Operatie-brando

ARNON GRUNBERG is sinds de verschijning van zijn roman Blauwe maandagen voor mij een van de voorbeelden geworden van de afstand die er kan bestaan tussen de schrijver als mediaverschijnsel en de schrijver als… ja, als schrijver van literair werk.

Wie de diverse min of meer culturele programma’s op tv heeft gevolgd de laatste weken, moet wel de indruk hebben gekregen dat de Grote Meester van de Hollandse Literatuur even vanuit zijn huidige verblijfplaats New York was overgekomen om de verschijning van zijn nieuwste, en nog voordat iemand deze ook maar had kunnen lezen al tot onverbiddelijk meesterwerk gebombardeerde roman Figuranten, met zijn aanwezigheid wat op te luisteren.

Gemeten naar de hoeveelheid zendtijd en paginaruimte die voor zijn persoon werd vrijgemaakt, kon men bijna niet anders dan veronderstellen dat hier nu dan toch eindelijk die reus was opgestaan die zonder de geringste moeite in zijn eentje alledrie van de al veel te lang op hun troon gezeten en ook veel te lang op hun troon overeind gehouden Grote Drie zou komen vervangen.

Hoewel, reus… Als iets de aandacht voor de persoon Grunberg inhoudelijk kenmerkt, dan is het wel zijn blijkbaar erg meelijwekkende, bleke en broze gestalte. Een groot deel van zijn mediasucces dankt hij immers aan het predikaat ‘zielig meelijwekkend geval’, een predikaat dat hij, als ik me niet vergis, tijdens een tv-uitzending van Sonja Barend naar aanleiding van Blauwe maandagen door deze bij tijd en wijle min of meer in cultuur en literatuur geïnteresseerde mevrouw opgeplakt kreeg, en dat hem blijkbaar zo goed paste dat zij de jonge auteur prompt het liefst droog leek te willen wrijven met warme zachte doeken. Het is het predikaat waar weer een andere min of meer culturele mama ongegeneerd op doorborduurde door de auteur recentelijk, nog juist voor het verschijnen van zijn roman on camera en in New York zelf dood te willen knuffelen.
IK ZOU OM al deze potsierlijkheid heel graag naar hartelust willen lachen, maar ik moet toegeven dat het mediacircus rondom literatuur mij toch telkens vooral irriteert. Niet omdat alle succesauteurs in mijn ogen al op voorhand ten onrechte zoveel aandacht zouden krijgen (iets wat je nogal eens te horen krijgt wanneer je je irritatie kenbaar maakt), maar vooral omdat het succes van zelfs die auteurs vrijwel nooit het succes van hun literatuur betreft.

Bij alle aandacht in de media valt telkens weer op dat men niet geïnteresseerd is in de literatuur, dat is: in de specifiek literaire vorm waarin een auteur een zeker verhaal heeft gegoten, maar in het 'echte’ drama dat daarachter schuil zou kunnen gaan, in de 'werkelijke’ mens achter het boek, in de 'gevoelens’ die hij heeft en die hij nu dan maar eens op een liefst wat gezellige toon voor de camera moet verwoorden.

Wat er op zo'n moment gebeurt, lijkt een beetje op zo'n opdracht in van die schoolboekjes die je het lezen van literatuur vroeger al grondig afleerden: 'Zeg in je eigen woorden wat de schrijver bedoelt.’ Alsof wat de schrijver bedoelt niet juist staat in precies de woorden die hij schreef.
Het 'literaire’ in het boek is met andere woorden vaak het te verwaarlozen en vaak ook als bijster lastig beschouwde verpakkingsmateriaal waarmee zo snel mogelijk afgerekend dient te worden. Literatuur mag niet als literatuur aandacht krijgen; literatuur is hier altijd vermomde psychologie of filosofie, vermomd persoonlijk leed dat nu dan ook maar eens zonder omhaal op tafel moet. en dat naarmate het zich beter als inderdaad persoonlijk, 'echt’, 'waar gebeurd’ laat 'ontmaskeren’, hoger gewaardeerd wordt.

Grunberg is in de media tot het prototype van het slachtoffer omgevormd, zij het tot een slachtoffer van het bijzondere soort: eentje die succes heeft - zolang hij zich in de rol van slachtoffer laat drukken, tenminste. Of dat laatste lukt, is sterk afhankelijk van wat de schrijver Grunberg doet: hoe, en zelfs òf hij zich als schrijver van literatuur ontwikkelt. Ik weet wel dat ik me met dit soort redeneringen onmiddellijk allerlei problemen op de hals haal, want alles staat of valt hier natuurlijk met de invulling van dat begrip 'literatuur’. Maar laat ik het niet al te ingewikkeld maken en op dit punt meteen kleur bekennen: ik was een van de weinige recensenten die destijds Blauwe maandagen literair gezien niet werkelijk de moeite waard vond. Veel meer dan een nogal onevenwichtig, vaak tot gapens toe langdradig verhaal met een overmaat aan goedkoop cynisme en dito lolligheid kon ik er niet in ontdekken. Dit was de zoveelste roman waarin een ik-verteller op puberale wijze weer eens niet verder kwam dan de constatering dat alles in de wereld behoorlijk waardeloos was.

IN AMERIKA is de vertaling van Blauwe maandagen wel vergeleken met J.D. Salingers The Catcher in the Rye (waarmee ook anders, zo ben je geneigd te denken). Maar als ik beide boeken werkelijk met elkaar vergelijk, denk ik bij het puberale geneuzel van Arnon in Blauwe maandagen telkens: val me niet lastig, zeg, terwijl ik bij Salingers romanfiguur Holden Caulfield van het begin tot het eind veel meer het gevoel heb dat het me aangaat (ook al is het inmiddels toch wel heel erg een boek uit de jaren vijftig). Niet zozeer omdat Caulfield qua gedachten en gevoelens nou zo'n totaal andere adolescent is dan Grunbergs Arnon, maar Salinger maakt mij in zijn boek tenminste tot medespeler, waar Grunberg mij steeds tot passiviteit veroordeelt. Salinger biedt mij tot op zekere hoogte door de manier waarop hij zijn verhaal vertelt de mogelijkheid om Caulfield te worden, om iets van zijn gedeprimeerdheid als mijn gedeprimeerdheid te ervaren. In Grunbergs roman lees je alleen maar wat een ander ervaart en dat is nooit zo opgeschreven dat die ervaring deel van mij wordt: dat het cynisme van de hoofdpersoon mijn cynisme wordt - laat staan dat ik als een klokkende inlevingskloek de neiging heb dat cynisme uit te leggen als 'eigenlijk’ de wat ruwe bolster van een best wel heel erg gevoelig jongetje dat het in deze tijd nou eenmaal hartstikke moeilijk heeft, want ook nog kind is van joodse ouders die in de kampen hebben gezeten, nou en dan weet u het wel, niet waar? Zoiets genereert bij sommigen een stroom van buitengewoon echte moederlijke gevoelens.

Bij dit alles is het uitkijken dat je de reactie in de media niet verwart met de bedoelingen van de auteur. Hoogstens kun je, achteraf, zeggen dat het soort sterk autobiografisch lijkende literatuur (Palmen, Van Dis, Van der Heijden) - ondersteund met een opmerking of twee, drie van de auteur zelf dat hij veel 'autobiografisch materiaal’ in zijn boeken gebruikt - meer kans heeft om door die media opgepikt te worden, en er zich ook beter voor leent. Maar om dat nou de auteur te verwijten…
Toch moet ik bekennen dat ik door de hele heisa er omheen met bepaald frisse tegenzin aan Figuranten begon, ja bijna met het voornemen dit al voor zijn verschijnen zo bejubelde boek beslist níet goed te vinden. Bíjna.

Dat is natuurlijk een onheuse benadering, ik geef het toe, en ik kan het ook makkelijk toegeven omdat ik na lezing van Figuranten van mening ben dat Grunberg met dit boek literair gesproken een grote stap voorwaarts heeft gezet. Nog steeds heeft hij de neiging om zaken wat al te veel uit te spinnen, wat al snel contraproduktief werkt: men gaat zich vervelen, men weet het nu wel. Het geproclameerde meesterwerk is het (misschien moet je zeggen: gelukkig) niet. Maar in tegenstelling tot Blauwe maandagen is het Grunberg hier wat mij betreft wèl gelukt om daadwerkelijk voelbaar te maken wat hij misschien, denk ik nu, in zijn vorige roman ook al wilde bereiken maar daar niet voor elkaar kreeg.

In Figuranten is het gemakkelijke cynisme uit Blauwe maandagen verdwenen: hier geen personage dat zich, overbewust van wat anderen van hem zullen vinden, vol hoon tegen juist die anderen richt, die bijvoorbeeld de vernielde levens van zijn joodse ouders als legitimatie gebruikt voor zijn eigen onverschilligheid en vervolgens eenieder die zijn onverschilligheid invoelend tracht te herleiden tot bijvoorbeeld die joodse achtergrond, genadeloos bespot en dat humor noemt. Arnon uit Blauwe maandagen gedroeg zich als een lepe moordenaar die zich tijdens zijn proces beroept op zijn moeilijke jeugd.

IN FIGURANTEN lijkt de hoofdpersoon, met de misschien wat al te opzichtige naam Ewald Stanislas Krieg, heel wat minder greep op zichzelf te hebben. Hij is iemand die duidelijk niet beschikt over de eigenschappen die maken dat je je met een zeker gemak in de wereld beweegt. Hij is niet 'mondain’, zoals hij het zelf wel noemt. Dat hij dit weet, is niet het gevolg van een abstract inzicht in zijn eigen situatie, maar juist van een voortdurend ervaren onvermogen zijn situatie, en vooral de wereld waarin hij leeft, te doorzien. Wat in die wereld belangrijk wordt gevonden, weet hij niet - of liever: hij begrijpt dat in de wereld allerlei zaken van het grootste belang worden gevonden, maar hij begrijpt niet waarom en ook niet precies welke zaken dat dan zijn. Regelmatig vraagt hij zich af wat hij geacht wordt te voelen, en zelfs staat ergens te lezen dat hij aan zijn vriend, met de ook wat opzichtige naam Broccoli, zou willen vragen waarom hij nu precies een gemeenschappelijke vriendin gelukkig zou moeten maken, en vooral hoe hij dat dan zou moeten doen. Dat hij op deze Elvira, zoals ze heet, verliefd is, dat hij het liefst altijd bij haar zou willen zijn, lijkt niet werkelijk tot hem door te dringen of durft hij niet tot zich door te laten dringen (hij stikt van de angsten voor zo ongeveer alles). Als hij één keer met haar naar bed is geweest, merkt hij alleen maar op dat hij haar steeds zou willen vragen waarom het maar één keer gebeurde en waarom niet zestig keer of nog vaker. Of juist helemaal niet.

Maar die vraag stelt hij niet, zoals hij ook zijn vriend Broccoli de eerste vraag niet stelt. Het zou ook weinig zin hebben gehad, want Broccoli en Elvira zouden het antwoord evenmin hebben geweten. Ze leven gedrieën in hetzelfde vacuüm, te midden van ouders en andere volwassenen die al even stuurloos ronddobberen. Dat vacuüm vullen ze op met dromen die hun de doorbraak naar het 'echte’ leven moeten opleveren, en dat betekent in dit geval: die hen zal verlossen van hun status van figurant. Die droom heet hier Operatie Brando, een project dat bestaat uit de poging net als Marlon Brando te worden (voor de goede orde: de dolende, je zou kunnen zeggen vacuüm gezogen Brando uit Last Tango in Paris). 'Het is een wereldwijde geheime organisatie’, oreert Broccoli, degene met de meeste idiote plannen, 'overal ter wereld zijn mensen bezig voorbereidingen te treffen om Marlon Brando te worden, of ze zijn het al, maar ze houden het nog geheim tot het moment daar is’.
OPERATIE BRANDO is een uitvloeisel van de pogingen die de drie ondernemen om beroemde acteurs te worden, iets wat op alle fronten voortdurend mislukt. Je kunt ook zeggen: Operatie Brando is een poging om zodanig samen te kunnen vallen met de rol die je in het dagelijks leven geacht wordt te spelen, dat het mogelijk is om, letterlijk, te acteren, te handelen.

Aan het begin van het boek, een proloog die speelt na de hele geschiedenis die we dan nog te horen krijgen, lees je al dat dit Krieg min of meer gelukt is. Min of meer: hij heeft visitekaartjes laten drukken waarop te lezen staat: 'Ik ben de geldwolf. Ik ben leeg van binnen.’ En dat betekent dat hij voor zichzelf een rol heeft gekozen die niet zozeer het vacuüm in en om hem heen vult, maar uitdrukt.

Wie wil, kan hier vast nog wel verder gaan en er een commentaar op onze liberalistisch-kapitalistische maatschappij in lezen, waarin metafysica en ideologie, tradities en andere richtlijnen voor het leven door de moraal van de markt zijn vervangen. Maar ik geloof niet dat het Grunbergs eerste zorg is geweest die boodschap over te brengen. Het gaat om de ontreddering waaraan zijn personages ten prooi zijn, een ontreddering die hij in zijn boek voelbaar weet te maken door haar niet expliciet als ontreddering te identificeren, maar door haar ontreddering te laten zijn. Er wordt niet uitgelegd dat de drie vrienden er wanhopig aan toe zijn, maar de wanhoop is voelbaar.
Niet in de laatste plaats door humor. Of nee, dat zeg ik verkeerd, want de humor wordt alleen ontdekt door de lezer, niet zozeer door de personages zelf. De humor waar het hier om gaat, is dan ook van het tragische soort: clownesk, af en toe slapstick-achtig, maar altijd verbonden met het diepe onbegrip voor wat anderen in de wereld het meest vanzelfsprekend vinden. Een clown vindt zichzelf niet leuk. Hij begrijpt de wereld gewoon niet.

Het is een van de middelen die Grunberg gebruikt om je als lezer tot deelnemer te maken. Hij heeft, althans grotendeels, afgezien van het psychologiseren en filosoferen, van het verklaren, al laat hij zich er af en toe nog steeds wel toe verleiden. Hij heeft gepoogd in deze roman te laten zíen, te tónen, en de conclusies aan de lezer te laten. Hij heeft, om het wat dramatisch te zeggen, met Figuranten dus voor literatuur gekozen. Dat de roman hier en daar wat te uitgesponnen is, dat hij niet overal het gevaar heeft weten te bezweren dat clowneske humor met zich meebrengt wanneer die te lang wordt doorgevoerd en er derhalve wat melige pagina’s in het boek staan, is daarbij van minder belang. Figuranten is gewoon een aardig boek. Niet meer. Ook niet minder.

Dat het in medialand gevierd wordt als meesterwerk, als de nieuwste literaire topprestatie van deze nog steeds jonge auteur - het is voor die auteur zelf misschien aangenaam of minder aangenaam. Hij heeft er weinig over te zeggen, weinig mee te maken ook. Misschien dat zijn boeken voor hem een soort Operatie Brando zijn: een manier om te handelen in een bizarre wereld waar dames op leeftijd hem voor de camera zo graag verstikken met hun door hem volstrekt niet begrepen compassie en zorgzaamheid.
En misschien is zelfs dat niet het geval, noch doet het er iets toe. Wat ertoe doet, is dat Grunberg met Figuranten mij als lezer meestal tot medeplichtige van zijn personages wist te maken, en zo iets voelbaar wist te maken dat misschien met hemzelf, in ieder geval met zijn personages, maar zeker ook met mij van doen had.