Irak 2: De verzwegen militaire risico’s

Operatie wurgslang

De zwaarste slag die Amerikaanse troepen leverden met al-Qaeda mislukte volledig. Dat doet het ergste vrezen voor een eventuele strijd in Bagdad. Als het Irakese leger heeft geleerd van al-Qaeda, hebben de Amerikanen een probleem. Toch zwijgen de politici over de militaire risico’s.

Begin februari dachten Amerikaanse commandanten dat ze al-Qaeda eindelijk in het nauw hadden gedreven. Al sinds de val van Kaboel in november 2001 speelden Amerikaanse troepen een kat-en-muis-spel met de guerrilla’s in de zuidelijk gelegen bergen, maar het lukte niet hen uit de tent te lokken. Nu waren er inlichtingen dat al-Qaeda de krachten had gebundeld in de Shahikot-vallei, een steil aflopende kloof dicht bij de Pakistaanse grens. De Amerikaanse commandant, generaal-majoor Franklin «Buster» Hagenbeck, was in zijn nopjes. Helemáál omdat de beslissende veldslag zou worden uitgevochten door het leger in plaats van door de mariniers, zijn aartsrivalen. Zij hadden hun krijgseer al behaald met een aanval op Kandahar. Nu was het leger aan de beurt.

De troepen opbouw duurde weken. Dat was het gevolg van Washingtons beslissing, vroeg in de oorlog, om geen grote hoeveelheden grondstrijdkrachten naar Afghanistan te sturen. Het plan was simpel: Afghaanse eenheden zouden met Amerikaanse luchtsteun aanvallen vanaf de oostelijke hellingen, terwijl Amerikaanse troepen in het westen op zeven plekken zouden landen. De Afghanen zouden al-Qaeda de westelijke helling op drijven — recht in de geweerlopen van de wachtende Amerikanen. De operatie werd Anaconda gedoopt, naar de gigantische wurgslang die zich om zijn prooi slingert.

Tijdens de voorbereidingen bleven de al-Qaeda-troepen netjes waar ze waren. Toch had Hagenbeck problemen. Zijn eigen eenheid, de 10th Mountain Division, zou de aanval leiden. Maar ondanks hun naam bleken de troepen niet fit genoeg om op grote hoogte te vechten. Een ander punt was het tekort aan artillerie. Artillerie werd door het leger, dat zeer onder de indruk was geraakt van zijn high tech-uitrusting, beschouwd als «oude oorlogvoering». In de begindagen van de Afghaanse oorlog hadden Amerikaanse vliegtuigen de Taliban-posities in de open vlakten uiteengereten. Maar nu was het terrein anders.

Al-Qaeda en de Taliban-eenheden die zich bij hen hadden aangesloten, hadden hun vallei goed gekozen. De Shahikot-kloof loopt van noord naar zuid en wordt omsloten door twee steile bergkammen die wemelen van de grotten: ideale schuilplaatsen. De Amerikanen zouden zich stilhouden, terwijl de Afghanen zouden fungeren als mokers die de prooi in hun richting zouden slaan. Maar de Afghaanse troepen hadden een slechte reputatie. Toen in december al-Qaeda-eenheden — met naar verluidt Osama bin Laden in hun midden — zich hadden verzameld bij het grottencomplex van Tora Bora, kregen Afghaanse eenheden de opdracht een cordon rond het gebied te leggen, terwijl Amerikaanse toestellen de grotten bombardeerden. Maar de Afghanen lieten zich omkopen of besloten simpelweg in leven te blijven door het cordon te verlaten, en al-Qaeda ontkwam.

Toch werd dezelfde strategie gekozen voor operatie Anaconda, die werd gelanceerd op 2 maart. Het ging ogenblikkelijk fout. Berichten over de ophanden zijnde aanval, waarschijnlijk doorgespeeld door Afghaanse troepen, bereikten al-Qaeda en zij waren het die als eerste toesloegen. Ze lanceerden een verrassingsaanval met mortiergranaten («de artillerie der armen») die paniek veroorzaakte onder de Afghanen. De Amerikanen vroegen om luchtaanvallen, maar daarbij werden per ongeluk de Afghaanse bondgenoten geraakt. Diverse militairen kwamen om, waaronder een Amerikaanse commando.

Hagenbeck beval dat de operatie moest doorgaan. De Afghanen herstelden zich en lanceerden hun aanval op de oostelijke berghellingen. Intussen verzamelde zich bij de luchtmachtbasis in Bagram een enorme helikoptermacht, aangevoerd door tweemotorige Chinooks. Troepen van het 87ste regiment van de 10th Mountain Division klauterden aan boord, samen met twee parachutistenregimenten van de 101st Airborne Division, delen van een Ranger-regiment, speciale eenheden en een complete brigade van hoofdkwartierpersoneel. De meer dan tweeduizend troepen moesten 160 kilometer verderop worden gedropt op zeven verschillende landingsplekken langs de westelijke bergrug. Opnieuw bleek de voorbereiding slecht. Verbijsterend genoeg bleken de landingszones niet bewaakt te zijn door vooruitgeschoven teams. Waarschijnlijk waren die eenheden niet aanwezig omdat men vreesde voor een voortijdige ontdekking van de operatie.

Ook de gebrekkige training leidde tot problemen. Het credo bij oorlogvoering in de bergen luidt: kies een positie hoger dan die van de tegenstander. Twee maanden later werden Britse mariniers in dezelfde bergen afgezet op de hoogst mogelijke plekken. De Chinooks van de Britten worstelden met een harde wind, terwijl de afgezette mannen weg glibberden op bevroren bergrichels van soms nog geen meter breed. De Amerikaanse piloten kozen echter conventionele landingsplekken. Bij dageraad zetten zij hun troepen af — midden in een al-Qaeda-hinderlaag. De Amerikanen renden voor dekking, terwijl om hen heen mortiersalvo’s insloegen. Bij één landingsplaats raakten 28 man gewond. Velen werden slechts gered door hun Kevlar-scherfvesten, een high tech-vinding die wél zijn nut bewees.

Er werd luchtsteun opgeroepen. Maar de bommenwerpers werden telkens gehinderd door een tekort aan brandstof of bommen. Omdat ze geen veldgeschut hadden, hadden de Amerikanen lange tijd geen mogelijkheid om de vijand terug te dringen. De luchtmacht zette verwoestende wapens in. Onder meer de thermobarische bom, die eerst een benzinewolk verspreidt en dan ontploft, waardoor een gebied ter grootte van een voetbalveld wordt opgeblazen. Andere bommen werden «bunker busters» gedoopt, omdat ze door massieve steenlagen konden dringen. Maar deze wapens waren nauwelijks effectief in het rafelige terrein van de Afghaanse bergen. Bovendien bevonden de Amerikanen zich lager dan hun aanvallers, waardoor ze maar bar weinig doelen hadden die ze voor de bommenwerpers met hun lasers konden aanstralen. Bazooka-teams van al-Qaeda patrouilleerden op de hellingen en vuurden van twee tot drie kilometer afstand ongehinderd antitankraketten af op de Amerikaanse posities.

Nog weken later werden berichten over deze chaos weggedrukt. Daarna werden via de media afgezwakte verhalen verspreid die de schok moesten minimaliseren. Een van de eersten die een ander licht op de zaak wierp was Dan Plesch, verbonden aan het Royal United Services Institute in Londen. Plesch ploegde zich door verschillende verhalen van individuele soldaten in hun plaatselijke kranten, verspreid over Amerika. «Zodra je soldaten naar huis stuurt, beginnen ze te praten», vertelde hij. «En dan begint het op te vallen dat ze op veel plaatsen overhoop geschoten zijn.»

De verhalen van de soldaten tonen de escalerende paniek tijdens de operatie. Aan het einde van de eerste dag renden de hospikken van man naar man om te proberen in de vriesnacht de gewonden in leven te houden. Er werd een nachtelijke evacuatie van gewonden op touw gezet, maar de helikopters kwamen onder vuur te liggen. De volgende dag werden Apache-aanvalshelikopters te hulp geroepen. Normaal gesproken opereren die van kilometers afstand, maar nu moesten ze van dichtbij de vijandelijke posities bestoken met raketten en machine geweervuur. Sneeuwstormen dwongen hen nóg dichterbij te gaan. De al-Qaeda-eenheden misten effectief luchtdoelgeschut, maar door de kleine afstand konden ze hun machinegeweren en zelfs hun antitankraketten gebruiken, met ernstige gevolgen. Bepantsering redde de bemanningen, maar vijf van de zeven helikopters raakten zo zwaar beschadigd dat ze teruggetrokken moesten worden.

Het werd nog erger. Op de derde dag zonden de Amerikanen twee teams met speciale eenheden in Chinooks de vallei in. Opnieuw bleek hun landingsplek bezet door al-Qaeda-troepen. Net toen een van de helikopters landde, raakte een antitankraket de neus. Het toestel schoot omhoog, een marinecommando viel naar buiten. De man werd pas gemist toen de helikopter een mijl verderop een noodlanding maakte. Er was niet voorzien in dekking door andere toestellen. Slechts één onbemand Predator-spionagevliegtuigje was nog in de lucht en Amerikaanse commandanten moesten machteloos toekijken, via de camera van de Predator, hoe al-Qaeda-soldaten op de eenzame Amerikaan afkwamen. Speciale eenheden waagden een haastige reddingsactie zonder luchtsteun. In de strijd die volgde, sneuvelden nog eens zes Amerikaanse militairen, terwijl de marinecommando al was geëxecuteerd.

Nu werden B52’s ingezet om het (lege) dorp Shahikot op de bodem van de vallei plat te bombarderen. Hamid Karzai, de nieuwe president van Afghanistan, zelf een overlevende van een abusievelijke Amerikaanse bombardementsmissie enkele maanden eerder, stuurde een tweede Afghaanse strijdmacht naar het zuiden om mee te vechten. Maar uiteindelijk klemden de Amerikaanse commandanten hun kiezen op elkaar en wendden zich tot de mariniers. Er werd een snelle-reactiemacht ingevlogen en er arriveerden Cobra-helikopters, bekend uit Vietnam, die in vierhonderd missies de berghellingen murw beukten. Maar al-Qaeda had nog een laatste verrassing in petto. Ze verdween in het niets. Het ene moment waren Amerikaanse eenheden verwikkeld in hevige vuurgevechten, het volgende moment raakte hun lichtspoormunitie nog slechts lege stellingen.

Tijdens hun eigen, onsuccesvolle oorlog in de jaren tachtig gaven de sovjets die in dezelfde bergstreek vochten de moedjahedien de bijnaam «geesten» wegens hun vermogen bliksem aanvallen uit te voeren en vervolgens spoorloos te verdwijnen in de bergen. Moedjahedien-veteranen zeggen dat de truc is een verborgen geul of grot te vinden en je daar schuil te houden totdat de achtervolgende troepen voorbij zijn getrokken. Al-Qaeda had veel buitenlandse vrijwilligers in de gelederen en vrijwel zeker Afghanen met kennis van het lokale terrein. De Amerikanen gaven de eerste Afghaanse strijdmacht de opdracht het zuidelijke deel van de vallei af te sluiten, terwijl Karzais versterkingen vanuit het noorden binnendrongen. De Afghanen slaagden er niet in méér dan een handjevol te vinden van de tweeduizend man sterke macht die volgens Amerikaanse schattingen in de vallei had gevochten.

Het grootste deel van de gevechten eindigde op 9 maart, ten koste van acht Amerikaanse doden. De vallei werd veilig verklaard op 13 maart. Tegen die tijd had de desinformatiecampagne al effect gesorteerd. Generaal Hagenbeck verklaarde dat er 48 gewonden waren gevallen, maar volgens Dan Plesch zijn het er ongeveer zeventig. Nu de Amerikanen de vallei in handen hadden, kondigden ze de overwinning af. «Dit is niet minder dan een ongelooflijk succes», vertelde legerwoordvoerder majoor Bryan Hilferty The Washington Post op 13 maart. «We hebben een belangrijk centrum van het al-Qaeda-leiderschap vernietigd.» Het Pentagon kondigde een body count aan van zevenhonderd. Op dat moment waren er nog maar drie al-Qaeda-doden geteld. Terwijl Amerikaanse troepen het terrein doorkruisten, steeg dat aantal, maar niet tot in de honderden.

Terwijl het Witte Huis bezig was om steun op te bouwen voor een verse oorlog — tegen Irak ditmaal — werden via het centrale commando orders gegeven in de toekomst «Anaconda’s» uit de weg te gaan. Hagenbeck kreeg te verstaan voortaan voorzichtiger op te treden. Hij durfde geen grote operaties meer aan. In de desinformatiecampagne had het leger zichzelf op de borst geklopt, maar de mariniers lachten het laatst.

In juli werd een grote invasieoefening (kosten: 250 miljoen dollar) gehouden aan de Californische kust, die model stond voor een Amerikaanse invasie van een niet nader genoemde Golfstaat. Een gepensioneerde generaal der mariniers, Paul van Riper, voerde de «vijandelijke» troepen aan. Hij gebruikte het volledige arsenaal van onconventionele tactieken. Van Riper stuurde speedboten op de invasievloot af, volgepakt met explosieven, en bracht vervolgens de aan land gezette troepen zware verliezen toe door aanvallen van zijn rebellen, die contact hielden per motor om te voorkomen dat hun berichten werden onderschept. De ramp was natuurlijk bloedeloos, maar achteraf zei Van Riper in The Sunday Times: «Er is een waar gebrek aan intellectueel denken over de problemen waarmee militairen worden geconfronteerd.»

Het is verleidelijk om uit dit alles te concluderen dat het Amerikaanse leger, rekenend op zijn high tech-superioriteit, grote problemen tegemoet gaat. Verleidelijk, maar voorbarig. In operatie Anaconda werd maar een fractie gebruikt van de Amerikaanse gevechtskracht. En, zoals het geval was met de Californische «invasie»: het zou best kunnen dat commandanten leren van hun fouten. Elk leger in vredestijd heeft een paar onhandige uitglijders nodig voordat het zich hervindt. Desondanks wijst het meervoudig falen van Anaconda op twee bronnen van zorg: het gebrek aan goede infanterietraining (voor juist die eenheden die zich een weg zullen moeten vechten in Irak) en de neiging van Amerikaanse commandanten om te goochelen met het aantal slachtoffers, terwijl ze gebaat zijn bij een realistischer weergave.

Dat is niet zozeer een teken van het falen van topofficieren, maar van het ontbreken van politiek leiderschap. Meer dan tien jaar geleden vertrouwden Londen en Washington voldoende op publieke steun voor de oorlog tegen Irak om te durven waarschuwen voor de mogelijkheid van grote aantallen geallieerde slachtoffers. De angst bleek onterecht, maar het feit dat er publiekelijk gewaarschuwd werd, toonde de commandanten te velde dat de politieke steun groot zou zijn, wat er ook gebeurde. De voorbereidingen voor wat wel eens een nieuwe oorlog tegen Irak zou kunnen worden, kenmerken zich door een oorverdovende stilte aan beide zijden van de Atlantische Oceaan over het geschatte aantal slachtoffers. Die stilte valt misschien het publiek niet op, maar blijft niet onopgemerkt door de generaals, die moeten raden naar de politieke steun voor hun strijdplannen.

Het blijft mogelijk dat Amerikaanse troepen Irak zullen binnenrazen, vanuit de lucht het Irakese leger verpulveren, en vervolgens, als Bagdad eenmaal is omsingeld, pas op de plaats maken terwijl Saddam Hoessein wordt afgezet door zijn eigen mensen. Het kan echter ook gebeuren dat het Irakese leger ervoor kiest terug te vechten, zich vastklampend aan dat ene stukje terrein waarop het in het voordeel is: een stad volgepakt met angstige vluchtelingen. Als dat gebeurt, en als Washington de nagestreefde regimewisseling koste wat het kost wil doorzetten, dan heeft Amerika een probleem. Het Amerikaanse leger zal dan zijn onervaren infanterie moeten gebruiken om zich een weg door Bagdad te vechten, en de lijkzakken zullen zich opstapelen. Het zou goed zijn om te weten dat politici en generaals voorbereid zijn op een dergelijk resultaat.

© Prospect

Vertaling: Joeri Boom