Het vluchtverhaal van Loe de Jong

Opgejaagd door de furiën der historie

Dr. L. de Jong (1914-2005), de historicus die de bezettingsgeschiedenis van Nederland schreef, begon zijn loopbaan in 1938 als redacteur van De Groene Amsterdammer. Toen de Duitsers Nederland bezetten, behoorden hij en zijn vrouw tot de duizend gelukkigen die per schip naar Engeland konden ontkomen.

Donderdagochtend 10 mei 1940 schrok het echtpaar De Jong om vier uur wakker. Het Duitse bombardement op de vlieghaven Schiphol dreunde door tot in hun appartement aan het Surinameplein in Amsterdam. Op de radio werd bevestigd wat ze vreesden: het was oorlog. Zoals veel landgenoten had De Jong niet verwacht dat het zo ver zou komen. Haastig fietste hij naar het redactiebureau van De Groene Amsterdammer aan de Keizersgracht 355. Nu Groot-Brittannië op slag bondgenoot was geworden, schrapte De Jong zijn kritische anti-appeasement-artikel. Hij gaf tekenaar Jordaan in allerijl de opdracht zijn cartoon over de Britse premier Neville Chamberlain, die het nummer van zaterdag 11 mei zou sieren, te vervangen door een vaderlandslievende prent. Hij voegde een redactioneel commentaar toe waarin het onafhankelijke opinieblad fel protest aantekende tegen de ‘doortrapt-gemene berekening’ waarmee nazi-Duitsland de 'alzijdige neutraliteit’ van Nederland schond. 'Geallieerde hulp is in aantocht’, hoopte De Jong.
De Jong meende dat de Geallieerden de 'Vesting Holland’ te hulp zouden schieten. Iedereen dacht dat de Water- en Grebbelinie de komende maanden stand zou houden tegen de oprukkende Wehrmacht. In Amsterdam was nauwelijks iets te merken van de strijd. Op zaterdag viel één Duitse bom, die huizen op de Blauwburgwal trof en 51 burgers het leven kostte. De Jong surveilleerde in zijn buurt als luchtbeschermer. Het gesprek van de dag ging over Vijfde Colonnisten, vermomde verraders en handlangers van de nsb, die vergiftigde chocolade zouden uitdelen aan Hollandse soldaten en kinderen. Het gerucht ging dat de politie bekend had gemaakt dat zij melk en drinkwater vergiftigden. In deze hypernerveuze stemming geloofde ook beroepsjournalist De Jong deze bakerpraatjes. Hij snelde naar huis om het bad vol te laten lopen met water dat nog niet was vergiftigd.
In de oorlogsdagen van 10 tot 15 mei 1940 raakte hij steeds meer 'opgejaagd (…) door wilde gevoelens die zich aan alle redelijke beheersing onttrokken’. Maandagnacht overnachtte hij voor zijn persoonlijke veiligheid in het huis aan de Ruyschstraat, hoek Weesperzijde, van zijn schoolvriend Meik de Swaan en diens vrouw Henny Roos (de ouders van Bram de Swaan; Henny de Swaan werd in 1970 bekend als Dolle Mina-activiste). ’s Middags was over de Nederlandse radio bekendgemaakt dat het prinselijk gezin - Juliana en Bernhard, met hun dochters Beatrix en Irene - via IJmuiden veilig in Engeland was aangekomen. Die avond beluisterde het vriendenstel Radio Beromünster waarop werd gemeld dat koningin Wilhelmina diezelfde oversteek vanuit Hoek van Holland had gemaakt. Dit ongecensureerde radiostation uit het neutrale Zwitserland bood houvast in een zee van tegenstrijdige nieuwsberichten. De Jong behoorde tot de enkele duizenden burgers die in dit vroege stadium al hoorden dat de Nederlandse ministers onderweg waren naar Londen. De rest van Nederland vernam dit pas dinsdagochtend via de Nederlandse radio.
De Jong was net 'als iedere andere Nederlander ziedend verontwaardigd’. Maar zijn angst domineerde. De hele dag waren de berichten over het strijdverloop somber geweest. De Kroon in residentieel Den Haag was niet meer veilig; de Duitse opmars was niet meer te stuiten. Vluchten over zee was de enige ontsnappingsmogelijkheid die resteerde. De Jong was ervan overtuigd dat de Gestapo hem wilde oppakken. Het 'ging om leven of dood’, schreef hij twee weken later vanuit Londen. De Jong vreesde dat hem als eindredacteur van het laatste themanummer van De Groene Amsterdammer over de Vijfde Colonne 'op zijn best plaatsing in een concentratiekamp’ stond te wachten. Inderdaad volgde in het kielzog van de oprukkende Wehrmacht de Duitse politie met een arrestatielijst, maar het is onbekend of de naam van De Jong daarop stond vermeld.
Voor de parlementaire enquêtecommissie over het regeringsbeleid 1940-1945 getuigde hij in juni 1948 dat hij 'in de loop van maandag op dinsdag op grond van de ongunstige oorlogsberichten [tot] de overtuiging kwam’ dat hij om twee redenen moest vluchten: als redacteur van De Groene en vanwege zijn joodse afkomst. De Jong voelde zich een 'politieke vluchteling’. Dat hij vooral vanwege die tweede reden aan een wisse dood was ontsnapt, drong definitief tot hem door toen drie jaar na zijn vlucht alle correspondentie met zijn joodse familieleden en vrienden onbeantwoord bleef.

Dinsdagochtend 14 mei 1940 stond De Jong om half negen op de stoep bij het Britse consulaat aan het Rokin tussen honderden mensen. Toen hij er een kwart eeuw later over vertelde, was die menigte in zijn herinnering aangegroeid tot enkele duizenden. Hij hoorde dat alleen mensen met een Brits paspoort belet kregen. De consul-generaal zou zijn domicilie hebben verplaatst naar Velsen, waar hij spreekuur hield in Hotel Velserend. Een politieman verzekerde De Jong dat er vanuit IJmuiden ook boten vertrokken met vluchtelingen zonder paspoort.
De Jong sprong op zijn fiets en reed naar de redactie van De Groene Amsterdammer. Behalve het jongste nummer stak hij ook een brief van het Britse Conservatieve Lagerhuislid Harold Macmillan in zijn zak. Met deze invloedrijkste backbencher had hij begin 1939 gecorrespondeerd over diens felle anti-appeasement-kritiek. Chamberlain was afgetreden op de vrijdag dat Hitler Nederland en België was binnengevallen. De nieuwe premier Winston Churchill zou Macmillan opnemen in zijn oorlogskabinet. De brief moest als aanbeveling dienen om in Velsen een visum voor Groot-Brittannië te bemachtigen. Vervolgens sjeesde De Jong langs de Jekerstraat, waar hij zijn tante Alida thuis trof. Als Kamerlid en fractievoorzitster van de sdap in de Amsterdamse gemeenteraad had zij van de familie De Jong het meest te vrezen voor haar leven. Hij probeerde haar te overreden om samen met tante Nanette en oom Jaap mee te gaan naar IJmuiden. Maar ze wilde 'haar naaistertjes’ voor wie ze decennialang in de Kledingvakbond had gestreden niet in de steek laten. 'Ik heb mijn leven gehad’, zei ze toen haar neef bleef aandringen. Loe’s tweelingbroer Sally was als Officier van Gezondheid gemobiliseerd en onbereikbaar.
De Jong spoedde zich naar zijn ouders aan de Amsteldijk. De reis naar IJmuiden ging per auto, want het treinverkeer lag al dagen stil. De Jong herinnerde zich in een interview met Ischa Meijer uit december 1973 dat een groep van vijftien mensen naar Velzen-IJmuiden weg moest zien te komen, terwijl er slechts twee auto’s beschikbaar waren. Onduidelijk is hoe hij precies tot dit aantal kwam en welke auto’s reden. Tot het gezelschap behoorden in ieder geval De Jong, zijn vrouw en vijf familieleden: vader, moeder, zijn zusje Jeannetje, en opoe en omoe Serlui. Dat waren er te veel. De kleinzoon hakte de knoop door en besloot dat zijn grootouders als oudsten achter moesten blijven. 'Die hebben hun leven gehad’, zei De Jong, 'grootmoeder en -vader van moederskant, dat waren brave mensen, die accepteerden dat. Die vonden dat een redelijk uitgangspunt.’ Twee weken na zijn vlucht schreef hij over die wanhopige situatie: 'Ik liet de beslissing aan de ouderen over. Zij zagen geen oplossing. Toen (de tijd verliep) greep ik in. Ik zei dat de ouderen moesten blijven. Vader en moeder hadden geen argument dat zij te berde konden brengen.’
Uit De Jongs beschrijving in het derde deel van Het Koninkrijk uit 1970 valt op te maken dat het waarschijnlijk om de auto ging van het buurgezin die er nog drie bij kon hebben. De grootouders zaten al achterin, maar moesten weer uitstappen zodat zijn ouders Godfried, Betty en zusje Jeannette hun plaats konden innemen. De Jong fietste met zijn vrouw naar Henny en Meik de Swaan. Meiks broer was de enige met een rijbewijs en in zijn auto reden zij achter de buurman aan naar IJmuiden.

Opvallend is dat De Jong sinds 1990 consequent vermeldde dat zij per taxi waren vertrokken. In een interview met Henk Hofland uit maart 1993 vertelde hij dat de taxicentrale die dag voortdurend in gesprek was, maar dat het hem wel lukte een passerende taxi aan te houden. De chauffeur weigerde meer dan de maximaal toegestane vijf personen mee te nemen. Zijn vader, maar ook zijn moeder had ermee ingestemd dat de grootouders zouden achterblijven. De verantwoordelijkheid voor deze beslissing had niet alleen bij hem gelegen, zo onderstreepte De Jong nog eens.
Hij vertelde toen ook dat de buurman Jo Wins heette die in zijn gezinsauto met zijn vrouw en twee van hun drie kinderen vluchtte. In deze versie vluchtten Loe en zijn vrouw Liesbeth Cost Budde dus per taxi en niet in de auto van Meiks broer. Daarom liet De Jong ook weten dat hij die dinsdagochtend niet alleen tante Alida had bezocht, maar ook Henny Roos op haar werkadres aan de Weteringschans. Zij hadden afgesproken dat beide stellen De Jong en De Swaan elkaar die dinsdagmiddag in Hotel Velserend zouden treffen.
In zijn memoires uit 1993 wordt duidelijk waarom De Jong meende te weten dat er een taxi in het spel was geweest. Begin jaren tachtig was hij op een feestje aangesproken door de dochter uit een buurtgezin aan de Amsteldijk dat die bewuste veertiende mei ook probeerde te vluchten. De Jong noemde haar het 'meisje Grishaver’, dat destijds ongeveer dertien jaar was, niet veel ouder dan zijn tienjarige zusje Jeannette. De vrouw verweet De Jong dat hij de taxi had weggekaapt voor de neus van haar vader die de wagen had gereserveerd. Het was de familie Grishaver die dag niet meer gelukt nog weg te komen.
Mevrouw Grishaver beweerde dat De Jong zwaaiend met het recente nummer van De Groene Amsterdammer in zijn hand zou hebben uitgeroepen dat hij in veel groter levensgevaar verkeerde dan haar vader. Als redacteur was zijn vlucht 'in het Nederlands belang’. De Jong kon zich het voorval niet herinneren en vatte samen dat haar vader de taxi 'in elk geval’ had gegeven. Later voegde hij toe dat mevrouw Grishaver op dat feestje eigenlijk nog het meest kwaad was geweest over het feit dat haar vader de taxi had verspeeld aan die jonge knaap van 26 jaar die hij toen was. Hij betwijfelde of 'ze uit IJmuiden verder gekomen was’.
Twee weken na verschijning van Herinneringen I reageerde Esther Maas, de dochter van mevrouw Grishaver, die een jaar eerder was overleden, met een ingezonden brief in NRC Handelsblad van 27 maart 1993. Haar moeder had nooit anders verteld dan dat haar grootvader de taxi 'onder geen beding’ had willen afstaan. Van begrip of toestemming was geen sprake geweest. Sindsdien bestaan er twee versies over dit 'taxi-incident’. De Jongs weergave druist in tegen de getuigenis van de Grishavers, die beweren dat hun (groot)vader de familie De Jong onder protest met 'zijn’ taxi had laten vertrekken. Wie had gelijk?
Het heeft geen zin tegenstrijdige herinneringen met een fileermes te ontleden, maar één punt verbaast. Sinds begin jaren tachtig nam De Jong voetstoots van dochter Grishaver over dat hij per taxi was gevlucht. Zijn lezing wordt weersproken in twee documenten uit de eerste maanden na aankomst in Engeland waarin De Jong zelf verslag deed van zijn vlucht. In beide teksten schreef hij dat vluchten per taxi volstrekt was uitgesloten. De eerste bron is een persbericht dat De Jong eind mei 1940, twee weken na zijn vlucht, schreef voor het Netherlands-Indies Press Agency. Onder het stuk typte hij in hoofdletters: 'Geen schrijversnaam vermelden’. De Jong was erop bedacht dat zijn familie en vrienden gevaar liepen als dit artikel van een politiek vluchteling het bezette moederland bereikte. Waarschijnlijk is dit anonieme artikel nooit in een Nederlands-Indische krant verschenen en daarom is het vergeten. 'Taxi’s waren niet te krijgen’, schreef hij, 'zij waagden zich niet buiten Amsterdam.’ Voor een ritje naar IJmuiden werd duizend dollar geboden.
De tweede bron dateert uit medio oktober 1940. De Jong schreef een brief over zijn vlucht aan E.C. van Dorp, de tante van zijn vrouw Liesbeth in Batavia (Van Dorp was een gematigd feministe die voor de Vrijheidsbond in de Tweede Kamer had gezeten). Opnieuw noemde De Jong het bedrag van duizend dollar en weer vermeldde hij dat zijn gezelschap was weggekomen 'in eigen wagens van een paar vrienden’.
De beide documenten zijn vergeten en niet eerder bij dit taxi-incident opgevoerd. Het persbericht ligt in een Niod-collectie over Radio Oranje; de brief is te vinden in de collectie van de geadresseerde Van Dorp op Aletta (voorheen het Instituut voor Vrouwengeschiedenis). Toen De Jong deze brief in 2004 opnieuw onder ogen kreeg, waren zijn memoires al een decennium oud. Niemand weet hoe hij reageerde op deze brief die hij 64 jaar eerder zelf had geschreven.
Waarom benadrukte De Jong in 1940 zo nadrukkelijk dat hij niet per taxi was gevlucht, terwijl hij er een halve eeuw later vanzelfsprekend van uitging dat dit wel zo was gebeurd? Verondersteld kan worden dat De Jong schaamte- en schuldgevoel had ontwikkeld over dit taxi-incident. Het is aannemelijk dat het verweven is geraakt met de overlevingsschuld waar De Jong sinds de oorlog mee kampte toen bleek dat zijn directe familie was uitgemoord. Gewetensnood over zijn beslissende voorstel om zijn grootouders Serlui in Amsterdam achter te laten kan hem ook parten hebben gespeeld, net zoals het zelfverwijt dat hij zijn ouders en zusje die dinsdagmiddag in Velsen zou kwijtraken en voor altijd verliezen. In 1990 schreef De Jong dat hij zijn ogen maar hoefde te sluiten om te zien hoe zijn grootouders wegliepen. 'Omoe had Opa een arm gegeven - zo liepen ze meestal. Hij liep slecht.’ Zij overleefden de oorlog niet, net zo min als zijn ouders en zusje, die op 4 juni 1943 in Sobibor werden vergast.
De Jongs herinneringen aan zijn vlucht waren gedrenkt in doodsangst. De veertiende mei 1940 bracht een dramatisch keerpunt in de levens van alle betrokkenen. Grishaver en Wins waren, net als de De Jongs en velen van de bewoners van de Amsteldijk en Diamantstraat, joodse families. Het gezin Grishaver slaagde er na twee bezettingsjaren alsnog in naar Zwitserland te ontkomen en overleefde de oorlog. Dat gold niet voor het echtpaar Wins, dat die nacht met beide kinderen zelfmoord pleegde.

Dinsdagochtend kroop de lange stoet auto’s naar IJmuiden voorbij de brandende petroleumhaven aan de overkant van het Noordzeekanaal. Toen ze aan het begin van de middag in een tjokvol Velsen arriveerden, blokkeerden militairen de weg naar de haven wegens bombardementsgevaar. In hotel Velserend was geen spoor te bekennen van de Engelse consul, maar ze troffen er wel het echtpaar De Swaan. Ze zwierven doelloos door Velsen, dat steeds drukker werd. Bij elk luchtalarm ging er een paniekgolf door de menigte. Niemand kon een kant op. De Jong verloor zijn ouders en zusje uit het oog om hen nooit meer terug te zien. Om vijf uur dirigeerde de politie een trieste uittocht van vreemdelingen huiswaarts. Tussen de 'vele joden, die van een nazi-regime in Nederland niets dan verpauperisering te verwachten hadden’ zag De Jong ook veel niet-joden, hoogleraren en politici. Hij herkende de sdap-voorlieden Koos Vorrink en Willem Drees.
'Wanhopig en doodmoe, en eigenlijk beschaamd dat we ons land uit wilden’ streken de echtparen De Jong-Cost Budde en De Swaan-Roos neer in een café. Ze besloten te blijven. De Jong regelde om de hoek een overnachting tegen de woekerprijs van tien gulden per stel. In de gang van het pension stond de radio aan, waarop generaal Winkelman via het anp om kwart voor zeven de capitulatie afkondigde. De Wehrmacht diende overal, behalve in Zeeland, vrije doorgang te verkrijgen. De Jong keerde 'lijkbleek’ terug bij zijn vrienden met de slechte tijding. De Duitsers zouden IJmuiden uiterlijk de volgende dag bereiken. Om acht uur moesten de straten leeg zijn. Het was nu of nooit. Tegen half acht ondernamen ze een laatste wanhoopspoging om de bewaking te passeren.
Vanaf dat moment hadden Loe en Liesbeth de Jong het geluk aan hun zijde. Er stopte een auto in het drukke verkeer. Meijer Sluyser, journalist bij Het Volk, herkende De Jong, met wie hij in dezelfde buurt had gewoond. Aan het stuur zat Jan Lebon, de penningmeester van de Vara. Naast de vier volwassenen en hun drie kinderen schoot nog net een plaatsje over voor De Jongs vrouw, die zeven maanden zwanger was. De Jong zelf sprong op de rechtertreeplank. Tezelfdertijd dook er een jongen op aan de bestuurderszijde die aanbood hen naar de haven te loodsen in ruil voor de auto die achter zou blijven. Lebon zei toe en de lokale gids sprong op de linkertreeplank.
In de rit die vijf minuten duurde, raakte het echtpaar De Jong hun vrienden De Swaan kwijt. In het derde deel van Het Koninkrijk schreef hij dat het stel ook op de treeplank sprong; de een achter hem en de ander achter de gids. Zij konden zich op de treeplank die naar achteren taps toeliep nauwelijks vasthouden aan de kap. In een bocht sprongen ze af. In zijn memoires herinnerde De Jong zich dat zijn vrienden op de treeplank van de volgauto stonden. De gids gebaarde Lebon linksaf te slaan op een punt waar de achterligger de stoet naar rechts volgde. Die route liep dood op een nog bemande militaire barricade bij de Noordersluis waarvandaan het prinselijk gezin zondagavond 11 mei vertrok. De lokale gids loodste Lebon door een wirwar van straatjes naar de visserijhaven. De wachtpost was opgeheven; de capitulatie was immers een uur geleden afgekondigd en de oorlog was voorbij. Op de Zuiderpier lag een Groninger kustvaarder afgemeerd. De joodse schippersvrouw Elly Klugkist, afkomstig uit een diamantwerkersgezin uit de Amsterdamse Transvaalbuurt, monsterde vluchtelingen op de kade. Ze konden mee.
De laatste hindernis was een nerveuze marineofficier die de vluchtelingen met geladen pistool de weg versperde. Sluyser trok een officiële brief te voorschijn van zijn hoofdredacteur, dr. H.B. Wiardi Beckman, die als persofficier was toegevoegd aan de staf van generaal Winkelman. Hij las de namen op van socialisten die naar veiliger gebied moesten worden geëvacueerd. De families Sluyser en Lebon prijkten op die lijst en Sluyser wist De Jong er als eindredacteur van De Groene Amsterdammer ongemerkt tussen te flansen.
De families Sluyser, Lebon en De Jong waren de laatsten die aan boord gingen van de tweetonner Friso, die 96 vluchtelingen redde. Rond de klok van acht uur voeren ze zigzaggend door de mijnenvelden de Noordzee op. Boven de petroleumhaven van Amsterdam hing nog altijd de kilometershoge zwarte rookpluim. Zuidwaarts zag De Jong de 'vreemde, onheilspellende gloed hangen’ van brandend Rotterdam, dat begin die middag was gebombardeerd. De Jong voelde zich opgejaagd door 'de furiën der historie’. In de opkomende duisternis verdween gehavend Nederland langzaam uit zicht. Onderweg doorstonden de vluchtelingen een aanval van een jager van de Luftwaffe die doel miste. De Friso meerde donderdagochtend 16 mei veilig aan in Poole Harbour, even ten westen van Southampton. Kapitein Klugkist rekende voor de overtocht per persoon vijftig gulden 'voor wie het kon lijen’. De vlucht van Loe en Liesbeth de Jong had precies twee dagen geduurd. Het was alles 'puur toeval en geluk geweest’, zei zijn vrouw later.
In Londen trad de 'former editor of De Groene Amsterdammer’ in dienst van Radio Oranje, de dagelijks in bezet Nederland te beluisteren clandestiene overheidszender. De Jong verwierf als vaste radiostem tijdens de vijf bezettingsjaren landelijke bekendheid. Het opinieblad gaf er in oktober 1940 vanwege 'financiële redenen’ de brui aan. De werkelijke reden was dat het niet langer onder nazi-censuur wenste te verschijnen. De Jong juichte deze beslissing vanuit Londen toe. Opheffing was beter dan 'een Groene Amsterdammer die gedwongen is alles te verloochenen waar zij meer dan zestig jaar voor heeft gestreden’.
Al snel na de bevrijding verscheen het opinieblad weer, maar zonder medewerking van De Jong, die als chef begon bij het pas opgerichte Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie.
De rest van zijn leven wijdde hij aan de geschiedschrijving van de Tweede Wereldoorlog.

Boudewijn J. Smits werkt bij het Biografie Instituut van de Rijksuniversiteit Groningen (RUG) aan een biografie van Loe de Jong