico van enclosure bestaat. Dit omdat markt- of overheidslogica nu eenmaal per definitie verschilt van de sociale dynamiek van de gebruikers. Die twee soorten dynamiek kunnen een tijd lang sporen, maar ingrepen van bovenaf liggen altijd op de loer. In het meest extreme geval wordt een site of een forum gewoon opgeheven als deze niet genoeg verkeer, geld of politiek debat genereert. Dat is dan pech voor de inmiddels gesettelde communities.

Ingrepen door een commerciële eigenaar kunnen ook bestaan uit het ineens geld vragen voor voorheen gratis tools of lidmaatschappen. Yahoo! kwam in 1999 plots met de aankondiging van nieuwe «terms of service», waarin al het geproduceerde materiaal van gebruikers in clubs en communities botweg werd geconfisqueerd. Een storm van protest raasde over het net, en Yahoo koos uiteindelijk eieren voor zijn geld. Het incident maakte in elk geval duidelijk dat communities niet helemaal machteloos hoeven te zijn.

Een vergelijkbare enclosure dreigt bij de honderden lokale afdelingen van de Webgrrls, virtuele gemeenschappen van vrouwen met een passie voor internet. Aliza Sherman, de Amerikaanse initiatiefneemster en conceptbedenkster, heeft van Webgrrls International een dotcom-bedrijf gemaakt en vraagt nu geld voor het gebruik van de naam Webgrrls. De Nederlandse Webgrrls, met vierduizend leden bijna de grootste afdeling ter wereld, piekeren daar niet over, en zullen vanaf volgend jaar dan ook Women on the Web heten.

Misschien is elke vorm van publiek domein, digitaal of niet, altijd hooguit een «tijdelijke autonome zone», totdat men begint met de enclosures. Uiteindelijk kan de eigenaar-op-de-achtergrond altijd ineens van gedachten of beleid veranderen. Een openbaar park of een tv-kabel kan immers ook ineens door een gemeente worden verkocht aan een commer ciële exploitant.

Dat het publieke domein per definitie beter af is met de staat als eigenaar-op-de-achtergrond is trouwens ook niet altijd waar. In een stabiele, democratische rechtsstaat als Nederland is dat wel waarschijnlijk, maar in landen als China en Singapore ligt het anders. En in landen waar zowel de overheid als de markt corrupt en instabiel is, is het digitale publieke domein waarschijnlijk het veiligst in handen van ideële internationale NGO’s.

De kwestie (pseudo-)publiek domein op internet is er niet eenvoudiger op geworden met de opkomst van de «gratis economie». Publiek domein lijkt immers synoniem met «openbaar en gratis, voor iedereen toegankelijk». En zo'n beetje alles lijkt tegenwoordig gratis op het net: niet alleen software, webruimte en voorzieningen, maar ook de toegang op zich (bij de zogeheten free providers).

Deze gratiseconomie lijkt te functioneren in de traditie van het net: open systemen en gratis publiek domein ten behoeve van iedereen. Maar zoals een oud internetcredo wil: «There ain’t no such thing as a free lunch.» Betaal je geen abonnementsgeld, dan betaal je wel op een andere manier. De free providers zijn immers geen filantropische instellingen. In deze gratiseconomie wordt ook gewoon een boekhouding bijgehouden van wat er is geïnvesteerd, en op termijn zal er winst uit moeten komen

Gezien de miljoenen die worden geïnvesteerd, moet er ooit flink worden verdiend. Dat gebeurt nu nog niet. E-commerce komt heel traag van de grond en rendeert nauwelijks. Free providers moeten hun inkomsten vooral halen uit de verkoop van advertentieruimte en persoonsgegevens, en dat zijn rare, hype-gevoelige inkomstenbronnen. In feite zijn ook dit slechts investeringen: van bedrijven die reclame maken of consumentenprofielen opkopen in het kader van hún potentiële productverkoop. Het roept een bizar beeld op van een gratis-dotcom-economie die draait op een eindeloze keten van investeringen in «ooit». Yahoo is een van de weinige free dotcom-firma’s die winst maken (door advertentie-inkomsten), maar als de adverteerders niet ook zelf op een gegeven moment winst maken, zullen ze afhaken uit de keten van deze attention-economy.

Toch bestaan er ook vormen van gratiseconomie die geen vorm van verhulde winsteconomie zijn. Een ruileconomie bijvoorbeeld. Een economie van wederzijds geven en nemen, waarbij de transacties in evenwicht zijn. Ook in dit model wordt een boekhouding bijgehouden, met posten die kunnen bestaan uit geld, goederen, diensten en verplichtingen. Maar het doel is slechts een sluitende boekhouding; geen tekorten maar ook geen winst. In de digitale praktijk wordt dit model vaak gehanteerd door community-netwerken in de Verenigde Staten, en ook de Nederlandse Digitale Stad draaide in haar begintijd op dit model. De toegang voor gebruikers kan gratis zijn doordat het netwerk verder vooral draait op vrijwilligers, sponsors en fundraising.

Het is niet eenvoudig om temidden van het gratis dotcom-geweld zulke eilanden met een principiële ruileconomie in stand te houden. Soms gaan community-netwerken simpel ten onder of ze buigen om naar de attentie-economie of naar het gewone commerciële model van directe betaling door gebruikers. Met alle mogelijke gevolgen die dat kan hebben voor de uitoefening van de sociale functie van het publieke domein.

Eilanden zijn sowieso moeilijk te handhaven in een open systeem als internet. Daardoor valt de dominante economie op het net niet te typeren als een ruileconomie (met een bijgehouden boekhouding van uitstaande verplichtingen) en evenmin als een winsteconomie (met een vooropgezet batig saldo voor een van de partijen). Richard Barbrook analyseerde in zijn artikel The High-Tech Gift Economy de internetdynamiek als een gifteconomie. Een economie die draait op het weggeven van geschenken, zomaar; een gratiseconomie zonder winstoogmerk, een ruileconomie zonder boekhouding, zonder verwachting van een gelijkwaardige tegenpresentatie. Een gifteconomie die vooral draait op het vestigen en herbevestigen van sociale relaties.

Het concept van de gifteconomie komt uit de antropologie, en Barbrook verbindt dat met de oorsprong van internet. De eerste generatie niet-militaire internetgebruikers bestond uit de academische gemeenschap, die van oudsher werd aangedreven door een gifteconomie waarin onderling kennis werd uitgewisseld in «ruil» voor erkenning binnen de gemeenschap. En die economie van de erkenning werkt niet alleen voor academici, maar ook voor gewone gebruikers temidden van de dot-comedy. Ook zij geven digitale geschenken en krijgen in ruil daarvoor erkenning, aandacht, zelfbevestiging, reacties, contra-informatie, sociale contacten en plezier. Hun geschenken zijn geen doorwrochte wetenschappelijke artikelen, maar hun principe is hetzelfde. Lezen en schrijven in digitale discussies, software voor het publieke domein produceren en gebruiken, vragen van vreemden beantwoorden, bestanden op de eigen computer openstellen voor anderen — het maakt allemaal deel uit van de gifteconomie. Die gifteconomie is vrijwel onaantastbaar voor externe, bijvoorbeeld juridische autoriteiten

Dit lijkt in de verste verte niet op een «gelijkwaardige» ruileconomie. Het systeem van de gifteconomie is veel robuuster, aangezien het technisch en sociaal zo is «geconfigureerd» dat er voor iedereen altijd meer te halen is dan te geven — een optimale situatie voor het instandhouden van commons. Ook een zuiver pragmatisch of zelfs egoïstisch gebruik ervan schaadt die dynamiek niet.

Die gifteconomie kan bovendien vreedzaam bestaan naast de dotcom-economie. Internetgebruikers switchen probleemloos heen en weer tussen de verschillende economieën, en investeren per saldo meer in de gifteconomie dan in het e-commerce-domein.
Het is nog maar de vraag of de ene kracht in staat is de andere totaal op te eten of te marginaliseren. Zo lang internet een open systeem blijft, is dat niet waarschijnlijk. In een open systeem zullen immers altijd kieren en gaten optreden waar zich vormen van publiek en pseudo-publiek domein met een eigen dynamiek en gifteconomie zullen nestelen. Sterker nog, zo'n open systeem bestaat vooral uit kieren en gaten.

(Deze tekst is een bewerking van het laatste hoofdstuk uit het onlangs verschenen boek Leven op het net: De sociale betekenis van virtuele gemeenschappen (Instituut voor Publiek en Politiek, 2000), mede tot stand gekomen dankzij het Fonds voor Bijzondere Journalistieke Projecten.