De jaren negentig van …

Opgejaagd als een dinosaurus

De tijdgeest wacht op niemand. Dat merkten mijn buddy Peter en ik, toen we in juni 1977 als zeventienjarige Späthippies door de Londense Docklands banjerden, aangeschoten van de goedkope hotelwijn en natuurlijk ook een beetje stoned van het idee dat we eindelijk zonder ouders in het buitenland waren. Toen we een hoek om sloegen in een troosteloze fabrieksbuurt hoorden we naast ons eerst een doffe knal, toen nog een, en daarna kletterde een ware regen van glasscherven op de keien. Bierflesjes. Ze werden naar ons gesmeten door een angstaanjagende, barbaarse horde Mohikanen met kale schedels en rechtopstaand haar, zoals we nooit eerder hadden gezien.

We zetten het op een lopen, wat moesten we anders? Zij zetten de achtervolging in, joelend en zwaaiend met straatmeubilair.

En zo renden we de jaren zeventig uit, buddy en ik, onze lange haren, de ooit zo trotse freakvlaggen, dansend in de avondlucht. Opgejaagd als dino’s door de Docklands.

Het tijdperk van de punk was begonnen.

Zulke kantelingen van een wereldbeeld, of van een politiek, sociaal, ideologisch of ander paradigma worden ongemerkt voorbereid, ze ontsnappen aan de aandacht van de «gevestigde» media, en dan opeens zijn ze een feit en kun je niet meer om ze heen. Voor de zittende elite heeft dat veel van een kater. Het licht wordt aangeknipt, en opeens ziet iedereen er bezopen uit. Oftewel: je gaat slapen als een superheld in je blauwe maillot, en wordt wakker op de mestvaalt. Cape aan flarden, zwart maskertje ergens in een plas blubber, het laserpistool waarmee je gisteren nog de blits maakte verdwenen. In je broekriem steekt alleen nog een houten ratel waarmee je voortaan passanten kunt waarschuwen dat je eraan komt.

Zoiets moet Ad Melkert zijn overkomen. Alles leek in kannen en kruiken, Nederland lag er aangeharkt bij, de Rolodex thuis werd al volgeschreven met de privé-nummers van Europese collega’s. Maar opeens was het voorbij! Een gefrustreerde clown die zich aan de periferie van de politiek al twintig jaar onmogelijk had gemaakt, bleek met zijn combinatie van zachte blauwe ogen en verongelijkte grote bek de lieveling van het Nederlandse volk te zijn geworden. Hoe was het mogelijk! Waarom had het Centraal Plan Bureau hem daar niet voor gewaarschuwd?

Zulke vertwijfeling is begrijpelijk maar zinloos. Bij een wisseling van paradigma is namelijk niet zozeer sprake van een blinde hoek, waardoor je een spookrijder niet ziet aankomen, maar van een totaal perspectief dat omklapt. Beter om je heen kijken helpt niet, zoals wij toen in Londen ook de punkers niet hadden gezien voordat ze flesjes naar onze hoofden smeten. In de wereld van gisteren was Melkerts nemesis een rancuneuze clown en een querulant, maar in de nieuwe wereld is hij de redder des vaderlands en een baken van eruditie en opofferingsgezindheid.

Wat betekent die omslag? Waarom die adoratie van een man wiens belangrijkste wapenfeiten jarenlang bestonden uit dagdromen over zijn eigen roeping?

Na de kaalslag van de jaren tachtig — de ellendige jaren van crisis, krakersrellen en doemdenken — leken de jaren negentig een humanistische kentering te brengen, met economisch herstel, landsbestuur zonder CDA, en de opkomst van een jeugdcultuur die goddank niet meer de hele nacht rinkelend met beugelflesjes bier zat te mokken over huisjesmelkers. Zelfs in muzikale termen haalden de dinosaurussen opgelucht adem. Wie de digitale wederopstanding zag van oude rockhelden met op de achtergrond vrolijke house en andere neopsychedelische kinderliedjes, moest wel denken dat de jaren negentig een oase zouden worden van creativiteit en relaxte welvaart, een voortzetting van de «meer ontspannen samenleving» die ons ooit door een legendarische sociaal-democraat was beloofd.

Het liep anders. Een feest werd het, maar erg ontspannen was het niet. Nederland Partyland werd een agressieve uitspatting van ontremde burgers die met opgeheven middelvinger hun recht opeisten om altijd, overal, en voortdurend, op de door hen gewenste manier Uit Hun Dak Te Gaan. Dat dwangmatig feestelijke tijdvak, geobsedeerd met de slogan live life to the Max, was niet de grote, politiek correcte linkse droom, zoals de conservatieve jagers van de Edmund Burke Stichting nu triomfantelijk met een voet op het kadaver beweren. Het was de grote neoliberale droom, de triomf van een ongebreideld kapitalisme dat iedere consument belooft dat hij, jazeker hij zelf, een uniek product is.

En het mooiste product was, natuurlijk: Pim.

In zijn ongeduldige hedonisme, zijn emotionaliteit, gebrek aan empathie, zijn vertoon van halve geleerdheid, zijn sentimentele heimwee naar een eenvoudiger Holland, zijn obsessie met authenticiteit maar ook status, erkenning en respect, belichaamde Pim Fortuyn alle ongerijmdheden van de jaren negentig. De ongeremde burger wil alles krijgen, en nergens last van hebben. Fortuyn was de meester-ontremmer van een opgefokte en verwarde natie. De klap van 11 september en de moord daarna — de ultieme ontremming — waren het sluitstuk van de roaring nineties.

Het paradigma is opnieuw omgeklapt. Gelukkig, voor een deel. Maar aan de andere kant, wie jagen ons, politiek correcte leftos, nu als dinosaurussen door de polder? Mat en Ferry. Een kleurloze ambtenaar die zo graag het dure woord «flamboyant» gebruikt (niet voor zichzelf, natuurlijk), en een nieuw-rijke scharrelaar die de kans schoon ziet de rechtse restauratie die zijn weekblad al dertig jaar geleden propageerde alsnog in praktijk te brengen.

Niet erg flamboyant, eerder kleinburgerlijk. Vandaar deze stelling: met de nineties is afgerekend dankzij Pim, maar ook ten koste van hem. Pim, het excentrieke feestbeest, de Emotiemens, heeft het licht uitgedaan in Partyland.