De jonge Sandberg

Opengooien en wit schilderen

De vernieuwing van het Stedelijk Museum in Amsterdam wordt telkens vertraagd. Intussen is de Nieuwe Vleugel gesloopt, die de ideeën belichaamde van Wil Sandberg, de man die het museum groot maakte.

Medium h 45.2 uithangbord 0004

Het is april 1945. De Duitsers gaan de Tweede Wereldoorlog eindelijk, eindelijk verliezen. Het zijn vijf jaren geweest, die lang hebben geduurd, voor de meeste Nederlanders, maar ook voor Wil Sandberg. Hij heeft bijna al zijn vrienden in het verzet verloren, hij heeft zijn familie in levensgevaar gebracht, hij is zelf als staatsvijand van de Duitse nazi’s twee jaar lang opgejaagd. Op 5 mei 1945 is hij, zoals hij museumdirecteur David Röell en zijn stiefdochter Paula Augustin heeft beloofd, present op het Stedelijk Museum. Volgens Paula had hij gezegd dat hij als de oorlog afgelopen was ’s morgens om negen uur op de stoep van het Stedelijk Museum zou staan. En daar staat hij ook, op 5 mei 1945. Het museum moet, na maanden gesloten te zijn geweest vanwege de oorlogsomstandigheden, een desolate indruk hebben gemaakt, maar zal spoedig uitbarsten in nieuwe activiteiten, om te beginnen een grote Werkman-tentoonstelling.
Wil Sandberg laat een keurig kaartje drukken, dat een enerverende werkelijkheid verbergt:

van april 1943 tot mei 1945
h. w. van den bosch
ambtenaar der voedselvoorziening
kunstschilder
is sedert 5 mei 1945 weer
w. j. h. b. sandberg
conservator der gemeentemusea
maasstraat 80, tel. 25385
amsterdam

H.W. van den Bosch is weer W.J.H.B. Sandberg geworden, maar het is een andere Sandberg dan de Willy Sandberg van vóór de oorlog. Hij heeft door zijn ervaringen, voor en tijdens de oorlog, enorm veel geleerd. Hij is niet meer de kwajongen met plusfour en stekeltjeshaar van zijn nieuwjaarskaartje voor 1935 (al zal hij voor een deel altijd die kwajongen blijven), nu maakt hij een volkomen andere indruk. Zijn haar is wit, hij is ouder geworden, maar hij is met zijn scherpe profiel nu meer dan ooit een mooie, slanke man, die de onvolkomenheden van zijn gezicht (de ontbrekende kin) weet op te heffen door die prachtige witte kuif, de sigaret in een mondhoek, en z'n eeuwige vlinderdasje. Op foto’s lijkt hij achteraf veel groter dan hij was. Het hoedje dat hij tijdens de oorlog van Jan Romein als camouflage had geleend is afgezet, het brilletje van zijn grootmoeder (dat hij eigenlijk wel gebruiken kan, maar hij is te ijdel om dat toe te geven) hangt hij aan een kamerlinde bij hem thuis.

Door toeval en geluk en door slimme kunstgrepen heeft hij aan de nazi’s weten te ontkomen. Hij wist ze in de waan te brengen dat hij naar Zwitserland was gevlucht. Hij moest onderduiken, maar die gedwongen rust van twee jaar gaf hem de gelegenheid uit te groeien tot de legendarische Sandberg, die hij daarvóór absoluut nog niet was. Als Sandberg de oorlog niet had overleefd - zoals bijna al zijn verzetsmakkers -, dan zou men nu naar alle waarschijnlijkheid over hem spreken als over iemand die zich aardig heeft geweerd tijdens de oorlog, in het verzet, maar die verder een mannetje was van heel veel ambachten waar hij vóór de oorlog nooit bijzonder in had uitgeblonken. Hij zou dan nu waarschijnlijk worden gezien als een middelmatige, modieuze vormgever, als een onwaarschijnlijke, zo niet onmogelijke museumconservator, iemand die een of twee aardige tentoonstellingen heeft gemaakt, die misschien een interessante richting uit had kunnen gaan, maar die te ongedurig was om het lang op één plek uit te houden. Als Sandberg was gefusilleerd, zoals dat volgens de Duitse bezetter had moeten gebeuren, had men nu misschien geredeneerd dat hij het aan zichzelf te wijten had, dat hij zelfs de dood had gezocht, omdat zijn leven en zijn werk een mislukking waren geweest. Dat hij te veel een buitenbeentje was om maatschappelijk te kunnen slagen en niet talentvol genoeg om een groot kunstenaar te zijn. Zo wordt er immers vaak gepraat - ook door Sandberg zelf - over zijn omgekomen kameraden in het kunstenaarsverzet.

Sandberg spreekt met warmte over ze, maar hij beschrijft ze vaak als mensen die er een voorliefde voor hebben zich te verkleden, een rol te spelen, iets op te voeren. Over de overval op het Bevolkingsregister van maart 1943 vertelt hij als een zeer geslaagde maskerade van een stelletje kunstenaars en studenten, die zich met nagemaakte uniformen en uitrustingsstukken van karton weten voor te doen als een gedisciplineerde politietroep. Sandberg legt er na de oorlog de nadruk op dat deze verzetsmensen er ook op uit waren hun mannelijkheid te bewijzen. De beeldhouwer Gerrit Jan van der Veen die zijn angsten overwint en zich van het ene avontuur in het andere stort, steeds in een andere vermomming. Schilder en schrijver Willem Arondéus die de wereld duidelijk wil maken dat ook homoseksuelen dappere verzetsmensen kunnen zijn. De hispanist Johan Brouwer, die, net als Arondéus trouwens, zo graag de Spaanse edelman uithangt. Een lieve, bijna feminiene jongen als architect en Groene-medewerker Koen Limperg die nog aan het leven moet beginnen. De drukker Frans Duwaer, zacht, jong, verscheurd tussen zijn groot gevoel van verantwoordelijkheid voor zijn drukkerij en zijn gehechtheid - in de ogen van Sandberg - aan zijn verzetsvriend Gerrit van der Veen. Ze zijn er trots op dat in de Duitstalige aanklacht hun houding bij de aanslag op het Bevolkingsregister ‘soldatisch’ wordt genoemd. Sandberg past daar trouwens precies tussen, zoals hij zelf aangeeft in een deeltje van zijn tijdens zijn onderduikperiode ontworpen Experimenta Typografica. Hij doet dat alleen maar door de letter S vaag aan te geven tussen gekleurde letters die zijn gefusilleerde verzetsvrienden symboliseren. Hij lijkt dan een tere, breekbare, gevoelige jongen, ook al is hij al ver in de veertig, met grootste plannen en idealen, maar nauwelijks geworteld in de werkelijkheid. Wij kunnen absoluut niet weten hoe de anderen zich hadden ontwikkeld en wat ze voor het Nederlandse en misschien het internationale kunstleven hadden kunnen betekenen als ze niet ruw waren vermoord. Frieda Belinfante, die ook zo van verkleden hield, maar die wel heeft kunnen vluchten, werd na de oorlog een internationaal gerespecteerde dirigent, een van de eerste vrouwelijke dirigenten ter wereld.

Anders dan bijna al zijn verzetsvrienden heeft Sandberg voort kunnen bouwen op wat hij vóór en vooral in de oorlog heeft ervaren. Hij heeft, op late leeftijd, geleerd waar zijn sterke kanten liggen. Niet in de pure kunst of in de medische wetenschap. Niet in een pseudo-religie of in de dagelijkse politiek. Hij heeft gezien dat hij door tentoonstellingen te organiseren vergeten kunstenaars weer tot leven kan roepen, kunststromingen die als achterhaald gelden weer als modern kan presenteren, dat hij discussies op kan roepen en jonge kunstenaars kan inspireren door de voorbeelden die hij toont. Hij heeft zelfs ontdekt dat hij een groot kunstenaar als de meester-drukker Hendrik Nicolaas Werkman, als die in somberheid is vastgelopen, weer zelfvertrouwen kan geven door zijn werk op waarde te schatten en onder de aandacht van anderen te brengen en door hem in contact te brengen met moderne kunstwerken, waardoor hij tot nieuwe, belangrijke scheppingen komt. Sandberg heeft geleerd dat hij zich niet door een ouderwets museumgebouw hoeft te laten afschrikken. Als het gebouw goed is van opzet, is het ook geschikt om moderne kunst te exposeren, wanneer creatief gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheden die het biedt. Hij heeft ook de moed zo'n gebouw open te gooien, wit te schilderen en het tot een neutrale ruimte om te toveren voor het tonen van alle mogelijke kunstvormen.
In het verzet heeft hij gezien dat hij kan functioneren als een spin die midden in verschillende spinnenwebben zit. Maar hij heeft ook het gevoel dat hij een aantal extra opdrachten heeft gekregen, dat hij na de oorlog de taken van zijn omgekomen strijdmakkers zelf zal moeten vervullen. Ondanks zijn drukke werk als directeur van het Stedelijk Museum en zijn eigenaardige positie als artistiek ambtenaar neemt hij van de charismatische beeldhouwer Gerrit Jan van der Veen en van de ruimhartige graficus Jean François van Royen de taak over de Nederlandse kunstenaars te verenigen, hun belangen te behartigen en ze hun stem in de maatschappij te laten horen. Koen Limperg had als architect de ogen van de mensen kunnen openen voor de moderne architectuur en binnenhuisarchitectuur. Sandberg neemt het op zich om, aanvankelijk samen met binnenhuisarchitect Paul Bromberg, een stichting Goed Wonen op te zetten die gratis adviezen geeft voor een eenvoudige, functionele woninginrichting.

Sandberg geeft onmiddellijk het nieuwe Filmmuseum van Jan de Vaal onderdak in zijn museum. Hij zal zich voortaan inzetten voor alle nieuwe vormen van kunst, ook als hij er zelf niet zo'n affiniteit mee heeft. De experimentele vijftigers zijn hartelijk welkom in het museum. Er zijn daar op zondag concerten met moderne muziek. En hij steunt de experimentele toneelgroepen van Kees van Iersel en de moderne dans van Koert Stuyf. Hij is enthousiast over de rare bedenksels van Wim T. Schippers en over de nieuwe graffitikunst. Tot aan het einde van zijn leven denkt hij na over de mogelijkheden kunst op straat te brengen, midden tussen het dagelijkse leven.
Deze nieuwe Sandberg zal zich, in de geest van drukker Frans Duwaer, ook blijven inzetten voor goed en mooi drukwerk. In zijn eigen werk als grafisch vormgever zal de inspiratie van Werkman nooit meer verloren gaan. Na zijn vruchteloos zoeken in de jaren dertig heeft hij, opgesloten op z'n kleine kamertje in Gennep, een eigen vorm gevonden voor zijn typografische werk. Het lijkt of de asymmetrische manier van kunstwerken ophangen aan de museumwanden, die hij samen met Mart Stam heeft ontwikkeld, ook van invloed is op het drukwerk dat hij ontwerpt voor het Stedelijk Museum: eenvoudige affiches waarin het bestaande lettermateriaal van de Stadsdrukkerij wordt uitgebuit om heldere, krachtige beelden te scheppen. Hij weet nu een unieke combinatie te bereiken van koele, constructivistische vormen met een expressionistisch gebruik van alles wat aanwezig is op een drukkerij, geïnspireerd door Werkmans 'hot printing’. Sandbergs ontwerpen zullen voortaan niet koel en niet heet zijn, maar warm. Hij bereikt die menselijke warmte in zijn strakke affiches door letters en andere vormen te 'scheuren’, dat wil zeggen: ze met een pennenmesje uit te snijden of uit te prikken uit een vezelig papier. Liefst gebruikt hij resten, afval, zoals papieren servetten of de zachte voering van enveloppen. Door dit 'scheuren’ ontstaan toevallige contouren, waardoor zijn heldere drukwerk nooit saai of voorspelbaar is, altijd levendig en genuanceerd.

De strenge vormgever Sandberg, de man die alle touwtjes in handen wil houden, heeft, ook door zijn oorlogservaringen, geleerd dat dit onmogelijk is. Zijn zuiverheidsmanie zal Sandberg nooit verliezen, evenmin als zijn voorliefde voor een strakke, abstracte kunst, waarin hij de toekomst van de kunst ziet, maar dan in een ruimtelijke vorm. Toch zal hij nu ook in zijn werk als museumman leren dat hij het best kunstenaars in zijn museum de vrijheid kan bieden om hun eigen experimentele tentoonstellingen in te richten en richtingen uit te gaan die hij zelf niet had kunnen bedenken.
Als Sandberg terug is in het Stedelijk Museum hangt hij bijna uitdagend een Mondriaan op in zijn werkkamer, wat zijn voorganger Röell hem afraadt, omdat hij daarmee te veel laat zien waar hij op uit is. Wat Sandberg wil is duidelijk: hij wil niet alleen directeur van het Stedelijk Museum worden, als Röell naar het Rijksmuseum promoveert, maar hij wil daar een modern, progressief, vernieuwend en open museum van maken. Er is geen vooruitgestippelde weg die hij heeft gevolgd vanaf zijn jeugd in Assen. Hij heeft rondgezworven, gezocht, van alles uitgeprobeerd, is mislukt en heeft gebotst, heeft gepikt van anderen (de beeldstatistiek) en raakte in de knoei (met zijn meeste ontwerpen in de jaren dertig). Hij was in staat te leren van opvattingen die in de jaren dertig al verouderd leken, zoals die van De Stijl, hij wist aandacht te vragen voor kunstenaars die in de vergeethoek terecht waren gekomen, zoals Mondriaan, Van Doesburg, de abstracte kunst en de internationale avant-garde. Hij zet nieuwe maatstaven voor het museumbeleid door te kijken wat kunstenaars doen en te zien welke kant de ontwikkelingen in de moderne kunst uit gaan. Keer op keer benadrukt hij dat niet hij, de directeur van het museum, bepaalt wat er gaat gebeuren, maar dat de kunstenaars dat doen.
Toch heeft hij de kunst mede richting gegeven. Dat doet hij niet door ernaar te streven het beste museum voor moderne kunst in Europa te maken. Integendeel, hij werkt dolgraag samen met andere musea in Nederland, in Europa en in Amerika. Het gaat hem er ook niet om met spectaculaire tentoonstellingen massa’s mensen naar zijn museum te lokken. Dat gebeurt wel, maar alleen omdat hij een nieuw publiek wil confronteren met de ontwikkeling van de eigentijdse kunst. Het gaat hem er niet om het toerisme naar Amsterdam te bevorderen, toch maakt hij van Amsterdam een belangrijk centrum van nieuwe kunst. Hij is niet uit op een poeha-architectuur om mensen te verbluffen. De door hem gebouwde Nieuwe Vleugel van het museum munt uit door openheid, eenvoud en helderheid. Het is daarom zo jammer dat die vleugel door zijn opvolgers vaak opzettelijk verkeerd werd gebruikt en ten slotte, ondanks vele protesten, in 2006 door Amsterdamse cultuurbarbaren, zoals wethouder Gehrels, die eigenhandig een baksteen gooide, met de grond gelijk is gemaakt.

In de huidige misère om het Stedelijk Museum, dat al vele jaren dicht is dankzij grote onkunde, geharrewar, elkaar bestrijdende partijen en een algemeen gebrek aan visie, wordt de naam van Sandberg vaak genoemd. De tijd van zijn directeurschap (1945-1962) was immers de grote tijd van het museum. Toen gold het als het beste museum van moderne kunst in Europa, toen werd het gezien als een voorbeeld in de wereld, toen dankte Amsterdam zijn aantrekkingskracht mede aan het Stedelijk Museum. Toen was het Stedelijk Museum voortdurend het middelpunt van discussies. Maar Sandberg had zoveel succes omdat hij er helemaal niet op uit was te scoren met zijn museum, hij wilde niet het grootste, het beste en het mooiste zijn en zeker niet het meest spectaculaire.
Wat hij doet, als hij in september 1945 directeur van het Stedelijk Museum wordt, is niet meer en niet minder dan het museum openstellen voor de kunstenaars van zijn eigen tijd, de kunstenaars die net als hij aan het zoeken zijn en blijven zoeken, die bereid zijn zich te blijven ontwikkelen en daarmee de ontwikkeling van de kunst vooruit helpen. Daar wil hij een publiek voor vinden, eventueel door rellen, schandalen, ruzies, maar anders door museumlessen voor jonge kinderen en door een vrolijke, levende, heldere, stimulerende sfeer. Daarmee schept hij een museum waar mensen niet verplicht naartoe gaan, maar waar ze graag willen zijn en zich gelukkig kunnen voelen. Niet een loodzware, prestigieuze kunsttempel, maar een lichtvoetig en vriendelijk kunstencentrum. Niet voor niets zal Sandberg later als lid van de jury een van de grote voorvechters zijn van het geliefde en inspirerende Centre Beaubourg in Parijs.
Die brutale kwajongen, Willy Sandberg, is met erg veel omwegen de invloedrijke, bijna mythische Sandberg geworden, van wie de hele moderne kunst van zijn tijd zal profiteren.

Dit is een bewerking van het slothoofdstuk van Zoeken en scheuren: De jonge Sandberg van Max Arian. Dit boek beschrijft in 610 pagina’s het leven en de ontwikkeling van Wil Sandberg, in de periode van 1897 tot 1945. Het boek is voor Groene-lezers te koop tegen een speciale korting. Zij betalen tot 10 juni € 35,- in plaats van € 45,-. Zie www.groene.nl/webwinkel