Operatie omdenken

Zuid-Afrika moet een ander land worden en daarbij hoort een ander leger. Een non-raciale, gefeminiseerde vredesmacht, waar het voormalige ANC-guerrillaleger integraal deel van uitmaakt. Mooie idealen, maar hoe ziet de praktijk eruit? Verslag van een driedaagse integratiecursus.
Alle namen van de in dit verhaal voorkomende personen zijn uit overwegingen van privacy veranderd.
IN DE OPKOMENDE ZON boven de snelweg naar Pretoria tekent zich op een heuvel links het Voortrekkermonument af, hoekig en bruin als een enorm broodrooster uit de jaren vijftig. Een metalen wachttorentje op drie magere, twintig meter hoge poten aan de rechterkant van het viaduct voor de afslag doet denken aan de marsmannetjesvoertuigen van H. G. Wells. De afslag kronkelt naar links door de heuvels, tot in de restricted area van de legerbasis Voortrekkerhoogte. Tot voor kort piekerde de gemiddelde zwarte er niet over hier ook maar een voet te zetten - tenzij het een zwarte van de special operations-groep van Umkhonto we Sizwe (MK) betrof, natuurlijk. Legendarisch is in de geschiedenis van de struggle de raketaanval op Voortrekkerhoogte door een guerrillacommando.

Nu is alles anders: geheel legaal rijd ik als passagier naast een voormalig lid van Umkhonto in een officieel militair voertuig door het toegangshek. De wacht salueert. Een gezette blanke luitenant met sterren op zijn uniform heet ons vriendelijk welkom, al brengt de aanwezigheid van een journalist hem merkbaar uit zijn evenwicht. Tersluiks kijkt hij naar de dameskolonel die mij heeft meegebracht, om zich dan vermoedelijk weer te realiseren dat tegenwoordig alles anders is. Strategische posities hoeven niet meer beschermd te worden tegen de vijand, want de vijand zit al lang hier op Voortrekkerhoogte: de dameskolonel, vroeger zelf een terrorist, is tegenwoordig zijn superieur. Hij vermant zich en glimlacht weer.
Op Voortrekkerhoogte is de integratie van voormalige vijanden, van blank en zwart, van apartheidsleger en guerrillatroep, begonnen. De voormalige blanke vechtmachine moet het voormalige guerrillaleger van het ANC in zich opnemen - en niet alleen als ondergeschikte infanteriesoldaten, want dat soort zwarten had het apartheidsleger altijd al wel, maar als gelijken. Ook vrouwen worden tegenwoordig aangemoedigd zich te melden bij het leger, en ze worden aangesteld ook, hier en daar zelfs al buiten de keuken of de administratie.
Als klap op de vuurpijl worden ook homo’s sinds een aantal maanden officieel geaccepteerd. Het moet, zo luidt het nieuwe beleid, afgelopen zijn met het leger van Ubermanner dat zo lang schrik en terreur zaaide in Afrika: een non-raciale, gefeminiseerde vredesmacht is in de maak, een instituut dat helpt rondom het vluchtelingenkamp, bij burgeroorlog en overstroming.
HET IS DUS TIJD voor een fikse ‘terugspoeling’ van de hersenen op Voortrekkerhoogte. PIP heet het, het Psychologische Integratie Programma dat sinds kort losgelaten is op het Zuidafrikaanse leger. Het is ontwikkeld door Zuidafrikaanse psychologen en het stimuleert antiracisme, antiseksisme en zo nog het een en ander. Twee cursuslokalen aan de rand van de vliegbasis zijn vrijgemaakt voor de sessies van deze maand. De groepen zijn naar kleur, sekse en politieke achtergrond gemengd, alleen zal het ene lokaal de hogere rangen, het andere de lagere herbergen. Want verschil blijft er toch, in het leger.
Voor aanvang van de eerste sessie is de sfeer op het pleintje voor de lokalen te snijden. Blanke mannen en een enkele blanke vrouw staan aan de ene kant, een groepje zwarte mannen aan de andere. Er ligt wel zeven meter stoep tussen de beide groepjes; oversteken is een daad waarbij je de ogen voelt prikken in je rug. Voor de zwarten zijn de blanken bezettingstroepen, moordenaars van familie en vrienden in de townships, en vernietigers van de frontlijnstaten. Voor de blanken zijn de zwarten ongeschoolde primitievelingen en communisten, die de mooie posities en rangen in 'hun’ leger cadeau hebben gekregen omdat het ANC nu toevallig in de regering zit. Twee van de blanken, een luitenant-kolonel en een majoor, grommen dat ze hier 'onder protest’ zijn en helemaal niet willen integreren. De rest van het groepje lijkt zich al bij de nieuwe regels te hebben neergelegd en zoekt nog slechts naar manieren om de oude routine en het oude wereldbeeld zoveel mogelijk intact te houden. 'Er is niets nieuws aan deze cursus’, zegt een vrouwelijke majoor. 'We moeten de zwarten helpen, ze moeten leren hoe het er in een echt leger aan toegaat. Maar dat doen we in de South African Defence Force al zo lang.’
DE EERSTE CURSUSOEFENING (in 'transculturele communicatie’) levert van deze hulpvaardige basishouding enige pregnante voorbeelden op. Het gaat er hier om een 'voorwerp naar keuze’ uit te leggen aan iemand van 'een andere achtergrond’ en de blanke majoor Edwin doet zichtbaar moeite om geduldig en vriendelijk te blijven als zijn zwarte collega Paul niet direct accepteert dat Edwins zakrecordertje vooral geschikt is 'voor politiewerk en voor de geheime dienst’. 'Ik kijk daar anders tegenaan. Ik kom immers van Mars’, zegt Paul keurig volgens het handboek, waarop Edwin toch zijn geduld verliest: 'Ga dan terug naar Mars!’ Zijn collega Esmee, de enige blanke vrouw van het gezelschap, probeert aan de zwarten om haar heen de werking van haar haarborstel uit te leggen. Niemand wijst haar erop dat een 'blanke’ haarborstel niet geschikt is voor kroeshaar.
In de theepauze komt met onzekere stappen majoor Edwin op me af. Hij deelt me, wat nerveus om zich heen blikkend, mee dat hij bij uitstek de persoon is die me kan 'inlichten over de integratie’, omdat hij daarvoor 'van hogerhand’ is aangesteld. De kleine magere man kettingrookt, zijn blauwe ogen staren wijdopen in de mijne. Hij legt uit hoe er 'vanwege de bevolkingssamenstelling’ heel veel zwarten het leger in 'geholpen’ moeten worden. 'Ze moeten leren te werken in een echt leger, met discipline.’ Dan, met zijn stem dalend tot gefluister: 'Daar heb ik geen moeite mee. Ik heb een hele lage RC-factor.’ RC-factor? Majoor Edwin kijkt nog een keer schichtig om zich heen. 'Resistance to change, dat heb ik niet.’ Ik vraag hem of hem 'van hogerhand’ ook is verteld dat het niet alleen om zwarten per se gaat, maar ook om zwarten in hoge, beleidsmakende posities. 'Positieve actie’, knikt majoor Edwin bevestigend, om aan dat begrip vervolgens een verrassende interpretatie te geven. 'Heb ik ook gedaan. Zwarten aangesteld op functies die hun ver boven de pet gingen. Daar heb ik geen moeite mee.’
Over zichzelf en zijn ervaringen in de South African Defence Force (SADF) van voor 1994 praat hij niet graag: 'Dat was situatie X en nu zitten we in situatie Y.’ Ja, geeft hij desgevraagd toe, hij was in Angola en nee, dat was niet leuk. 'Ik leed aan wat ze Post War Syndrome noemen. Ik was helemaal in de war toen ik eruit kwam. Ik dronk, ik smeet al mijn geld over de balk, ik ging naar de hoeren.’ Ik vraag hoe het voelde toen het ook nog eens allemaal voor niets was gebleken, toen de voormalige vij anden zijn regering overnamen. Hij knikt, zijn ogen nog steeds recht in de mijne turend. 'Dat maakte het nog erger. Maar toen had ik geluk. Ik werd op de integratie gezet en that pulled me right out of it.’
'Natuurlijk’, roept hij als ik ten slotte vraag of hij denkt dat de integratie het leger ook beter maakt. 'Die MK-jongens zijn getraind in Rusland, Duitsland, Cuba! Met al die internationale ervaring worden we de machtigste vechtmachine van Afrika!’
IN HET LOKAAL der lagere rangen, waar ik de middag doorbreng, heeft men - althans, hebben de blanken - daar nog niet zoveel fiducie in. 'Die zwarten kunnen toch niets! Die komen hier maar een beetje mooi weer zitten spelen zonder ervoor gewerkt te hebben’, zegt sergeant Pieter, die zich vol vuur met het 'bevooroordeelde karakter’ in het voor deze sessie voorgeschreven rollenspel identificeert. Om hem heen wordt geknikt.
Maar dan neemt, voor het eerst sinds de aanvang van de cursus, een zwarte MK'er het woord. De overduidelijk jarenlang aan politieke scholingen en discussies blootgestelde Martin heeft het over de effecten van apartheid en over de betekenis van de guerrilla; hij meldt, ontwapenend glimlachend, dat je zestien jaar ontberingen in een slecht geoutilleerd legerkamp in een ballingschapsoerwoud toch zeker wel 'werk’ kunt noemen; hij houdt de blanken voor hoe juist zij in dit land altijd alles voor niets kregen en verklaart vervolgens hoe positieve actie wel en niet zou moeten uitwerken. Met open mond luisteren de blanke lagere rangen naar dit betoog: in hun leger werd het spreken 'over politiek’ doorgaans bestraft met dertig dagen zwaar, of erger. 'Maar bedoel je dan dat goede zwarten er expres onder gehouden worden en domme zwarten expres bevorderd?’ vraagt een andere sergeant die kijkt alsof hij het in Kaapstad heeft horen donderen. 'Ja’, zegt Martin. 'Dat heet tokenism.’ Om tenslotte te vertellen dat op de basis waar hij gelegerd is, laatst een groepje rondhangende zwarten in elkaar geslagen werd door een bataljon van een AWB-gezinde commandant 'omdat hij vergeten was dat dat zijn eigen nieuwe recruten waren’. 'Ja maar’, zegt de tweede sergeant weer, 'dat heb je toch overal.’
'ER MOET NIET nagedacht worden in het leger’, zegt sergeant Pieter terwijl hij krachtig in zijn koffie roert. 'En al helemaal niet gekritiseerd. Daar zijn wij niet voor.’ Pieter is van het simpele bevel-is-beveltype; hij geeft ronduit toe dat hij en zijn maten 'gehersenspoeld’ zijn en dat dat ook zo hoort in een leger. 'Ja, ook in het Duitse van de oorlog. Als Himmler jou iets opdraagt, zeg jij dan “Nee, dat doe ik niet”?’
Pieter protesteert, weer terug in de klas, echter wel luidkeels tegen de melding van de trainer dat hij zijn eigen werk de komende maanden opzij zal moeten zetten voor het 'pippen’ van zijn eigen eenheid. 'Wie PIP volgt, gaat PIP geven’, zegt de trainer. 'Dat is nu eenmaal het systeem.’ 'Then change that system!’ roept de zoeven nog zo gedisciplineerde sergeant.
Is er wel een beginnen aan? 'Ze willen niet veranderen’, zei Busi vorige week nog, moedeloos en alweer een dag met hoofdpijn thuis. Busi, vroeger commandant van een MK-eenheid, werkt nu in een lagere rang op een kantoor van een andere legerbasis in Pretoria tussen de blanke mannen. Ze spreekt geen Afrikaans; ze kent voor veel oude Defence Force-begrippen de terminologie niet. Ze is hun superieur, maar ze luisteren niet naar haar, doen vaak alsof ze haar niet horen als ze iets zegt, of antwoorden expres in het Afrikaans. 'Ze verwijten me zelfs recht in mijn gezicht dat ik geen ervaring heb in een echt leger als de SADF. Ze lijken helemaal niet te begrijpen dat er in dit land zo'n dertig miljoen mensen zijn die hun leven lang probeerden om alsjeblieft maar geen ervaring te hebben met de SADF. They are thick.’
Of het dan nu niet anders was, vroeg ik: het leger stuurt toch allang geen tanks meer de townships in, en de meest vernietigende commandotroepen, die zich specialiseerden in het martelen en in het platbranden van dorpjes, zijn opgeheven. Maar dat wist Busi zo zeker nog niet. 'Er is nog steeds een old boys network dat oude activiteiten als illegale wapenhandel heeft geprivatiseerd. Hoe weet ik of ze Inkatha niet nog steeds bevoorraden? Geen vinger krijg je er achter, en ik durf er niet eens veel tijd aan te besteden om dat toch te proberen. Ik vermoed dat de telefoon op mijn werk wordt afgeluisterd.’
Busi wilde niet beweren dat het PIP-programma nergens goed voor was. 'Maar met alleen psychologie kom je er niet, er is veel meer aan de hand. Een legerbasis in de Oranje Vrijstaat heeft in mei de verjaardag van het bloedbad van Cassinga (een door Zuidafrikaanse veiligheidstroepen aangerichte slachting onder Angolese dorpsbewoners en Namibische vluchtelingen in 1978 - eg) gevierd en het enige wat onze minister (voormalig MK- commandant Joe Modise - eg) daarop te zeggen had, was dat er een onderzoek ingesteld zou worden door generaal Meiring. Generaal Meiring, een van hen! Het lijkt wel ze daar aan de top denken dat transformatie vanzelf gaat. Of misschien zijn ze te druk bezig met te leren hoe het er in een echt leger aan toe gaat.’
Busi verdenkt de nieuwe ANC-topmannen in het leger er soms van dat ze het maar al te leuk vinden om echte tankdivisies te inspecteren, samen met echte generaals. 'Ze hebben een minderwaardigheidscomplex omdat ze “maar guerrillastrijders” waren en nu doen ze hun best om de “echte generaals” te laten zien dat ze heus wel mee kunnen komen. En wij zitten met de brokken.’
OP DE OCHTEND van de tweede dag begint er althans in onze groep toch iets te komen: voor aanvang van de les bedenken majoor Edwin, luitenant Adriaan, majoor Gert en sergeant Anna dat er wellicht ook goede kanten zijn aan de verandering. 'Nu met de democratie moet de Military Intelligence ons voortaan precies uitleggen waarom ze iemand als een veiligheidsrisico beschouwen’, zegt Adriaan hoopvol. Hij kent jongens wier carriere door zo'n arbitrair stempel volkomen werd verwoest.
'En we hebben nu porno’, zegt Edwin. 'Hoeven we dat niet meer uit Holland te smokkelen.’
'Maar de hoeren hier, die zijn nog steeds wel te duur’, doet Gert een duit in het zakje. Waarop ik hem vertel dat er volgens mij bij het busstation van het Baragwanath ziekenhuis al seks te krijgen valt voor een blikje frisdrank en een zakje chips. De mannen krijgen ogen als schoteltjes. 'Baragwanath, waar is dat’, vraagt Edwin gretig en nu is het mijn beurt om verbaasd te zijn. De Baragwanath- afslag is de toegangsroute tot Soweto en het leger is daar in het recente verleden toch vaak langsgekomen. Zijn ze dan letterlijk blind geweest, al die tijd?
Het is even stil als ik 'Soweto’ heb gezegd. Dan, aarzelend, zegt Edwin: 'Maar er zijn ook heel arme blanke hoeren, hoor.’
VOOR DE DISCRIMINATIE-oefening waarmee deze cursusdag begint, worden de deelnemers onderverdeeld in 'korte’ en 'lange’ en beginnen de trainers gewichtig te spreken over 'Amerikaanse research’ die zou uitwijzen dat korte mensen intelligenter en creatiever zouden zijn dan lange. Er wordt hier en daar gegniffeld om wat overduidelijk 'een spelletje’ is, tot de trainers ronduit beledigend worden: 'langen’ worden genegeerd als ze iets zeggen terwijl pluimgestreken wordt naar de 'korten’. In de andere klas horen we sergeant Pieter, die groot, lang en breed is, vloeken en tieren; onze 'langen’ houden het bij wat zuur gegrijns en gemok. Alleen de drie zwarten die de lange groep telt, pogen de 'anti-langenresearch’ met argumenten te bestrijden. Vooral Mbongeni, de rijzige Zulu, betoogt luid en heftig dat 'als dit in een boek staat, dat het dan een boek van niks is’.
'Jullie namen het echt serieus he’, steekt de trainer na afloop de draak met de lange zwarten. 'Hadden jullie niet door dat het maar een spelletje was?’ 'Hoe moet ik nu weten’, vraagt Mbongeni de - blanke - trainer streng, 'dat jullie het voor de verandering nu eens niet menen?’
In het nagesprek worden de deelnemers geacht individueel te vertellen over 'eigen ervaringen met discriminatie’. Enkele van de blanken geven voorbeelden van banen of promoties die hun ontgingen vanwege een of ander onrecht. De zwarte deelnemers zijn opmerkelijk stil. Ze lijken er weinig zin in te hebben om hun ervaringen met discriminatie op een lijn te stellen met de genoemde 'blanke’ gevallen. ('Dat is een probleem met het PIP’, zal een van de samenstellers van het project later toegeven. 'Het gaat niet over apartheid; het oude blanke deel van de legerleiding vindt dat we het niet over “politiek” mogen hebben. Het resultaat is een reeks neutrale oefeningen over “ieders” neigingen tot stereotypering en “ervaringen met discriminatie”.’) Het is Roberto, de Kaapse luchtmachtkapitein, die, na even peinzend in het rond gekeken te hebben, diep ademhaalt en het zelf maar zegt. 'Ik ben nog nooit gediscrimineerd. Ik ben een blanke man. Wie zou mij nu discrimineren?’ Drie van zijn soortgenoten kijken hem aan, peinzend, en dan elkaar. Nee, schudden ze nu alledrie, zij zijn nog nooit gediscrimineerd. Het is alsof er in de groep een enorme ontdekking is gedaan.
Dan steekt Adriaan, schuchtere, grote, onhandige Adriaan, zijn vinger op. 'Ik voel me wel gediscrimineerd’, zegt hij balsturig. 'Of liever: gepakt. Al die jaren zijn mij, en jullie ook, in dit leger dingen verteld… onzindingen. Begrijp me goed, dit is geen bekentenis of zo, en ik zeg zeker niet dat iets me spijt, maar dat wou ik even kwijt… Wij zijn in zekere zin ook slachtoffers. Niet dan?’ Steunzoekend kijkt hij de groep in, waarin nu voor het eerst een glimp zichtbaar wordt van de oude SADF. Zoveel blanke jongens die zelfmoord pleegden, die aan de drugs gingen, krankzinnig werden. Alleen in de wandelgangen hoor je die verhalen, en van Michael, de trainer-psycholoog, die tientallen van zulke gevallen onder zijn hoede heeft. 'Nou ja, dat wou ik gewoon even kwijt’, schokschoudert Adriaan verlegen als niemand reageert.
HOE HIJ, OP EEN treinreis met zijn echtgenote, door pasjespolitie werd vastgehouden, geslagen en uitgekleed, vertelt Paul pas op de ochtend van de derde dag, als de 'unfinished business’ op de agenda staat. En Vivian, die erbij zegt dat ze het bij het vertellen van een ervaring zal houden omdat de rest te pijnlijk is, komt met een voorbeeld uit haar jeugd, van hoe haar vader voor haar ogen door blanken in elkaar werd geslagen. Door jullie, hangt het onuitgesproken maar zwaar en voelbaar in de lucht. Door jullie.
Maar aan de schuldvraag wil geen blanke. 'Het is over, voorbij, klaar’, vindt majoor Esmee. 'Dat gepraat over schuld haalt maar oude wonden open.’ 'Precies!’ roept Adriaan. 'Kijk maar naar de Commissie van Waarheid.’ Vivian, die voorzichtig en aarzelend bij dit groepje is komen staan, probeert met een allerbegripvolste glimlach - een glimlach die je vaker ziet bij zwarten in gesprek met blanken over dit onderwerp; ik ben niet kwaad, je hoeft niet bang te zijn, zegt die - duidelijk te maken dat het verleden pas klaar is als ermee is afgerekend. 'En dat betekent dat iemand moet zeggen wat er gebeurd is en wat zijn rol daarin was. Je hoeft niet de gevangenis in, je hoeft voor mij niet eens sorry te zeggen. Alleen erkenning, dat is belangrijk.’
Adriaan denkt daar even over na, Esmee blijft glashard en onwillig voor zich uit staren. 'What’s done, is done’, herhaalt ze.
Later zal Adriaan, onhandige Adriaan die nog wel eens een opmerking recht uit zijn hart wil maken, me zacht en ernstig vragen wat ik nu echt van hen denk, van hem en de andere blanke soldaten. Ik weet het niet, zeg ik. De soldaten van het Duitse leger van na 1945 misschien, al heb ik er daar nooit een van gekend. Hij knikt bedachtzaam. 'Dat is fair. Maar waarom valt niemand onze superieuren aan? Waarom krijgen wij alle gezeur en zij de ene gouden handdruk na de andere?’
Meer en meer beginnen ook de andere blanken met het uitdelen van speldeprikken naar de generaals die voor de integratie al met pensioen gingen en daar meer dan rijkelijk voor werden beloond. 'En ik moet gedwongen integreren, ik mag geeneens ontslag nemen’, mokt een luitenant-kolonel. Een majoor verwijst, zacht, naar de opgeheven commando-eenheden die de 'echte misdaden’ op hun geweten hebben. 'De meeste leden daarvan zijn ook al allemaal weg. Voor zichzelf begonnen.’ Hij doet er met een wetende blik het zwijgen toe, maar voordat ik over de Derde Macht, Unita en Inkatha kan beginnen, posteert kolonel Jim zich weer eens vlak voor me. Of ik niet vind, vraagt hij gretig, dat hij een heel mooi non-raciaal en tolerant lied voor het nieuwe democratische leger heeft geschreven? Tot merkbare weerzin van zijn kompanen barst Jim dan uit volle borst los in een 'Let the sun shine in, all of us are equal’-tekst, wrakkig gepast in een melodietje van een bekende tv-reclame.
Iedereen heeft een hekel aan kolonel Jim. Hij is een stroopsmeerder die voortdurend in de krant probeert te komen met vleierige opmerkingen over zijn nieuwe bazen en het nieuwe beleid. Hij doet alsof hij zijn eigen collega’s ver vooruit is qua antiracisme en democratisering, maar dat is schijn, want juist hij is de verklikker in ons gezelschap. Het was kolonel Jim die op de eerste dag van de cursus al mijn dossier bleek te hebben gelicht en in een eerste kennismakingsgesprek per ongeluk liet vallen dat hij wist dat ik een dochter had.
ONDANKS - of misschien juist dank zij - de weerzin die kolonel Jim alom oogst met zijn overdreven politiek-correcte slogans en clubliederen, vindt er in de loop van de derde dag snel verbroedering plaats. De zelfbenoemde 'racisten’ Pieter (blank) en Martin (zwart) hebben ontdekt dat ze uit dezelfde stad komen (de een van de boerderij, de ander uit de township, maar toch) en vertellen elkaar, in harde woorden maar ook onder luid gelach, precies wat ze van elkaar vinden. Ook de meeste andere PIP-deelnemers zijn de pijnlijke, argwanende beleefdheid voorbij. Blanken durven het beladen woord 'apartheid’ uit te spreken en proberen voor het eerst in hun leven hun plaats in 'het vroegere systeem’ onder ogen te zien. Zwarten hebben op hun beurt de moed bijeengeraapt om te praten over hun gevoelens van pijn en wraak.
In de officiersmess, waar dan, eindelijk, na afloop, het bier op tafel komt, blijken de mannen het althans over een aantal zaken van belang roerend met elkaar eens. Vrouwen moeten de was doen, thuis zijn voordat de man van zijn werk komt, koken en het eten dan ook nog liefst op de knieen komen brengen. 'Zoals in de Westafrikaanse cultuur, toch?’ vraag majoor Gert, vragend opkijkend naar de MK'er die hem daarover verteld heeft. 'De Westafrikaanse cultuur, mannen, dat is wel de beste om in ons nieuwe leger te introduceren’, roept hij na de bevestigende knik onder luide bijval. 'Van Zuidafrikaanse mannen zullen ze nooit sissies maken!’
Als ik de groep eraan herinner dat het nieuwe beleid toch ook vrouw- en homovriendelijk wil wezen, wordt er tien minuten lang ongegeneerd aan homohaat gedaan. De gemoederen raken zo verhit als ik ze in drie dagen PIP niet heb meegemaakt: wangen worden rood, of in het geval der zwarten glimmend paars, vuisten slaan op de bar. 'Als ze mietjes op me afsturen, zul je hier bloed zien! Bloed en tranen!’ roept de weer van zijn meditatieve bui herstelde Adriaan, en Mbongeni doet in het vuur van zijn betoog zelfs mimisch voor hoe je je toch ook kunt aftrekken in plaats van dat met een andere vent te doen.
MK'ster Vivian, die tijdens de cursus een aantal vruchteloze pogingen heeft gedaan om het eens te hebben over wat er, behalve de kleurschakering, verder nog veranderen moet in het leger, drinkt haar cola zwijgzaam in een hoek van de mess. Zij weet ook wel, zegt ze, dat het nog moeilijk wordt om met 'dat stelletje’ een vredesmacht te organiseren. 'Mannen blijven altijd obstakels. Maar ik hoop dat we tenminste een beetje op een normaal leger gaan lijken. Zoals in andere landen. Dan kunnen we daarna verder zien.’