Festival voor persfotografie in Perpignan

Operatie Beeldenstorm

De persfotografie staat onder zware druk. Media willen meer van hetzelfde. En door de concentratie van fotopersbureaus verdwijnen de «kleinere» agentschappen, zoals onlangs het befaamde ABC in Amsterdam. Een bericht uit Perpignan, waar deze maand het vijftiende internationale festival voor persfotografie plaatsvond.

PERPIGNAN — «Eén van de redenen waarom de Grote Oorlog (de Eerste Wereldoorlog — hvs) zo lang heeft geduurd, is dat men er destijds erg weinig foto’s van te zien kreeg. Jimmy Hare, de eerste oorlogsfotograaf, probeerde foto’s te maken aan het front. De Franse geheime diensten namen zijn camera en filmrolletjes in beslag.» Het is een citaat van de grijze John G. Morris uit zijn Get the Picture. Morris is een oud-journalist bij het Amerikaanse blad Life, die ooit samenwerkte met fotografen als Chim Seymour en Robert Capa (een van de oprichters van het beruchte collectief Magnum), «Als het publiek de slachtingen die zich afspeelden in de loop graven had kunnen zien, zou het conflict op het westerse front dan niet veel eerder gestopt zijn?»

Het is een retorische vraag, maar een essen tiële. Goede persfotografie is een krachtig wapen voor humanisme en menswaardigheid, mits fotografen niet gedegradeerd worden tot beeldenfabrieken die snel moeten leveren wat de uitgevers van grote mediaconcerns willen. «Ik vind het vreselijk als uitgevers zeggen: ‹O, die beelden willen mijn lezers niet›. Daarmee gaan ze iets te gemakkelijk voorbij aan een cruciale discussie», aldus Alain Frilet, editorial director van Magnum. «We moeten niet de pretentie hebben dat we weten wat mensen willen zien, lezen en horen.» Bijvoorbeeld of ze het werk van James Nachtwey, internationaal gerenommeerd en gelauwerd fotograaf, willen leren kennen. Nachtwey was, net als talloze collega’s, bij talloze conflicten en oorlogen: in Rwanda, Ethiopië, Congo, Indo nesië, Irak, Afghanistan, Palestina, en dichter bij huis, de Verenigde Staten. «Wat is de relevantie?» vrezen die fotografen soms. «Zijn we vampiers die verdienen aan het leed van anderen?»

In een recente documentaire over zijn leven vraagt Nachtwey zich dat ook af: «Is het bijvoorbeeld mogelijk om via fotografie een einde te maken aan oorlog? Dit leek me eerst belachelijk en aanmatigend en toch motiveerde die gedachte me. De kracht van fotografie ligt in de mogelijkheid om een soort menselijkheid op te roepen. Als oorlog het ont kennen van menselijkheid is, dan is fotografie de tegenpool van oorlog. En indien goed gebruikt, kan het een tegengif zijn voor oorlog. Als een individu het risico neemt zich in een oorlog te wagen, om de wereld te kunnen melden wat er gebeurt, probeert hij te bemiddelen. Misschien houden oorlogs zuchtigen daarom niet van oorlogsfoto grafen.»

Want van alle pottenkijkers zijn fotografen nog wel het lastigst. «Als iedereen een keer de onvervalste pijn en ellende zou voelen die mensen voelen die wij fotograferen, dan zou iedereen begrijpen dat je zaken niet zo ver mag drijven dat zoiets iemand overkomt. Maar niet iedereen kan daar zijn en dat voelen, dus daarom gaan fotografen er heen om aandacht te vragen voor wat er gebeurt», aldus Nachtwey. We hebben toch televisie, een medium dat veel meer kijkers trekt? Dat klopt. Maar waar bewegende ellende op tv de publieke opinie passief en apathisch kan maken, dwingt de impact van een bevroren beeld van een fotograaf de kijker tot reflectie en betrokkenheid. Volgens Nachtwey maakt «krachtige fotografie het bedrog van massamedia ongedaan en schudt het mensen wakker uit hun onverschilligheid».

Fotografie is er niet alleen voor de registratie van ellende. Elke goede reportage is een tegengif tegen die vorm van Alzheimer en verkleutering die gepaard gaat met de commercialisering van media. Elke fotograaf in Perpignan bevestigt namelijk die trend. Ook Jean Francois Leroy, directeur en bezieler van het festival, beaamt dat de foto journalistiek een moeilijke tijd doormaakt. De financiële mogelijkheden van uitgevers zijn beperkt en het geld dat ze wél hebben, besteden ze steeds liever aan celebrities, entertainment, royalty en mode.

Toch is Leroy niet pessimistisch: «Het is niet de persfotografie die ziek is, het zijn de pers en media die ziek zijn. Fotografen zullen altijd die reportages blijven maken die ze graag willen maken. Is er geen financiering, dan zorgen ze daar zelf voor, door bijvoorbeeld met ander werk geld te verdienen. Dit festival wil hen in ieder geval een forum bieden en wil als springplank dienen.»

In Perpignan worden inderdaad foto grafen «ontdekt» door media en persbureaus. Maar voor veel zelfstandigen blijft het leuren met de fotomap in Perpignan vooral een frustrerende bezigheid. Alain Frilet van Magnum: «Er is hier veel sterk werk te zien dat nergens wordt gepubliceerd. Hoe goed Perpignan ook is, die foto’s laten zien is niet de reden waarom ze werden gemaakt. Als een tijdschrift maar tweeduizend euro overheeft voor een gedegen reportage in Afrika, betaal je daarmee niet eens je kosten. Een oorlog als in Irak is zogenaamd een gouden tijd voor de persfotografie. Maar het betekent gewoon dat er bij media minder tot geen budget voor andere onderwerpen is.»

James Nachtwey: «Het wordt inderdaad steeds moeilijker uitgevers ervan te over tuigen om kritieke thema’s centraal te stellen. De samenleving is in de ban van amusement, beroemdheden en mode. De adverteerders zijn het beu dat hun producten worden afgedrukt naast beelden van menselijke misère. Ze denken dat het hun verkoopcijfers zal drukken.»

Nachtwey wil desondanks zo veel mogelijk in massamedia publiceren. «Mijn werk is geen kunst maar een communicatiemiddel. Ik wil uitgevers van massamedia blijven over tuigen te kiezen voor thema’s die geen vlucht uit de realiteit zijn maar er juist dieper in graven. Om zo na te denken over zaken die jezelf ontstijgen. Mensen geven wel degelijk iets om de ellende van anderen. Ik denk dat uitgevers hun publiek onderschatten. Ik denk dat de mensen het echt willen weten als er onaanvaardbare dingen gebeuren. Men wil dan dat er iets aan wordt gedaan. Als wij fotografen het niet laten zien, wie dan wel?»

Magnum-directeur Frilet: «Een groot Frans tijdschrift, dat ik niet bij naam noem, is verplicht vier keer per jaar een commercieel gestuurde cover te brengen. Degenen die in de media de besluiten nemen, moeten dit debat echt dringend voeren.» Zelfs Magnum, eigendom van een collectief van zo’n vijftig fotografen, voelt de crisis dit jaar. Frilet: «We hebben geen verlies gemaakt dankzij het werk van Cartier Bresson en het openen van een Engelstalige website met 250.000 gedigitaliseerde beelden, een investering van een kleine twintig dollar per foto. We hebben nog honderdduizenden foto’s te gaan, maar daar hebben we nu even geen geld voor. Om te overleven, moeten alle fotoagentschappen de digitale brug over. Daarom vrees ik erg voor de vele kleinere agentschappen die dat niet kunnen financieren.»

Indien alleen agentschappen als Reuters, AFP, Corbis of Getty kunnen overleven, zou dat slecht zijn voor de diversiteit van de foto grafie. Die concentratie is nu aan de gang. Voormalig Life-redacteur Morris: «De onafhankelijke fotoagentschappen worden één voor één opgekocht door de twee mega-agentschappen, Corbis en Getty, al houden sommige stand, zoals Magnum. Wie betwijfelt dat Corbis een monopolie heeft, kent de wereld van het beeld niet.»

Fotografen zelf klagen eveneens over de grote agentschappen die «wurgcontracten» sluiten, bijvoorbeeld over het afstaan van hun eigendomsrecht op de negatieven. Deze beeldfabrieken zullen steeds makkelijker commerciële uitgangspunten als winst, rendement en aandeelhouders laten prevaleren boven de kern van persfotografie. Het gevaar is tevens dat zij steeds vaker zullen focussen op de grote nieuwsmomenten. Want wie de agenda van de grote «news networks» volgt, kan meer verkopen.

Daar staat volgens Frilet desondanks een positieve ontwikkeling tegenover: er ontstaan steeds meer collectieven van fotografen, die zich verenigen voor morele steun, motivatie, professionele reflectie en het uitwerken van grotere projecten. Pascal Aimar, die twaalf jaar geleden het collectief Tendance Floue oprichtte, zegt daarover: «Ik ken er veel die niet meer zouden fotograferen als die collectieven niet zouden bestaan. Het is een eenzaam beroep. Een fotograaf die in Perpignan een screening had, is na dit festival druiven gaan plukken om wat geld te verdienen. Ikzelf was het na vijftien jaar knokken beu. Wij kregen een aanbod van Sygma, dat weer eigendom is van Corbis (opgericht door Microsoft — hvs) om het werk van ons collectief te verkopen. We hebben toch geweigerd: dertig euro per foto, maar je bent je reprorechten kwijt. Die supermarkt van beeld interesseert ons niet, we willen onafhankelijk blijven. Door agentschappen als Corbis wordt het steeds meer een eenheidsworst. Wij hebben een groot project — het op onze eigenzinnige wijze in beeld brengen van de uitgebreide Europese Unie — alleen maar kunnen realiseren omdat de hoofdredacteur van het fotoblad Géo geld op tafel legde. Andere potentiële geldschieters wilden van tevoren weten wat ze konden verwachten.»

Een van die mogelijke geldschieters is Corbis, dat zich op de tweede verdieping van het Palais de Congres glossy en poenerig presenteert. Maar iets verderop staat toch nog het povere standje van agentschap Lookat, dat met werk van fotografen als de Stephan Vanfleteren bepaald geen kinder achtige catalogus heeft. Vanfleteren: «De laatste jaren, toen Corbis allerlei kleine agentschappen begon op te kopen, was iedereen in Perpignan tégen Corbis, inclusief de organisator Leroy. Men vreesde dat deze moloch alle anderen ging opvreten. Intussen heeft iedereen zich erbij neergelegd. Wat kun je er ook aan doen? Alleen je eigen ding blijven doen, en dat is dan ook wat ik doe.»

«Ach», zegt ook de jonge Magnum- fotograaf Thomas Dworzak, die veel in Tsjetsjenië en Rusland werkt, «de discussie over het vak persfotografie vind ik niet zo interessant. Het zijn de onderwerpen die me interesseren. Ik wil niet functioneren in dienst van de markt, maar gewoon mijn werk doen. En dat is het documenteren van de menselijke geschiedenis.»