Opgejaagd door Fräulein Verdonk

Al Galidi
De herfst van Zorro
Meulenhoff/Manteau, 72 blz., € 19,95

Mark Boog krijgt gezelschap. Waar de VSB Poëzieprijs-winnaar uit Houten goed is voor zes dichtbundels en drie romans in zeven jaar tijd toont Al Galidi, de Irakees die al zeven jaar toert langs Nederlands meest gastvrije asielzoekerscentra, zich ook al zo’n veelschrijver: twee dichtbundels en vier prozaboeken in vijf jaar tijd. De meest recente telg is de poëziebundel De herfst van Zorro. Te paard trekt de zich met de bemaskerde held in het zwart vereenzelvigende vluchteling door Nederland. Een man die al zeven jaar lang illegaal in Nederland verblijft en zichzelf de Nederlandse taal heeft geleerd met hulp van het Kramers’ Woordenboek kan onmogelijk een bundel vol geniale gedichten afleveren. De taal zal als een fluim in een slokdarm de dichter er regelmatig van weerhouden te zeggen wat hij echt wil zeggen. En ja, er staat een aantal draken in de bundel, zoals de laatste twee regels van de bundel (‘Ik heb de zeilen van mijn leven gehesen/ en ik wacht op de laatste wind’) of zinloze opsommingen als: ‘Ik wil naast je liggen/ zoals de golf naast de golf./ Ik wil één met je worden/ zoals de golf met de golf./ Ik wil je volgen/ zoals de golf de golf’, en zo gaat dat dan nog een poosje door. Tegelijkertijd staan er enkele gedichten in De herfst van Zorro die de moeite van het bespreken waard zijn. Ieder gedicht in de bundel wordt ingeleid met een pseudo-heroïsch tafereel.

Zorro heeft altijd een andere wereld nodig om naar toe te gaan. Hij voelt zich een vreemdeling, ook in eigen land. Hij is een reiziger zonder rust en als hij alleen in een bos of een vallei zit, verlangt hij naar een wereld om aan toe te behoren.

Die eerste regel intrigeert me. Iemand die altijd een andere wereld nodig heeft om naartoe te gaan, dat is een reiziger die nooit ergens aankomt. Of in dit geval een illegaal die wordt opgejaagd door Fräulein Verdonk. Maar hoe druk je dan de wanhoop uit van die paspoortloze vluchteling? En hoe druk je het zo uit dat het ook nog poëzie is, en niet alleen een goedbedoelde maar literair niet beklijvende hartenkreet? Dat doe je zo:

Als ik het vuur in de winter

onder het water kan laten branden,

ga ik naar de zee.

Mijn opvliegende temperament

zal daar rustiger zijn.

Daar hoef ik

alleen maar in de zee te zijn.

Met grote mond,

die slikt

en niet dichtgenaaid is

en zonder handen,

waarvan de vingerafdrukken zijn genomen

om mij te beschuldigen

of vastgeketende polsen.

Vinnen en stilte

passen beter bij mij

dan handen en woorden.

Dit gedicht, waarvan ik de laatste regels heb weggelaten, omdat zich daar weer tegeltjespraat aandiende (‘Golven/ verdedigen mijn eenzaamheid’), start met een beeld dat de daaropvolgende regels nietig verklaart. Het is voltooid toekomende tijd. Ook onder een ijslaag zal vuur niet branden, dus gaat de ik-persoon helemaal niet naar de zee, dus zal hij niet ‘rustiger’ worden. En ‘rustiger’ is dan zoals wij Hollanders onze immigranten graag zouden willen zien. De oproep tot gebed geschiedt bij voorkeur per sms en slager J. van der Ven zal zich op feestdagen over het schaap ontfermen in een goed geïsoleerd abattoir.

In een ander gedicht toont Al Galidi zich een raadselachtige optekenaar die iets toevoegt aan de Nederlandse poëzie.

In de brandende zomer,

dorstig en ver van de rivier

zag ik een watermeloen

op de grond liggen

als een naakte, groene vrouw op een strand.

Als een zwembad

in een hel.

Ze had de droge grond uitgewrongen

om gevuld te worden met leven.

Ik brak haar,

at het water

dat zij in haar rode jurkje had verstopt

en boog voor haar.

‘Watermeloen,

je hebt een zoet hart.

Eens

zullen wij hier weer komen.

Jij met je zaadjes

en ik met mijn voetstappen.’

Ook hier kunnen we de laatste regels irrelevant verklaren, maar de rest van het gedicht maakt veel goed. Het is warm, aarde en horizon zengen ineen, de ik-persoon wandelt met een tong van kurk door een nee-schuddend land en ziet een watermeloen op de grond liggen. Oké, dat hebben we. Maar dan volgt de absurde vergelijking: ‘als een naakte, groene vrouw op een strand’. Het zou een reguliere metafoor zijn als de vrouw niet groen was geweest. Dan is de meloen, mits opengesneden, gewoon synoniem voor een welwillende chick die aast op een dromende dichter. Maar een ‘groene vrouw’ is toch andere koek. Heeft ze te veel Breezer’s Lemon gedronken? Is ze een te kussen vrouwtjeskikker? Of leidt taalonbekendheid in dit geval tot kwaliteit?

En dan volgt een nog vreemdere regel: ‘Als een zwembad/ in een hel.’ Het inferno zal dan Nederland zijn en het zwembad een sloot met kroos, schat ik zo in. Maar echt pakken kun je het niet. ‘Ze had de droge grond uitgewrongen/ om gevuld te worden met leven’, doet het dan nog. Ik heb geen idee wat dat betekent.

Toch kijk ik als ik een wandeling maak nu steeds tussen de struiken om te zien of er ergens een meloen ligt.