Opgeblazen pantserknotsen

De bermbommen in Afghanistan doen Indië-veteraan Dick Schaap denken aan de trekbommen in Indonesië, die vele jonge soldaten het leven kostten. Hij hoopt dat de militairen in Afghanistan dit lot in een onwinbare guerrillaoorlog wordt bespaard.

BERMBOMMEN in Afghanistan. Het is een déjà vu voor Indië-veteranen. Op 22 mei 1949 liep bij Wonosari een pantserwagen van 5-5 R.I. op zo’n bom. Alle zeven soldaten in de ‘pantserknots’ stierven. Trekbommen werden ze in Indonesië genoemd. Op korte afstand werden ze door het trekken aan een draad tot ontsteking gebracht. In de nadagen van de tweede politionele actie in december 1948 werden Nederlandse militairen voortdurend met dit verborgen wapen geconfronteerd. Vooral de weg van Semarang via Salatiga, Ampel en Boyolali naar Solo op Midden-Java was berucht. Nederlandse konvooien kregen daar niet alleen te maken met trekbommen van guerrilla-eenheden van de Tentara Nasional Indonesia (TNI), maar ook met mijnen, beschietingen vanaf berghellingen, opgeblazen bruggen en uitgegraven diepe tankvallen.
Sam Kukler (83), oud-chauffeur van de 4e Genie Veldcompagnie, ontsprong de dans toen hij bij Boyolali onder vuur werd genomen. Hij en zijn bijrijder raakten lichtgewond. Vlakbij werd een blijkbaar voor zijn drietonner bestemde trekbom gevonden. Toevallig passeerde hij daarna in Semarang de begrafenisstoet van acht militairen die op de weg naar Solo de explosie van een trekbom niet hadden overleefd.
De Indië-veteraan Fred van der Kleij (83) verbleef als chauffeur bij 17 AAT (Aan- en Afvoertroepen) bijna drie jaar in Indonesië. Zijn compagnie beleefde na de overplaatsing op 2 februari 1949 van Semarang naar Solo haar zwaarste periode in Indonesië. Meer dan veertig trucks liepen op een trekbom. ‘In het blad Wapenbroeders werd de lijst van gesneuvelde jongens steeds langer’, vertelde hij op lezingen voor de schooljeugd. Vanuit Solo moest 17 AAT iedere dag in lange beveiligde konvooien met drie ton rietsuiker naar Semarang. Er liep infanterie in het veld om trekbommen te lokaliseren. ‘Er zijn toen jongens gesneuveld voor suiker. Op het laatst zaten vele militairen dronken achter het stuur om hun zenuwen te onderdrukken, velen meldden zich ziek, om maar niet achter het stuur te hoeven kruipen.’
De tweede politionele actie markeerde het begin van het einde van de Nederlandse heerschappij over ‘Indië’. De glorieuze verovering door een luchtlanding op 19 december 1948 van het Republikeinse regeringscentrum Djokjakarta had een averechts effect. De Veiligheidsraad van de Verenigde Naties en de Verenigde Staten eisten terugtrekking van onze troepen uit Djokja en de onmiddellijke vrijlating van president Soekarno en zijn ministers.
Het werden de maanden waarop de dagelijks zwart omrande lijstjes van gesneuvelden op de voorpagina van de dagbladen steeds langer werden. Ik zie meneer Servaas, een voetbalvriend van mijn vader, nog verslagen bij ons binnenkomen om te vertellen dat zijn zoon Eddy was gesneuveld. Verschrikkelijk, Eddy waarmee mijn twee broers voetbalden was dood. Eduard Carel Servaas (21), sneuvelde op 19 juni 1949 bij Panambonga-Banjumas. Hij werd begraven op het ereveld Pandu in Bandung.
Het werden ook de maanden dat er onvoldoende troepen waren om de veroverde Republikeinse gebieden op Midden-Java onder de duim te houden, en dat het troepenschip S.S. Waterman naar Indië voer met dienstplichtigen die zoals ik slechts zes weken training achter de rug hadden, om troepen te versterken die al jaren patrouilles liepen. Met zeshonderd man en slapen met drie boven elkaar op stretchers in een ruim hadden we de afstand tussen Rotterdam en Tandjong Priok in 23 dagen afgelegd. Om ons bij te spijkeren werden we flink afgeknepen op een terrein aan de rand van een dichtbegroeid moeras. We leerden onze kop diep in de rottende aarde te drukken als er laag scherp mitrailleurvuur over ons werd gelegd. ‘Twee percent mag afvallen, zorg ervoor dat jullie daar niet bij zijn’, zei onze instructeur laconiek. ’s Nachts moest je meteen wachtlopen. Iedere Indië-veteraan kan getuigen dat die eerste tropennacht in de bush een hel kon zijn. Door het eeuwige geritsel en gesis tussen het alang alang (hoog rietgras) en de vreemdste niet thuis te brengen geluiden hield je je vinger voortdurend aan de trekker van je geweer. God, wat was je blij als je eindelijk werd afgelost.

HET REPUBLIKEINSE binnenland bleek na jaren van strijd veel beter en hechter georganiseerd dan werd aangenomen. Het bestond uit een driehoeksgezag: burgerlijk bestuur, het Militaire Gezag (territoriale troepen) en het mobiele leger. Dat leger bestond uit een conglomeraat van strijdgroepen, ondergebracht in de TNI. Daartoe behoorde ook de Tentara Peladjar, het studentenleger. Studenten hebben altijd behoord tot de voorhoede van de strijd voor de onafhankelijkheid van Indonesië. De in 1908 in Leiden door Indonesische studenten opgerichte Perhimpunan Indonesia heeft daarin een belangrijke rol gespeeld. Veel voormalige leden van deze beweging hebben hoge posten in de regering van de Republik Indonesia bekleed.
De Republikeinse legerleiding bleek al heel lang rekening te houden met een Nederlandse aanval. Zij was zich ervan bewust dat zij de vijand niet openlijk tegemoet kon treden. Daartoe ontbraken de moderne militaire middelen. Om zich te weer te stellen werd een Javaans Commando opgericht onder het bevel van kolonel Nasution en een Sumatraans Commando onder bevel van kolonel Hidayat. Het defensieconcept bestond naar Duits voorbeeld uit het vormen van Wehrkreise (weerstandskernen) in plaats van een lineaire verdediging; vertragen van de opmars van de vijand door totale evacuatie van de bevolking; toepassen van de tactiek van de verschroeide aarde; oprichten van cellen in elk subdistrict met kwartieren in de bergen, plus het infiltreren in de vijandelijke linies om cellen te vormen voor het uitbreiden van de guerrillaoorlog over het gehele gebied van Java.
Met deze uitgangspunten ontketende de Republikeinse legerleiding een steeds driester wordende guerrillaoorlog. De TNI deed op 1 maart 1949 zelfs een regelrechte aanval op Djokja. Het commando wist zes uur lang stand te houden in de bezette Republikeinse hoofdstad. De charismatische en aan een slopende ziekte lijdende generaal Sudirman nam de taak op zich de Siliwangi-divisie ongemerkt terug te brengen naar het gebied op West-Java bij Bandung, dat zij na het sluiten van het Renville-akkoord op 17 januari 1948 had verlaten. De divisie moest daar een Wehrkreise-defensie formeren om een guerrillaoorlog te ontketenen in alle federale gebieden. Onder de codenaam Aloha moesten te voet over een afstand van vijfhonderd kilometer bergen en rivieren worden overwonnen. Tegelijkertijd moest Sudirman zowel de Nederlandse troepen van het lijf houden als de Darul Islam, die zowel de TNI als de Nederlanders vijandig gezind was. Deze door de imam Kartosoewirjo geleide en naar een islamitische staat strevende wrede strijdgroep stond erom bekend dat zij haar tegenstanders onthoofd en zonder geslachtsdelen achterliet. Sudirman werd op het laatst zo ziek dat zijn manschappen een draagstoel voor hem maakten.
Overste Tivadar Emile Spier, ridder in de Militaire Willemsorde, onderschepte in de bergen bij Randjanantan met zijn uit niet-Javaanse Indonesiërs samengestelde ‘Speciale Troepen Groep Spier’ leden van de Siliwangi-divisie. ‘Er zijn daarbij weinig doden gevallen. We hebben zo’n tachtig man gevangen kunnen nemen. Ze hadden pamfletten bij zich waarin we werden opgeroepen de wapens neer te leggen omdat voortzetting van de strijd voor ons zinloos was. Er zat een kern van waarheid in.’
In Jakarta’s Legermuseum wordt de route van de Siliwangi-divisie naar West-Java met lichtjes aangegeven. Daar hangt ook de camelkleurige overjas van Sudirman en staat zijn draagstoel in een vitrine. Zijn gestel was zo ondermijnd dat hij op 29 januari 1950 op 34-jarige leeftijd overleed. Postuum werd hij tot Nationale Held uitgeroepen. Met de Siliwangi-divisie leverde hij in de laatste fase van het conflict met Nederland een forse bijdrage aan het ontketenen van de totale guerrillaoorlog op Java.
De Nederlandse legerleiding beantwoordde de Republikeinse guerrilla-activiteiten met een contraguerrilla door eenheden van het Korps Speciale Troepen en andere voor dit doel getrainde strijdgroepen. Hardhandige methodes kwamen in zwang om informatie los te krijgen over de posities van de in kampongs meestal als orang tani (boer) ondergedoken guerrilla’s. Excessen konden niet uitblijven. Steeds vaker moest de luchtmacht eenheden ontzetten en konvooien beschermen. Bombardementen eisten veel slachtoffers onder de bevolking van de desa’s en kampongs, vooral onder vrouwen en kinderen. Er bleef weinig over van de goodwill die vooral Nederlandse militaire artsen en hospiks van compagnieën hadden verworven met het verlenen van medische hulp aan de kampongbewoners. Het percentage aanhangers van de Republiek in Djokja steeg tot negentig. Aan beide kanten stegen de verliezen. In de eerste zeven maanden na de tweede politionele actie sneuvelden 1162 Nederlandse militairen. Gemiddeld waren dat er 166 per maand. Maar het aantal door het conflict na 1946 omgekomen Indonesiërs wordt op honderdduizend geschat.

IN DIE LAATSTE maanden vol dood en verderf bloeiden er in een universiteitsstad als Solo toch nog vriendschappen op tussen Nederlandse militairen en Indonesiërs die in Nederland hadden gestudeerd. De Indië-veteraan Piet Saan (82) sloot vriendschap met de familie Prawirohardjo met nog steeds bezoeken over en weer. Hij vroeg na de verovering van deze stad of hij even bij hen mocht mandiën (baden). ‘Ja, ik zal kijken of er nog water in de mandibak staat’, antwoordde mevrouw Prawirohardjo tot verbazing van Piet aarzelend in vloeiend Nederlands. Ze had een doorwaakte nacht achter de rug. Er waren doden in de stad gevallen. Oetari, haar oudste dochter, was heel laat en overstuur thuisgekomen van een feestje op de Senior High School. De stroom- en watervoorziening was uitgevallen. ‘Mijn vader had juist moeizaam met een emmertje uit de waterput de mandibak gevuld’, vertelde Oetari bijna zestig jaar later op bezoek bij de familie Saan met haar man Koento Wibisono Siswomihardjo. ‘De goede man hijgde er nog van. En juist die belanda die Solo was binnengevallen, wilde bij die bak lekker gaan mandiën? Sorry Piet, die gedachte kon ik toen echt niet verkroppen. Ik heb toen de stop uit de mandibak getrokken.’
Op het terras van de familie Saan in Diemen kon hartelijk worden gelachen over deze verzetsdaad van de nu 79-jarige Oetari. Maar voor Oetari was het laten leeglopen van die mandibak wel degelijk een principiële daad. Oetari was toen achttien en politiek zeer bewust. Zij hielp haar vader, een in 1928 in Leiden afgestudeerde jurist en hoge ambtenaar bij het ministerie van Landbouw van de Republiek in Djokja, meteen na de inval van de Nederlandse troepen in Solo met het wegsluizen van bij huiszoeking mogelijk gevaarlijke papieren. Oetari was als koerierster betrokken bij het zoeken naar de juiste personen onder de gegoede burgerij van Solo om voedsel te financieren en te bereiden voor vijftig aan de rand van de stad in de bush gelegerde leden van de Tentara Peladjar. ‘Het was gevaarlijk werk. In het geheim borduurden we ook epauletten voor de uniformen van de jongens van de Tentara Peladjar voor de dag waarop ze boven water konden komen.’
Koento Wibisono Siswomihardjo bivakkeerde op zeventienjarige leeftijd in de bush bij een compagnie van het 3e detachement van de 17e Brigade op ongeveer tachtig kilometer ten westen van Djokja. De 17e Brigade was het studentenleger, verduidelijkt hij. Ze overvielen militaire konvooien. ‘Wij werden opgevangen en gevoed door de bevolking. Na het cease-fire op 5 augustus 1947 van de op 21 juli van dat jaar begonnen eerste politionele actie mochten we terug naar Solo om onze schoolopleiding te voltooien. Toen heb ik ook Oetari ontmoet. Bij het begin van de tweede politionele actie in december 1948 werden we teruggeroepen door de Tentara Peladjar.’ Oetari en hij zijn nu beiden als hoogleraar verbonden aan de Universiteit van Solo.
Het was dit studentenleger waarmee vooral de AAT in Solo veel te stellen heeft gehad. ‘Dat waren geen gewone jongens, maar intelligente, slimme lieden, die heel moeilijk te bestrijden waren’, zegt Piet Saan. ‘Die hebben veel ellende veroorzaakt, vooral door het beschieten van onze konvooien. Ze hadden trekbommen bij de vleet. Daar hebben wij grote problemen mee gehad.’ Koento Wibisono kan het alleen maar beamen. ‘Ons devies was veni, vivi en wadi. Komen, overwinnen en wegwezen!’ Ze waren ook moeilijk bestrijdbaar omdat ze de steun van de bevolking hadden. ‘In de desa’s werden we via het slaan op de Tong Tong of door een vogelverschrikker in het rijstveld gewaarschuwd voor onheil. We noemden dat het desa-logistieksysteem. Zo eenvoudig, maar o zo effectief. We kregen van de bevolking wat we nodig hadden. We leefden als partizanen. Hoe we aan wapens kwamen? Eerst van de Japanners, door de Republiek gekochte en het land binnen gesmokkelde wapens, maar later ook door ze buit te maken bij overvallen op konvooien.’ De door de Japanners in groten getale achtergelaten vliegtuigbommen van 250 kilo waren heel effectief als trekbommen. Op het Javaanse achterland beschikte de Republiek over dumps en fabriekjes waar van nitroglycerine en kunstmest ook handgranaten en landmijnen werden gemaakt. De genisten van de TNI mochten niet worden onderschat.
GROOT WAS de ontgoocheling van de troepen toen volgens de in mei 1949 tot stand gekomen Van Royen-Roem-overeenkomst de soevereiniteit van Nederlands-Indië zonder meer moest worden overgedragen aan Indonesië. Nauwelijks een week voor het officiële staakt-het-vuren te middernacht van 10 op 11 augustus, vielen meer dan tweeduizend man van de TNI onder bevel van overste Slamet Riyadi Solo binnen. De stad werd ternauwernood behouden. De TNI beschikte niet over antitankgeschut, maar wel over landmijnen die overdag tussen de rommel op straat moeilijk te ontdekken waren en ’s nachts al helemaal niet. Er werden meteen twee van de tien beschikbare tanks voor de verdediging door deze mijnen uitgeschakeld. Als Solo zou vallen, dreigde het omringende gebied als sterke troefkaart bij de onderhandelingen na het staakt-het-vuren in Republikeinse handen te vallen.
De ontgoocheling van de troepen veranderde bijkans in verbijstering toen op 28 december 1949 om 11.40 uur een met de mythologische Indonesische garuda (reuzenvogel) getooid voormalig KLM-toestel uit Djokja met Soekarno en zijn gevolg aan boord op Kemajoran landde. Op het vliegveld en op de weg naar Jakarta werd de stoet omstuwd door een steeds groter wordende juichende mensenmassa. Sommigen renden voor zijn auto uit, anderen vielen flauw en het ‘Hidup Bung Karno! Merdeka! – Leve Broeder Karno! Vrijheid’ was niet van de lucht. ‘Alhamdoelilha – alle lof behoort toe aan Allah!’ riep Soekarno na een moment van diepe stilte vanaf de trappen van het paleis van de Nederlandse gouverneur. ‘We zijn vrij!’ De gigantische menigte voor het witte paleis op het Koningsplein barstte los in een donderend applaus en scandeerde duizendvoudig: ‘Hidup Bung Karno! Merdeka!’ Sommige Indonesiërs konden van vreugde hun tranen niet bedwingen. Op die bewogen dag waarop Batavia na driehonderd jaar Jakarta werd, waren de Nederlandse militairen in deze stad geconsigneerd. We moesten binnenblijven, maar via het radioverslag en het rumoer op het Koningsplein konden wij in onze tangsi (kazerne) de plechtigheid goed volgen. Soekarno had in zijn toespraak een warm woord voor alle burgers in Jakarta. Voor de tukang bedjak, de bedjakberijder, de tukang gigi, de tandarts, maar ook voor de serdadu belanda, de Nederlandse soldaat. Grootmoedig droeg hij zijn volk op hen tot hun terugkeer naar huis als gasten van Indonesië te behandelen. ‘Dit is een historisch moment’, zei ik toen de nationale driekleur werd gestreken en de roodwitte vlag van de Republik Indonesia werd gehesen. ‘Misschien komt alles toch nog goed.’ Voordat ik mijn zin kon afmaken, werd ik door mijn maat gevloerd. Opkrabbelend zag ik verbeten koppen van sobats (vrienden) die veel langer dan ik in Indië waren, patrouilles hadden gelopen in de bush, vrienden hadden zien sneuvelen en hadden moeten begraven. Jonge mannen die zich op deze dag grotesk belazerd voelden door de heren in Den Haag, maar ook door de altijd maar vriendelijke, buigende saja toean (ja meneer) mekkerende Indonesiërs. Ze bleken inderdaad meesters te zijn in het verbergen van hun ware gevoelens. Op die dag kregen mijn sobats het gevoel dat zij voor niets hun leven hadden gewaagd.
Het was een opvatting die door de nog steeds in de bush vertoevende militairen werd gedeeld, Zij wisten dat ze de oorlog niet konden winnen. De uitslag was politiek allang bedisseld. Nederland was niet in staat zich als koloniale mogendheid te handhaven. De vrijheidsdrang van de Indonesiërs was onstuitbaar. Terugziend op mijn periode als dienstplichtig militair in Indonesië en als journalist ben ik van mening dat de periode 1946-1949 door verblindheid én door de afkeer die Nederlandse politici van Soekarno hadden tot een tragedie heeft geleid, die met een parlementaire enquête had moeten worden besloten. Politici in de Tweede Kamer hebben uit angst voor hun achterban en tegenvallende verkiezingen de beslissing over de overdracht jaren voor zich uitgeschoven. Dat het ook in Afghanistan vaak gaat om ‘pantserknotsen’ die met zeven, acht man aan boord worden opgeblazen, versterkt het déjà vu van de Indië-veteranen. Velen van hen hopen dat de politici de wijsheid en kracht zullen opbrengen om de militairen dit lot in de onwinbare guerrillaoorlog in Afghanistan te besparen.