Televisie

Opgelegd pandoer

Televisie: Heimat 3: nadrukkelijkheid in plaats van subtiliteit

Heimat 3, aflevering 3. 1995: Hermann Simon, dirigent en componist, haalt zijn Clarissa, zangeres, van de trein. Zes jaar eerder hebben de jeugdgeliefden elkaar in de Wende-nacht teruggevonden en beseft dat dit «voor het leven» moet zijn. Ze lieten een vakwerkhuis restaureren, prachtig gelegen boven de Rijn en vlak bij Hermanns geboortedorp Schabbach. Maar het geluk dat ze van die zowel oude als nieuwe «Heimat» verwachten, wil niet komen. Door hun carrières zijn ze er zelden samen, Hermann lijdt er aan een composers block en Clarissa voelt zich er «unheimisch». Is het een oude vloek op het huis, zoals streekgenoten zeggen? Of zitten onrust, onbehagen en onvermogen in henzelf, zoals vaker in de «moderne mens»?

Maar nu heeft Hermann voor lang vrij genomen en blij haalt hij Clarissa af. Die zonder bagage uitstapt, Hermanns zonnebloemen negeert en honderduit ratelt over haar geweldige crossover-project met een geweldige Amerikaanse zanger waarin ze Schumanns Dichterliebe geweldig vereigentijdsen (overigens diep onder het niveau van Reinbert de Leeuws aangrijpende Im wunderschönen Monat Mai). Ze wil per direct met dat project op tournee: ze komt alleen wat kleren halen. Dat dit niet helemaal goed zit kan zelfs de Goede tijden, slechte tijden-verslaafde niet ontgaan. Maar Reitz twijfelt kennelijk nog aan zijn kijker: Hermann vergeet in begrijpelijke verwarring de auto op de handrem te zetten, die dus de helling bij hun huis af dondert. Clarissa heeft geen oog voor het feit dat hij van kelder tot zolder heeft schoongemaakt (wat we toch Gergiev en Chailly niet gauw zien doen) en stormt naar de rinkelende telefoon, waar ze tot in Schabbach hoorbaar een verliefde- bakv!
isgesprek in het Engels voert.

Reitz, ooit grootmeester van het indirecte en de subtiliteit, is in Heimat 3 kampioen van nadrukkelijkheid en opgelegd pandoer. Vergeef me dat ik erop terugkom, maar mijn verwachtingen waren zo hoog, Reitz’ pretenties in interviews zo groot, de voorpubliciteit was zo massaal, NRC’s voorbeschouwing zo lyrisch, Grunberg zo mild, het belang van zulke grootschalige dramaprojecten zo enorm, en het raadsel van het kwaliteitsverschil met de eerdere Heimats zo onpeilbaar, dat ik er niet over uit kan. Want de beschreven passage is willekeurig gekozen en kan met tientallen voorbeelden aangevuld. Bovendien rammelt het dramaturgisch aan alle kanten, blijven de personages óf tweedimensionaal óf hol, is identificatie nagenoeg onmogelijk, waardoor het lot van de dramatis personae je steeds meer onverschillig laat, wordt er middelmatig geacteerd, zijn de verhalen van grote onwaarschijnlijkheid zonder ooit de kracht van sprookje of mythe te krijgen en knap je af o!
p Reitz’ visie, niet omdat die diep pessimistisch is maar omdat die zo kitscherig gebracht wordt.