70 jaar Holland Festival: Rage d'amours van Rob Zuidam

«Opera is: goeie vrouwenrollen»

Na zijn debuut opera Freeze voltooide Rob Zuidam in 2003 Rage d’'amours, over de middeleeuwse Johanna die «zo gek als een deur» is. De opera beleeft vanaf 17 juni op het Holland Festival zijn Nederlandse première.

Medium schermafbeelding 2017 05 24 om 17.52.35

De opera’s van Rob Zuidam reizen van ver naar hier, niet omgekeerd. Zijn eerste opera Freeze (1993/94) schreef hij in opdracht van Hans Werner Henze voor de Münchner Biennale für neues Musiktheater. De opvolger Rage d’'amours, opdracht van het Boston Symphony Orchestra, kreeg in 2003 zijn vuurdoop in het Tanglewood Music Center.

Freeze en Rage d’amours zijn totaal verschillende opera’s. Freeze is een overdadig, sarcas tisch, in toon en setting zeer twintigste-eeuws stuk over de rijkeluisdochter Patricia Hearst, die zich aansluit bij het kamp van haar ontvoerders; Rage d’amours is een zwart portret van de Spaanse koningsdochter Johanna de Waanzinnige (1479-1555).

Gek als een deur, deze Johanna. Als haar echtgenoot Philips de Schone in 1506 sterft, wordt ze waanzinnig van verdriet. Tot een be grafenis van de geliefde komt het niet; ze neemt het gebalsemde lijk met zich mee, in de bizarre overtuiging dat zijn voorspelde wederopstanding niet kan uitblijven. Vóór ze wordt opgesloten in een kloostertoren, waar ze de laatste 46 jaar van haar leven doorbrengt, houdt de kist met het lijk haar gezelschap tijdens nachtelijke zwerftochten door Castilië en León. Of staat hij in haar slaapkamer, waar ze zijn zielenheil bewaakt door missen aan hem op te dragen.

Rage d'’amours, waarvoor de componist net als bij Freeze zelf het tekstboek schreef, is de ironie van Freeze dus ver voorbij. Rob Zuidam noemt het «een verhaal over liefde, dood en necrofilie. Het is een essay over passie, over een tragische liefde, die dermate onvoorwaardelijk en grenzeloos was, dat deze de dood trachtte te overwinnen door haar onvergankelijkheid.»

De partituur acht scènes, lengte één uur – klinkt navenant, en niet alleen door Zuidams inval de Johanna-rol op te splitsen in drie sopraanpartijen, die de diverse facetten van haar doorgedraaide inborst uitvergroten tot een Spaans gekleurd terzet vol diepe rouw en wilde wanen. Rage d'’amours is opera in de ouderwetse betekenis van schaamteloos uitpakken met gillende keukenmeiden, spook achtige nachtelijke processies, veel tremoli, weidse harp-arpeggio’s en de ditmaal ondubbelzinnige pathetiek van voordrachtsaanwijzingen als con grandezza. Zingen is zingen, spelen is spelen; vol en veel.

De ex-popmuzikant Rob Zuidam, die als puber in punkbandjes speelde, hoort in middels graag Bellini: «Daar wordt in muziekkringen toch wel raar van opgekeken, zo van: hij vindt het écht leuk.» Met een soevereine glimlach: «Louis Andriessen zei me ook al: jouw muziek is héél genereus.»

Er is één overeenkomst tussen ‹Freeze› en ‹Rage d’'amours›: ze gaan over vrouwen die een grens overschrijden.

Rob Zuidam: «Voor mij hebben die stukken niet zo veel met elkaar te maken. Wel kom je bij het zoeken naar een goed onderwerp voor een opera al snel bij vrouwen uit. Puccini’s Tosca had beter Scarpia kunnen heten. Het aandeel van Scarpia is groter dan dat van Tosca zelf. Maar wat je ervan herinnert is Tosca’s Vissi d’arte. Opera is: goeie vrouwenrollen. Ik zou het lastig vinden een opera te schrijven met alleen maar mannenrollen, zoals Billy Budd van Britten. Je hebt wel eens van die verhalen waarvan je denkt: dat zou wat kunnen zijn. De overwintering op Nova Zembla, ik noem maar wat. Maar dan zit je opgescheept met al die mannen in een hutje en dat maakt toch minder los dan wanneer daar een naaiclubje verzeild was geraakt.

Wat Louis zei, dat is wel zo. En Rage d’'amours is veel meer van binnenuit geschreven dan Freeze. Daar dekte ik me nog een beetje in met ironie, wat een goed middel is om niet je ware zelf te laten zien. Ik vond het interessanter dat nu wel te doen, vooral omdat je er zo ongelooflijk mee op je bek kunt gaan. Neem de vijfde scène, voor mij een van de sleutelscènes van het stuk. Daar wordt de dode Philips uit elkaar gesloopt. Terwijl zijn hart en ingewanden worden verwijderd, bezingt Johanna heel geëxalteerd haar liefde voor hem, met fragmenten uit het Hooglied. Daar dacht ik echt: hier moeten alle remmen los. Je houdt je schroom. Moet ik dat nou wel doen? Is dit wel leuk? Maar dan hak je toch die knoop door. Vanuit het gevoel dat dít is wat ik wil, kan mij het schelen.»

«Je begint met een aantal vondsten, muzikale ideeën. Dan ga je uitzoeken hoe je dat materiaal proportioneert in relatie tot de tekst. Ik was als librettist voortdurend met mezelf in conclaaf over de vraag wat ik aan tekst kon schrappen. De tekstuele boodschap is niet al tijd even belangrijk. Ik kan soms een veel groter dramatisch effect bereiken door me te beperken tot één zinnetje.

Van tevoren heb ik erg geworsteld met de keuze van de taal. Maar op een gegeven moment wist ik zeker dat ik alle oorspronkelijke talen van mijn bronnen wilde laten staan. Latijn, Spaans, Frans. Ook vanuit de overweging dat Philips en Johanna waarschijnlijk in al die talen met elkaar hebben gecommuniceerd. De eerste liefdesbrief van Philips aan Johanna was in het Latijn. Het is ook wel een spannend proces. Ik ben me zeer bewust van het effect dat de keuze voor een taal kan hebben op hoe muziek gaat klinken. Neem je een Franse tekst, dan gaan je noten uiteindelijk altijd een beetje meanderen en psalmodiëren. Het modale is nooit ver weg. Welk Frans lied je ook opslaat, dat vind je er altijd in terug, zelfs bij Boulez. Bij Debussy, in Pelléas et Mélisande, hoor je dat mistige, het enigmatische dat eroverheen hangt – heel mooi.

De zevende scène van Rage d’'amours, over Johanna’s nachtelijke omzwervingen met Philips’ lijk, is vanuit die gedachte gemaakt: iets spookachtigs. Die scène was sowieso m’n allereerste aanknopingspunt toen ik ging nadenken over de opera. Het idee was echt zo’n nachtelijke tocht te verklanken, maar tegelijkertijd moest niet helemaal duidelijk worden of die tocht echt plaatsvond of dat wat je ziet zich allemaal in de torenkamer afspeelt waar Johanna zit opgesloten, in haar hoofd dus – en dat ze zich alleen verbeeldt dat het gebeurt.

Ik ben begonnen met die scène. Daarna zijn scène 1 en 2 ontstaan, de halve proloog. Vooral die eerste scène dijde almaar uit. Ik heb even gedacht: moet dit niet nóg veel langer? Terwijl het stuk een uur mocht duren, maximaal. Het heeft een tijd geduurd voordat dat een beetje z’n proporties had. Na 1 en 2 ben ik chronologisch naar 3 en 4 gegaan, toen heb ik 7 afgemaakt, toen 5, toen 8 en toen 6.

Freeze heb ik veel chronologischer geschreven. Maar vroeger liep ik wel eens vast. Je begint ergens, dat gaat een tijdje goed, en opeens weet je het niet meer. In de loop der jaren ben ik er handiger in geworden tegen mezelf te zeggen: laat dit nou eerst maar even rusten. Wat wil nou wél lopen, waar heb je wél ideeën over? Doe je dat, dan lossen de overige problemen zich vanzelf op. Freeze heeft wat een eerste orkeststuk ook heeft. Daar wil je zoveel mee, maar je mist de ervaring met zo’n apparaat, zodat je altijd te veel doet én te weinig.

De muziek was minder uitgekristalliseerd. Ik stond toen ik dat stuk schreef met m’n rug tegen de muur. Op zichzelf was het fantastisch dat ik het kon maken. Hans Werner Henze kwam hier langs, in Amsterdam, en zei: jij moet een opera schrijven. En je moet ook zelf het li bretto maken. Ik dacht, nou, als jij dat zegt, kan ik het in elk geval proberen. Als Henze niet was gekomen, had ik het op dat moment misschien niet gedaan. Al denk ik dat, in hegeliaanse termen van historische onvermijdelijkheid, de vlam vroeg of laat toch wel in de pan zou zijn geslagen. Er zijn weinig dingen leuker dan opera, haha.»

Heeft dat met je verleden in punkbandjes te maken? Dat is ook een soort opera, alles loslaten: podium op en raggen maar. Bij veel Nederlandse componisten met een popverleden hoor je dezelfde directheid als bij jou, hoe abstract ze verder ook te werk gaan. Robin de Raaff, Michael van der Aa, jij.

Rob Zuidam: «Nou ja, je wordt via de pop geconfronteerd met een directheid die je in sonatines van Beethoven en oefenstukken van Scarlatti een beetje mist, dat is zo.»

En die je wel vindt in Beethovens ‹Hammer klaviersonate›. Maar die speel je meestal niet op je vijftiende.

«Precies. Toen ik Pollini voor het eerst het laatste deel van de Hammerklavier zag uitvoeren, besefte ik dat het laatste deel een soort negentiende-eeuwse punk is, onwaarschijnlijk. Maar daar moet je inderdaad iets meer techniek voor hebben. Dus je zoekt naar uitwijkmogelijkheden. Via de pop kom je tot het besef dat muziek maken van binnenuit komt – dat is wat ik eraan heb overgehouden. Verder speelt pop in m’n muziek niet zo’n grote rol meer. In sommige stukken, zoals de McGonagall-Lieder, hoor je het nog. In Rage d’amours is het geheel afwezig.»

Hoe verhoud je je tot de reguliere operatraditie? Mozart, daar heb je je op gestort. Is de instrumentale ‹Don Giovanni›-bewerking die je voor het Nationale Ballet hebt gemaakt onderdeel van een zoektocht naar ijkpunten in de operageschiedenis?

«Nee, daar was de opdracht vooral: hoe kun je een uur lang die deuntjes herkennen zonder de stem te missen. Dat was niet zozeer een zoektocht naar de geschiedenis, meer de be hoefte me eens helemaal op de muziek te storten. Ja die operatraditie. Ik sta er niet afkerig tegenover, maar ik probeer vooral te zien wat zij ooit inhield: dat een opera werd geschreven voor een publiek dat kwam luisteren. Dat opera onderdeel was van een burgerlijke cultuur die vanaf zeg 1850 steeds meer onder druk is komen te staan en uiteindelijk zo is geërodeerd dat er nu bijna niks van over is. Het wegvallen van de band van het publiek met nieuwe muziek – die wederzijdse desinteresse, die verachting bijna – lijkt mij op langere termijn voor beide partijen niet erg handig.»

Dus: jij wilt gehoord worden.

«Daar ben ik inderdaad mee bezig. Ik schrijf niet echt óp het publiek, denk ik, want in principe vind ik wat ik schrijf ook zelf echt mooi. Maar ik verplaats me wel in de luisteraars door mezelf te vragen: wat zou ík verwachten, wat zou ík leuk vinden? Dat is precies waarom ik in de tijd die mij rest mijn muzikale taal verder zou willen uitdiepen. Wat ik aan Wagner prachtig vind is dat hij volkomen schijt lijkt te hebben aan hoe het overkomt. Of dat gewoon puur imponeergedrag is, kan me niet eens veel schelen; hij doet het.

Om zo te kunnen zijn moet je volledig in je zelf geloven, en je geen seconde laten weerhouden door de mogelijkheid dat je onderuit gaat. Daar kan bij mij nog steeds wel twijfel in sluipen, tenminste in de staat waarin ik nu verkeer. De ironie van Freeze, dat is een beetje een masker. Maar daar ben ik langzaam overheen aan het komen.»

Hoe snel gaat dat proces? Zou je bijvoorbeeld ‹Rage d'’amours›, nu twee jaar oud, inmiddels anders schrijven?

Rob Zuidam: «Twee jaar is net te weinig tijd om afstand te nemen. Over vijf jaar zeg ik wel heel resoluut: dat en dat doe ik nu anders. Er zijn een paar dingen die mij weliswaar niet echt storen, maar waarvan ik vind dat er meer in had gezeten. Philips komt als karakter te weinig uit de verf. Heeft ook te maken met wat je in een tijdsbestek van een uur kunt doen, en langer dan een uur mocht het van Boston toen niet zijn. Weet je, ze hoeven op de bühne na tuurlijk niet meteen te gaan zwaardvechten, er moet wel iets gebeuren. Maar ik denk dat ik er misschien, als ik het later nog eens zou bekijken, nog veel meer uit had gegooid, en me dan bijvoorbeeld had beperkt tot drie vrouwen die een uur lang rond een grafkist staan. Ik denk dat ik daar in 2003 niet de moed voor had. Niet zozeer de moed als wel de draagkracht om dat te kunnen verwezenlijken.

Nou ja, het ultieme doel, een opera geheel en al zonder verhaal, daar zou het theatrale beest in mij ook weer niet echt genoegen mee nemen. Maar ik ben er niet ontevreden over, terwijl ik dat over Freeze eigenlijk wel ben. Zowel het libretto als de muziek, het is gewoon allemaal te veel.

Ach, het is nooit prettig om naar je eigen muziek te moeten luisteren. Zelden. Ik had het vorige week wel even met de doorloop van Rage d’'amours. Ik zat in de kelder van de Stopera naar scène 5 te luisteren, met die drie zangeressen, en ik dacht: hier hoef ik me niet voor te schamen. Maar meestal is het een kwelling. Omdat je toch ook als een soort hordeloper zit te luisteren naar zo’n uitvoering. Van: nu komt dit, en dat kan misgaan. Of van: trut, dat heb je wel eens beter gedaan. Gewoon omdat ik het stuk heel goed ken.»

Holland Festival/ Nederlandse Opera: Rob Zuidam, McGonagall-Lieder/ Rage d'’amours. Solisten: Claron McFadden, Barbara Hannigan, Young Hee Kim, Hilary Summers, Pascal Bertin, Tracey Welborn, Mark Tevis, Romain Bischoff, Quirijn de Lang, Harry van der Kamp.

Asko-Schönberg Ensemble o.l.v. Reinbert de Leeuw. Regie: Guy Cassiers. Stadsschouwburg

Amsterdam, 17, 19, 20, 21, 23, 24 juni, 20.15 uur